ECLI:NL:RBNHO:2026:633

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
15-332410-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring hoger beroep officier van justitie tegen beslissing rechter-commissaris inzake cocaïne-invoer via luchthaven Schiphol

Op 21 januari 2026 heeft de Rechtbank Noord-Holland in Haarlem uitspraak gedaan in een hoger beroep van de officier van justitie tegen een beslissing van de rechter-commissaris. De rechter-commissaris had op 9 december 2025 de bewaring van de verdachte bevolen, maar deze beslissing werd op 10 december 2025 hersteld. De officier van justitie stelde hoger beroep in, omdat de rechter-commissaris de twaalfjaarsgrond/geschokte rechtsorde ten onrechte had beperkt tot het moment dat de verdachte schoon werd verklaard door de Koninklijke Marechaussee. De rechtbank oordeelde dat de invoer van cocaïne in het lichaam van de verdachte via de luchthaven Schiphol een ernstig feit is dat de rechtsorde schokt, en dat de beslissing van de rechter-commissaris niet in stand kon blijven. De rechtbank oordeelde dat de recidivegrond niet van toepassing was, aangezien de verdachte een first offender is en er geen concreet gevaar voor herhaling was. De rechtbank overwoog dat, gezien de bijzondere omstandigheden van de verdachte, waaronder het feit dat hij al geruime tijd op vrije voeten was en geen nieuwe contacten met politie en justitie had, het niet opportuun was om de verdachte opnieuw in hechtenis te nemen. De rechtbank verklaarde het hoger beroep van de officier van justitie gegrond, vernietigde de beslissing van de rechter-commissaris en beval de bewaring van de verdachte voor een termijn van veertien dagen, terwijl het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis werd toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Haarlem
parketnummer : 15-332410-25
beslissingv
an de raadkamer d.d. 21 januari 2026 op het hoger beroep van de officier van justitie tegen de beschikking van de rechter-commissaris
in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats],
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres]
Raadsman mr. Y. Bouchikhi.

Procedure

De rechter-commissaris heeft op 9 december 2025 de bewaring bevolen, welk bevel op 10 december 2025 is hersteld.
De officier van justitie heeft de hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechter-commissaris.
De rechtbank heeft de stukken gezien, waaronder de beschikking van de rechter-commissaris en de appelmemorie van de officier van justitie.
De rechtbank heeft in raadkamer van heden de officier van justitie, de verdachte en de waarnemend raadsvrouw, mr. S. Schilder, gehoord.

Beoordeling

De rechtbank begrijpt dat het hoger beroep van de officier van justitie zich richt tegen de beslissing van de rechter-commissaris van 9 december 2025, welke beslissing op 10 december 2025 door de rechter-commissaris is hersteld. De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat met dit herstel de kern van de beslissing van 9 december 2025 niet gewijzigd is.
De rechter-commissaris heeft de bewaring bevolen en daaraan de twaalfjaarsgrond / geschokte rechtsorde ten grondslag gelegd, tot aan het moment dat de verdachte schoon is verklaard (en geen bollen meer produceert) door de Koninklijke Marechaussee. Vanaf dat moment heeft de rechter-commissaris de invrijheidsstelling gelast vanwege het ontbreken van gronden.
De rechtbank is van oordeel dat deze beslissing niet in stand kan blijven, omdat naar het oordeel van de rechtbank de twaalfjaarsgrond/geschokte rechtsorde door de rechter-commissaris ten onrechte is beperkt tot het moment dat de verdachte schoon wordt verklaard. Het feit dat de verdachte wordt verweten, namelijk de invoer van cocaïne in zijn lichaam via de luchthaven Schiphol, betreft een feit waar twaalf jaar gevangenisstraf op staat en is een feit waardoor de rechtsorde, in ieder geval in de fase van de voorgeleiding bij de rechter-commissaris, ernstig is geschokt.
De officier van justitie heeft verder aangevoerd dat de rechter-commissaris ten onrechte de recidivegrond niet ten grondslag heeft gelegd aan het bevel bewaring.
De rechtbank is, met de rechter-commissaris van oordeel, dat de recidivegrond niet aan de orde is. De verdachte is een first offender en de enkele omstandigheid dat hij schulden heeft maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat sprake is van een concreet gevaar voor herhaling. Ook het standpunt van de officier van justitie dat de aard van het feit en de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder het gegeven dat hij als arbeidsmigrant geen binding met Nederland zou hebben, maken dat sprake is van herhalingsgevaar, kan de rechtbank niet volgen.
Vervolgens rest - gelet op het verzoek van de raadsvrouw om tot schorsing van de voorlopige hechtenis over te gaan - de vraag die aan de rechtbank ter beoordeling voorligt of bij een afweging van belangen, het belang van de verdachte zwaarder dient te wegen dan het maatschappelijk belang bij voortzetting van de voorlopige hechtenis. De rechtbank overweegt hiertoe dat, gelet op het voorgaande, de twaalfjaarsgrond/geschokte rechtsorde aan het bevel bewaring ten grondslag ligt. Dit betekent dat schorsing van de voorlopige hechtenis slechts aan de orde kan zijn als sprake is van zeer bijzondere omstandigheden, al dan niet van persoonlijke aard. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan sprake. De rechtbank acht hierbij van belang dat de verdachte al een geruime tijd op vrije voeten is, in die periode geen nieuwe contacten met politie en justitie bekend zijn geworden en hij in Nederland een woning, werk en een partner heeft. Gelet op deze bijzondere omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het opnieuw in hechtenis nemen van de verdachte, voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak die gepland is in maart 2026, niet opportuun is. Dit betekent dat het schorsingsverzoek zal worden toegewezen.
Het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zal gegrond worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het hoger beroep van de officier van justitie gegrond;
- vernietigt de beslissing van de rechter-commissaris van 9 december 2025,
en opnieuw rechtdoende:
- beveelt, terzake van het in de vordering tot inbewaringstelling genoemde feit, de bewaring van de verdachte voor een termijn van veertien dagen;
- wijst toe het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis, welke beslissing apart is geminuteerd.
Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 21 januari 2026 door:
mr. M.E. Francke, voorzitter,
mr. S. Ok en mr. H.H.E. Boomgaart, rechters,
mr. S.P. van der Wiel, griffier.