Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6186

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
12209692 / KG EXPL 26-74
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:267 lid 7 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen exclusief gebruik sociale huurwoning ex-partners

Partijen, ex-partners zonder samenlevingscontract, huurden samen sinds mei 2024 een sociale huurwoning. Na beëindiging van hun relatie in juli 2025 verliet de man de woning in januari 2026, maar bleef deze sporadisch gebruiken. De vrouw vorderde exclusief gebruik van de woning en ontruiming van de man, terwijl de man hetzelfde vorderde ten aanzien van de vrouw.

De kantonrechter oordeelde dat voor toewijzing van de vorderingen een spoedeisend belang en een zwaarwegender belang bij exclusief gebruik vereist zijn. Beide partijen stelden een zwaarwegend belang te hebben, onderbouwd met persoonlijke omstandigheden, financiële draagkracht en binding met de woonplaats.

Na afweging concludeerde de rechter dat geen van beiden een zwaarder belang heeft. De man had de woning verlaten zonder afstand te doen van huurderschap, en de vrouw kon niet aantonen dat zij de woning exclusief mocht gebruiken. De rechter gaf partijen in overweging afspraken te maken en wees de vorderingen af. Proceskosten werden gecompenseerd, ieder draagt eigen kosten.

Uitkomst: De vorderingen van beide ex-partners tot exclusief gebruik van de sociale huurwoning worden afgewezen omdat hun belangen even zwaar wegen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 12209692 \ KG EXPL 26-74
Vonnis in kort geding van 22 mei 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] , [gemeente] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
gemachtigde: mr. R.J.A. Verhoeven,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 1] , [gemeente] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
gemachtigde: mr. M.S. Kempe.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 9 april 2026, met producties 1-5;
- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties 1-15;
- de mondelinge behandeling van 7 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Mr. Verhoeven heeft daarbij gebruik gemaakt van spreekaantekeningen.

2.De uitgangspunten

2.1.
Partijen hadden vanaf 2020 een affectieve relatie, zonder samenlevingscontract. De relatie is in juli 2025 beëindigd.
2.2.
Met ingang van 13 mei 2024 huren partijen de sociale huurwoning aan [adres] te ( [postcode] ) [plaats 1] (hierna: de woning) tegen een huurprijs van € 894,- per maand.
2.3.
De man heeft de woning in januari 2026 verlaten, maar maakt zo nu en dan gebruik van de woning om - onder meer - zijn kleding te wassen.
3. Het geschil
in conventie
3.1.
De vrouw vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. bepaalt dat de vrouw met uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruik van de woning;
II. de man veroordeelt om de woning binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te verlaten en deze niet meer te betreden, onder afgifte van de sleutels aan de vrouw.
3.2.
De man voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
De man vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. bepaalt dat de man met uitsluiting van de vrouw gerechtigd is tot het gebruik van de woning;
II. de vrouw veroordeelt om de woning binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te verlaten en niet meer te betreden, onder afgifte van de sleutels aan de man;
III. de vrouw veroordeelt in de proceskosten.
3.5.
De vrouw voert verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Gezien de samenhang van de vorderingen in conventie en reconventie, worden deze hierna gezamenlijk behandeld.
4.2.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing van de vorderingen in conventie of in reconventie is nodig dat partijen daarbij een spoedeisend belang hebben. De kantonrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Spoedeisend belang
4.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de spoedeisendheid volgt uit de aard van de vorderingen in conventie en in reconventie. De vorderingen van partijen zullen hierna dan ook besproken worden.
Toetsingskader
4.4.
Voor toewijzing van de vordering in kort geding is vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat de vordering in de nog te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in de bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
4.5.
Op grond van artikel 7:267 lid 7 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) kunnen huurders en medehuurders vorderen dat de rechter zal bepalen dat een of meer van deze personen de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip niet langer zullen voortzetten. De vordering wordt alleen toegewezen als dit naar billijkheid, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, geboden is. Strikt genomen betreft artikel 7:267 lid 7 BW Pro een conflictenregeling tussen contractuele huurders enerzijds en hun wettelijke medehuurders anderzijds en niet tussen louter contractuele huurders, zoals bij de vrouw en de man het geval is. De bepaling kan echter naar analogie worden toegepast als sprake is van contractuele medehuurders die niet gehuwd noch geregistreerd partner zijn.
De belangen van partijen wegen even zwaar
4.6.
Beide partijen pretenderen een zwaarwegender belang te hebben bij het gebruiksrecht van de woning dan de ander.
4.7.
De vrouw stelt het volgende ten aanzien van haar belang. De man heeft de woning op 16 januari 2026 vrijwillig verlaten en heeft sindsdien niet meer gecommuniceerd met de vrouw, ondanks haar pogingen daartoe. Zij is in staat de huur van de woning zelfstandig voort te zetten gelet op haar inkomen; de hoogte van haar inkomen belet haar om een duurdere woning dan de huidige te huren in de vrije sector. Verder heeft zij geen alternatieve woning om in te verblijven en kan zij niet meer bij haar ouders inwonen, heeft de vrouw binding met [plaats 1] omdat zij daar als leerling-audicien werkt en een baangarantie heeft voor tenminste zes jaar, en heeft de vrouw altijd in de regio ( [plaats 2] ) gewoond.
4.8.
De man voert ten aanzien van zijn belang aan dat hij na de relatiebreuk graag wilde blijven samenwonen in de woning, maar dat de situatie door toedoen van de vrouw onhoudbaar is geworden voor de man. De man heeft geen vaste woon- en verblijfplaats. De man verblijft niet (permanent) bij zijn ouders en kan daar ook niet wonen, nu zijn moeder ziek is en zijn vader een hartinfarct heeft gehad. Hij heeft altijd meer bijgedragen aan de vaste lasten van de woning dan de vrouw, hij heeft veel geld uitgegeven aan de inboedel van partijen en de man kan gezien zijn inkomen de huur zelfstandig betalen. Verder is de woning meer geschikt voor de man, aangezien hij een gezin wil stichten en de woning een eengezinswoning betreft. De man heeft ook binding met de woonplaats, doordat zijn werk dichtbij is en ook zijn familie en vrienden in de buurt wonen. Inmiddels heeft de man bovendien advies gezocht bij de gemeente, gereageerd op sociale huurwoningen en bezichtigingen gehad bij koopwoningen.
4.9.
Gelet op hetgeen partijen ter onderbouwing van hun belang bij het exclusieve gebruik van de woning hebben aangevoerd ziet de kantonrechter op dit moment echter geen aanwijzingen om aan te kunnen nemen dat het belang van de een zwaarder weegt dan dat van de ander. Na het beëindigen van de relatie in juli 2025 hebben partijen nog een half jaar - kennelijk zonder noemenswaardige problemen - samen in de woning verbleven. Voor de vrouw was het een raadsel waarom de man voor haar plotseling in januari 2026 de woning verliet. De Whats-Appberichten die de man heeft overgelegd uit - naar de kantonrechter begrijpt - januari 2026 leiden er niet toe dat daaruit kan worden geconcludeerd dat de vrouw een bedreiging vormt voor de man die zou moeten meebrengen dat de vrouw de woning zou moeten verlaten. Het enkele feit dat de man de woning heeft verlaten is ook onvoldoende om daaruit de conclusie te kunnen trekken dat de man afstand heeft gedaan van zijn huurderschap en de vrouw aanspraak geeft op het exclusieve gebruik. Ook de stelling van de man dat hij mogelijk meer heeft bijgedragen aan de kosten voor de inboedel dan de vrouw, is niet doorslaggevend.
4.10.
Al met al is de kantonrechter van oordeel dat beide partijen, nu zij naar eigen zeggen geen alternatieve woonruimte hebben, nog het recht hebben om gebruik te maken van de woning. De kantonrechter geeft partijen in overweging daar afspraken over te maken. Naar de kantonrechter begrijpt zal het tijdelijk zijn nu beide partijen ter zitting hebben aangeven naar andere woonruimte uit te kijken.
4.11.
Omdat niet goed is vast te stellen wiens belang zwaarder weegt, wijst de kantonrechter de vorderingen in conventie en in reconventie af.
Proceskosten
4.12.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie en in reconventie
5.1.
wijst de vorderingen over en weer af,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Blokland en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.
AFS/JB