Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6307

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
C/15/378509 / JU RK 26-854
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:257 BWArt. 1:265b BWBesluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige

De Raad voor de Kinderbescherming verzoekt een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige, die sinds 2021 in een pleeggezin woont vanwege psychiatrische problematiek van de moeder.

Na eerdere ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is de situatie recent verslechterd door spanningen tussen moeder en pleeggezin, waarbij moeder de minderjarige niet terugbracht na omgang en hem onttrok aan school. Dit leidde tot ernstige zorgen over zijn veiligheid en welzijn.

De kinderrechter oordeelt dat er een acuut en ernstig vermoeden bestaat dat de ontwikkeling van de minderjarige wordt bedreigd en dat onmiddellijke maatregelen noodzakelijk zijn. Daarom wordt de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld voor drie maanden en wordt een machtiging verleend voor uithuisplaatsing bij het vertrouwde netwerkpleeggezin voor vier weken, met directe uitvoerbaarheid.

De zaak wordt aangehouden voor verdere behandeling en betrokkenen worden opgeroepen voor een zitting. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De minderjarige wordt voorlopig onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst bij het netwerkpleeggezin met onmiddellijke ingang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/378509 / JU RK 26-854
Datum uitspraak: 1 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
gevestigd in Alkmaar,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] .
de gecertificeerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd in Alkmaar,
[de pleegouder 1]en
[de pleegouder 2],
de oom en tante moederszijde, tevens de pleegouders, hierna te noemen: de pleegouders,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 1 juni 2026.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft sinds 10 maart 2021 in het huidige (perspectief biedende) pleeggezin.
2.3.
[de minderjarige] is eerder tot 22 januari 2025 onder toezicht gesteld van de GI. Tevens was er een machtiging uithuisplaatsing bij het pleeggezin van kracht.

3.Het verzoek

De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. Na afsluiting van de ondertoezichtstelling zijn de volgende afspraken gemaakt, welke zijn ingegaan vanaf
19 januari 2025:
  • [de minderjarige] groeit op bij de pleegouders;
  • Moeder houdt zich aan de afspraken die worden gemaakt met pleegouders en Parlan;
  • Moeder wordt dringend geadviseerd om mee te blijven werken aan de hulp vanuit de GGZ;
  • Parlan blijft betrokken voor ondersteuning en begeleiding aan pleegouders. Pleegouders melden bij Parlan indien zij zich zorgen maken over de veiligheid en ontwikkeling van [de minderjarige] . Indien Parlan zich ernstig zorgen maakt dienen zij een verzoek tot bespreking bij de beschermtafel in;
  • Moeder heeft toestemming gegeven aan de GGZ om informatie te delen met Parlan wanneer er zorgen zijn over moeder haar psychische problematiek in het kader van de veiligheid en ontwikkeling van [de minderjarige] ;
  • De GI geeft de Raad mee om te overwegen direct onderzoek te doen naar de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel indien er opnieuw zorgen worden gemeld, gelet op de blijvende en terugkomende zorgen.
4.2.
Sinds de afsluiting van de ondertoezichtstelling is echter steeds meer onrust en spanning ontstaan in de dynamiek tussen de moeder en het pleeggezin. Ook is er nog nauwelijks contact tussen moeder en Parlan. Moeder reageert niet meer op mails en vragen van de pleegzorgwerker. Er worden negatieve uitspraken gedaan door moeder en haar partner in het bijzijn van [de minderjarige] , waardoor hij onder druk komt te staan en in een loyaliteitsconflict terecht komt. Op 31 mei 2026 stuurt moeder rond 18.00 uur een e-mail aan pleegmoeder en neemt daarbij Parlan en de Raad mee in de CC. In de e-mail geeft moeder aan dat [de minderjarige] bij haar blijft. Moeder schrijft onder andere dat er geen enkele rechterlijke beslissing, beschikking of maatregel is die het verblijf of de overnachtingen bij haar als gezaghebbende moeder beperkt. Op 1 juni 2026 stuurt moeder rond 06.30 uur een e-mail aan het schoolhoofd van [de minderjarige] zijn school, waarin zij pleegmoeder en de Raad meeneemt in de CC. Hierin informeert moeder dat [de minderjarige] met ingang van heden afwezig zal zijn op school. Moeder benoemt in deze e-mail opnieuw dat er geen rechtsgeldig document bestaat dat [de minderjarige] is toegewezen aan de pleegouders en dat hij inmiddels weer thuis verblijft. Tot slot geeft moeder aan dat [de minderjarige] , om hem de noodzakelijke rust, stabiliteit en emotionele veiligheid te bieden tijdens deze overgangsperiode, tijdelijk niet naar school zal gaan.
4.3.
Op basis van de beschikbare informatie maakt de Raad zich grote zorgen over de veiligheid en het welzijn van [de minderjarige] in de opvoedsituatie bij moeder. [de minderjarige] woont al ruim vijf jaar in het pleeggezin, omdat er bij moeder sprake is van psychiatrische problematiek. Er is ruim twee jaar geleden een opvoedbesluit genomen en [de minderjarige] krijgt sindsdien de boodschap dat hij in het pleeggezin zal opgroeien en niet bij moeder. De Raad heeft de verwachting dat de situatie die nu is ontstaan, doordat moeder [de minderjarige] na de omgang niet thuis heeft gebracht, voor veel onduidelijkheid en verwarring bij [de minderjarige] heeft gezorgd en nog steeds doet. Recent heeft een situatie opnieuw tot zoveel spanning geleid bij hem dat hij weer in bed heeft geplast. De Raad kan zich voorstellen dat deze situatie opnieuw voor lichamelijke klachten zorgt, maar maakt zich ook zorgen dat dit kan leiden tot het ontwikkelen van psychische klachten. Daarnaast heeft moeder [de minderjarige] niet alleen plotseling weggehouden bij het pleeggezin, maar heeft zij hem ook voor onbepaalde tijd afgemeld bij school en hem naar mening van de Raad zonder geldige reden onttrokken aan het onderwijs.
4.4.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen.
4.5.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst bij het voor hem al jarenlange vertrouwde netwerkpleeggezin van de familie [familie] . [2]
4.6.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in het netwerkpleeggezin van de familie [familie] voor de duur van vier weken.
4.7.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
4.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.9.
De Raad, [de minderjarige] en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
stelt [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met ingang van 1 juni 2026 tot 1 september 2026;
5.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] , geboren op
[geboortedatum] in [plaats] , in het netwerkpleeggezin van de familie [familie] met ingang van 1 juni 2026 tot 29 juni 2026;
5.3.
verklaart de beslissing onder 5.2. uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.5.
roept de Raad, de GI, de moeder en de pleegouders op voor de zitting van
mr. C. Maat op
[datum]in het gerechtsgebouw van deze rechtbank, aan de Kruseman van Eltenweg 2 in Alkmaar;
5.6.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
5.7.
vraagt de griffier [de minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.M. van Weely, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026, in aanwezigheid van M.P. van Driel als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:257 BW Pro.
2.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.