Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6166

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
C/15/378390 JU RK 26-842
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens onveilige thuissituatie

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, vanwege nieuwe omstandigheden die de veiligheid van het kind bedreigen. De minderjarige verbleef bij haar oma, die sinds 2017 haar voogd is. Na een eerdere afwijzing van een uithuisplaatsing op 27 mei 2026, meldde de minderjarige op 28 mei 2026 dat zij die ochtend door haar oma was geslagen en aan haar haar was getrokken, en dat zij niet meer naar huis wilde of durfde.

De Raad besprak de zorgen met de oma, die deze ontkende en wilde dat de minderjarige terugkeerde. Pogingen om een veilige plek binnen het familie- of netwerkcircuit te vinden, faalden omdat de minderjarige zich daar niet veilig voelde en bang was voor druk of mogelijk geweld. Daarom werd een crisispleeggezin gevonden als tijdelijke oplossing.

De kinderrechter oordeelde dat onmiddellijke uithuisplaatsing noodzakelijk is om de veiligheid en het welzijn van de minderjarige te waarborgen. Gezien het ernstige en onmiddellijke gevaar kon niet worden gewacht op een zitting. De machtiging tot uithuisplaatsing werd verleend voor de duur van vier weken, met ingang van 28 mei 2026, en de beslissing werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De Raad, de gecertificeerde instelling en de belanghebbenden worden uitgenodigd voor een zitting om verdere stappen te bespreken.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor vier weken wegens acute onveiligheid.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/378438 JU RK 26-842
Datum uitspraak: 28 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
gevestigd in Haarlem,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de oma],
hierna te noemen: de oma,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd in Amsterdam.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 28 mei 2026.

2.De feiten

2.1.
De oma is sinds 2017 de voogd van [de minderjarige] en daar verblijft [de minderjarige] ook.
2.2.
Bij beschikking van deze rechtbank van 27 mei 2026 heeft de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 27 augustus 2026. Het verzoek om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van drie maanden heeft de kinderrechter afgewezen.

3.Het verzoek

De Raad verzoekt in verband met het bestaan van nieuwe omstandigheden wederom om een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter heeft – met verwijzing naar het spoedverzoek van 27 mei 2026, waarin melding werd gemaakt van dreigen, schreeuwen, slaan en uitschelden van [de minderjarige] door de oma – vandaag de volgende informatie ontvangen. Na de afwijzing van het verzoek tot uithuisplaatsing van 27 mei 2026 is de Raad op 28 mei 2026 in gesprek gegaan met de oma en [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft tegen pleegzorg gezegd dat zij op de ochtend van 28 mei 2026 nog door haar oma geslagen is en aan haar haar getrokken, en dat zij niet meer naar huis wil en durft. De Raad heeft de bestaande zorgen met de oma besproken, maar de oma ontkent de zorgen die de Raad heeft en wil dat [de minderjarige] weer thuis komt. Ook is gesproken over de vraag of er een plek voor [de minderjarige] is in het netwerk, zoals bijvoorbeeld bij de moeder van de oma, die door de oma werd aangedragen als mogelijke fijne plek. De moeder van de oma komt echter niet in aanmerking omdat [de minderjarige] zich daar niet veilig voelt, [de minderjarige] is bang daar onder druk gezet te worden om weer mee te gaan naar huis. Datzelfde geldt ook voor alle andere familieleden, [de minderjarige] is bovendien bang dat een familielid haar mogelijk iets aan zal doen. Gelet op de angst van [de minderjarige] is er nu een time-out voor een wat langere periode nodig dan waarvoor de oma bereid is toestemming te geven. Voor [de minderjarige] is een plek gevonden in een crisispleeggezin.
4.2.
Op basis van de eerdere informatie en deze nieuwe informatie is de kinderrechter van oordeel dat het nu noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst, om haar veiligheid te waarborgen en van daaruit te bekijken wat nodig is in de ontstane situatie. [1]
4.3.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.
4.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.5.
De Raad en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 28 mei 2026 tot 25 juni 2026;
5.2.
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
roept de Raad, de GI en de oma op voor de zitting van mr. J. Lintjer op
[datum]in het gerechtsgebouw van deze rechtbank De Appelaar aan Simon de Vrieshof 1 in Haarlem;
5.4.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
5.5.
vraagt de griffier [de minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek.
Deze beschikking is gegeven door mr. F.W. van Dongen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026, in aanwezigheid van M.P. van Driel als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).