ECLI:NL:RBNHO:2026:6230

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
C/15/377533
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek ondertoezichtstelling minderjarige wegens onvoldoende ontwikkelingsbedreiging

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om een minderjarige voor negen maanden onder toezicht te stellen vanwege het langdurig ontbreken van contact met haar vader, wat volgens de Raad een ontwikkelingsbedreiging zou kunnen vormen. De minderjarige woont bij haar moeder, die het ouderlijk gezag heeft. De vader heeft de minderjarige erkend en wenst contact.

Tijdens de zitting, gehouden op 19 mei 2026, waren de moeder, vader, vertegenwoordigers van de Raad en de gecertificeerde instelling aanwezig. De moeder betoogde dat er geen zorgen zijn over de ontwikkeling van de minderjarige en dat het contact met de vader beter vrijwillig kan worden opgebouwd, waarbij de behoeften van de minderjarige centraal moeten staan. De vader steunde het verzoek en toonde bereidheid om mee te werken aan begeleiding.

De kinderrechter oordeelde dat het ontbreken van contact tussen vader en dochter weliswaar onwenselijk is, maar dat er geen ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen van de minderjarige is vastgesteld. De minderjarige ontwikkelt zich leeftijdsadequaat ondanks haar hoogbegaafdheid en de moeder is bereid het contact te stimuleren. Een ondertoezichtstelling is niet het aangewezen middel om het contact te realiseren en de ouders moeten zelf de relatie verbeteren.

Daarom wees de kinderrechter het verzoek af. Tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam binnen drie maanden na dagtekening van de uitspraak.

Uitkomst: Het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt afgewezen wegens onvoldoende ernstige ontwikkelingsbedreiging.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/377533 / JU RK 26/681
Datum uitspraak: 19 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een afwijzing van een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd in Haarlem,
hierna te noemen: de Raad,
over
[de minderjarige],
geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. D.E. Oud, kantoorhoudende in Krommenie.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .
De moeder en de vader hierna gezamenlijk te noemen: de ouders.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt het verzoekschrift van de Raad mee in de beoordeling.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader;
- [vertegenwoordiger van de raad] , namens de Raad;
- [vertegenwoordiger van de GI] , namens de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers.

2.De feiten

2.1.
Het ouderlijk gezag over [de minderjarige] berust bij de moeder. [de minderjarige] woont bij de moeder.
2.2.
De vader heeft [de minderjarige] erkend.

3.Het verzoek van de Raad

3.1.
Aan de orde is het verzoek van Raad om [de minderjarige] voor de duur van negen maanden onder toezicht te stellen en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad heeft het verzoek schriftelijk en mondeling ter zitting als volgt toegelicht. [de minderjarige] heeft op dit moment al twee jaar geen contact meer met de vader. De Raad vindt dit zorgelijk, omdat langdurig uitblijven van contact tussen [de minderjarige] en de vader een ontwikkelingsbedreiging kan vormen. Bovendien bestaat het risico dat de drempel tot contact met de vader met de tijd toeneemt, vooral ook vanwege [de minderjarige] ’s separatieangst en haar sterke afhankelijkheid van de moeder. De Raad ziet dat [de minderjarige] een speciale benadering nodig heeft bij het aangaan van nieuwe situaties, maar ziet geen aanwijzingen dat de vader niet in staat zou zijn om op een sensitieve en responsieve manier te reageren op wat [de minderjarige] nodig heeft. Daarvoor is het wel noodzakelijk dat de vader zich gaat verdiepen in (onder meer) de hoogbegaafdheid van [de minderjarige] . Daarmee is de ondertoezichtstelling voornamelijk bedoeld om de vader in de richting van de moeder en [de minderjarige] te sturen. Daarnaast is de ondertoezichtstelling nodig om het contact tussen [de minderjarige] en de vader zorgvuldig en stapsgewijs op te bouwen en te beoordelen of de ouders in staat zijn tot een duurzame samenwerking.

4.De standpunten van de ouders

De moeder
4.1.
Er zijn geen zorgen over de ontwikkeling van [de minderjarige] en haar opvoeding bij de moeder. De enige zorg, waarvoor een ondertoezichtstelling volgens de Raad nodig zou zijn, is dat [de minderjarige] geen contact heeft met haar vader. Vanwege de persoon van [de minderjarige] is dat contact eerder niet van de grond gekomen. Onlangs heeft [de minderjarige] echter aangegeven open te staan voor contact met haar vader. De moeder wil en is in staat [de minderjarige] in het contact te stimuleren. Daarvoor is het wel noodzakelijk dat de behoeften van [de minderjarige] centraal blijven staan en niet wordt vastgehouden aan een strak kader. Dit zal voor een meisje als [de minderjarige] een averechts effect hebben. Bovendien zal het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling [de minderjarige] belasten, doordat de jeugdbeschermer onvoldoende kennis zal hebben over de persoon van [de minderjarige] en ook onvoldoende tijd heeft om hierover kennis op te doen. Door en namens de moeder is dan ook verzocht om afwijzing van het verzoek van de Raad.
De vader
4.2.
De vader kan zich vinden in het verzoek van de Raad. Hij wil graag naar een omgangsregeling en beter contact met [de minderjarige] toewerken. Door de afgelopen jaren heeft hij echter onvoldoende vertrouwen dat de omgang in het vrijwillig kader van de grond zal komen. De jeugdbeschermer is dan ook nodig om te bezien of de moeder zich aan haar toezeggingen gaat houden. Desgevraagd heeft de vader aangegeven dat hij openstaat om samen met de moeder en [de minderjarige] mee te gaan naar de begeleiding van Praktijk [Praktijk] en te leren over [de minderjarige] ’s problematiek.

5.De beoordeling door de kinderrechter

5.1.
De kinderrechter wijst het verzoek van de Raad af, omdat zij niet van oordeel is dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom zij een ondertoezichtstelling in dit geval niet passend vindt.
5.2.
Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat een ondertoezichtstelling gerechtvaardigd kan zijn wanneer het ontbreken van een omgangsregeling belastende conflicten of problemen opleveren voor het kind, zodat sprake is van een ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen. Bovendien moeten andere middelen om de ontwikkelingsbedreiging af te wenden hebben gefaald of, naar te voorzien is, in de toekomst zullen falen.
5.3.
De kinderrechter overweegt als volgt. Duidelijk is geworden dat de problematiek voornamelijk bestaat uit het ontbreken van (structureel) contact tussen [de minderjarige] en de vader. Het is begrijpelijk dat de vader de wens heeft om een grotere rol te spelen in het leven van [de minderjarige] . De kinderrechter gunt [de minderjarige] ook een relatie met haar vader, die bij haar om de hoek woont. In het algemeen is het gebrek aan contact ook een onwenselijke situatie, omdat het voor de ontwikkeling van kinderen in beginsel essentieel is dat zij omgang hebben met beide ouders. In het geval van [de minderjarige] is sprake van hoogbegaafdheid, waardoor zij een sterke behoefte heeft aan voorspelbaarheid, structuur en controle. Volgens de moeder heeft dit zo’n grote impact op haar dagelijks leven dat [de minderjarige] tot voor kort geen ruimte had om omgang te hebben met de vader. Inmiddels gaat het beter met [de minderjarige] en heeft zij zelf aangegeven behoefte te hebben aan contact met de vader. De moeder heeft aangegeven dat zij bereid is [de minderjarige] hierin te begeleiden en te stimuleren. Daarbij heeft de vader ter zitting aangegeven bereid te zijn om zich te verdiepen in wat [de minderjarige] nodig heeft. Dit maakt dat de kinderrechter het (voorzichtige) vertrouwen heeft dat het contact tussen de vader en [de minderjarige] op deze manier rustig kan worden opgebouwd. Daarbij komt dat het ontbreken van een omgangsregeling (tot nu toe) voor [de minderjarige] geen problemen heeft opgeleverd. Er zijn verder geen zorgen over haar ontwikkeling en de opvoedomgeving bij de moeder. [de minderjarige] ontwikkelt zich leeftijdsadequaat, ondanks de uitdagingen die zij heeft. Van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [de minderjarige] , zoals is vereist voor een ondertoezichtstelling, is dan ook onvoldoende gebleken.
5.4.
De kinderrechter heeft ook meegewogen dat het gedwongen kader van een ondertoezichtstelling niet het aangewezen middel lijkt om wél contact tussen [de minderjarige] en de vader te realiseren. Niet alleen omdat [de minderjarige] vanwege haar kindeigen problematiek bijzondere behoeften heeft, maar ook omdat een ondertoezichtstelling niet het middel is om de relatie tussen de ouders te verbeteren. De kinderrechter benadrukt dat de ouders daarvoor zelf aan zet zijn. De eerste stappen daartoe lijken gezet.

6.De beslissing

De kinderrechter:
wijst het verzoek tot het verlenen van een ondertoezichtstelling voor
[de minderjarige]af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. C.E. Voskens, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.N. Inge als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beslissing is vastgelegd op 26 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:255 BW Pro.