Uitspraak
1.De procedure
- de eis in reconventie van [verweerster];
- de mondelinge behandeling van 16 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [verweerster] heeft daarbij gebruik gemaakt van pleitaantekeningen en deze overgelegd;
- de aanhouding ten behoeve van schikkingsonderhandelingen;
- de akte overlegging producties van [verweerster] en de antwoordakte van de stichting met productie 11.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
evenredigehuurprijsvermindering, lijkt te baseren op het bepaalde in artikel 7:207 BW Pro en niet op de dwingende bepalingen voor woonruimte, waar huurprijsvermindering wegens gebreken juist niet naar evenredigheid plaatsvindt.
bezoekerscentrum waarin horeca-activiteiten zijn toegestaan”, maar tijdens de zitting is gebleken dat het beoogde gebruik in ieder geval ook de horeca-activiteiten betreffen. Zo verwijst de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen uitdrukkelijk naar de horeca-activiteiten van [verweerster] in het gehuurde en verklaarde de stichting ter zitting dat het bezoekerscentrum (ook) bedoeld is om de bezoekers van het gebied de gelegenheid te geven wat te consumeren, waardoor bezoek aan het gebied aantrekkelijker is. Bovendien verklaarden beide partijen dat het verdienmodel voor de huurder van het bezoekerscentrum slechts bestaat uit horeca-inkomsten. Dit omdat bezoekers verder geen entree betalen voor hun bezoek aan het bezoekerscentrum. Met andere woorden, volgens de huurovereenkomst was het de bedoeling dat [verweerster] de kapschuur en de bliksemschuur als horecagelegenheid zou gebruiken. Van de stichting als verhuurder mocht worden verwacht dat het gehuurde voor het overeengekomen gebruik geschikt is. Dus ook voor het gebruik als horecalocatie. Uit wat [verweerster] heeft aangevoerd blijkt dat dit niet het geval is.