Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6093

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
11872359 \ CV EXPL 25-3206
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging oneerlijk prijswijzigingsbeding en gedeeltelijke toewijzing vordering

De kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland heeft bij verstekvonnis van 27 mei 2026 geoordeeld over een geschil tussen Holland Chalet Park Hensbroek en een consument. De zaak betrof de beoordeling van de naleving van precontractuele informatieplichten en de rechtmatigheid van een prijswijzigingsbeding in de algemene voorwaarden.

De eisende partij heeft toegelicht dat zij heeft voldaan aan de precontractuele informatieplichten zoals voorgeschreven in artikel 6:230l BW. De kantonrechter bevestigde dit ambtshalve. Vervolgens werd het prijswijzigingsbeding inhoudelijk getoetst. Hoewel de eisende partij stelde dat het beding beperkt was tot eenmalige jaarlijkse prijsverhogingen gekoppeld aan leveranciersprijsstijgingen, oordeelde de kantonrechter dat het beding onvoldoende begrensd was en de mogelijkheid bood tot onbeperkte jaarlijkse prijsverhogingen zonder opgave van redenen, wat onduidelijkheid en oneerlijkheid voor de consument oplevert.

Daarom werd het beding vernietigd. De vordering werd slechts gedeeltelijk toegewezen op basis van de oorspronkelijk overeengekomen prijzen en de daadwerkelijk afgenomen hoeveelheden gas en elektriciteit. De buitengerechtelijke incassokosten werden toegewezen over het toegewezen bedrag, terwijl de gevorderde rente werd afgewezen wegens te hoge berekening. De gedaagde werd veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, rente en proceskosten, met uitvoerbaarheid bij voorraad.

Uitkomst: Het prijswijzigingsbeding is vernietigd en de vordering deels toegewezen op basis van oorspronkelijke prijzen en afgenomen hoeveelheden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 11872359 \ CV EXPL 25-3206
Uitspraakdatum: 27 mei 2026
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
Holland Chalet Park Hensbroek
te Hensbroek
de eisende partij
gemachtigde: mr. drs. J.J.F.M. Konings
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen

1.De verdere procedure

1.1.
Bij tussenvonnis van 4 februari 2026 is de eisende partij in de gelegenheid gesteld om toe te lichten op welke wijze de overeenkomst tot stand is gekomen, hoe zij daarbij heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieverplichtingen en om zich uit te laten over in het tussenvonnis voorshands uitgesproken oordeel over een beding in de algemene voorwaarden. Ter uitvoering van het tussenvonnis heeft de eisende partij een akte genomen.

2.De verdere beoordeling

Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
2.1.
Uit de toelichting van de eisende partij in haar akte blijkt dat de vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument, anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd. [1]
2.2.
De kantonrechter is van oordeel dat de eisende partij voldoende heeft toegelicht en onderbouwd dat is voldaan aan de precontractuele informatieplichten.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
2.3.
In haar akte stelt de eisende partij dat het prijswijzigingsbeding niet oneerlijk is. Zij stelt dat de daarin opgenomen mogelijkheid tot het verhogen van de prijs beperkt is tot twee gevallen, namelijk 1. eenmalig per kalenderjaar en 2. tussentijds bij een verhoging van de tarieven van de leverancier van de eisende partij. Daarnaast is het niet mogelijk om alle mogelijke prijsontwikkelingen op de energiemarkt in een beding te omschrijven.
2.4.
Het betoog slaagt niet. Weliswaar begrijpt de kantonrechter dat de eisende partij stelt dat het beding bedoeld is om prijswijzigingen door haar leverancier door te kunnen berekenen aan de consument, hetgeen op zich niet oneerlijk is, maar dit neemt niet weg dat het beding, door haar formulering, de eisende partij de mogelijkheid biedt om de prijs eenmalig per kalenderjaar in onbeperkte mate en zonder verdere opgaaf van redenen te verhogen. Het beding is immers niet zo geformuleerd dat de bevoegdheid tot jaarlijkse prijswijziging wordt beperkt tot gevallen van prijswijziging door haar leverancier. Dit gedeelte van het beding bevat in het geheel geen beperking in de mogelijke redenen voor toepassing daarvan en is evenmin in hoogte beperkt. Daarmee zijn de mogelijke economische gevolgen van het beding voor de consument geheel onduidelijk. Dat het in het algemeen niet mogelijk is om alle mogelijke prijsontwikkelingen op de energiemarkt in het beding te omschrijven maakt dit niet anders omdat, zoals hiervoor overwogen, de in het beding opgenomen mogelijkheid om de prijs jaarlijks te verhogen, niet beperkt is tot gevallen van prijswijziging op de energiemarkt.
2.5.
De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om anders te denken over het beding dan in het tussenvonnis is overwogen en vernietigt het beding. Dit heeft tot gevolg dat de gedaagde partij alleen de oorspronkelijk overeengekomen elektriciteits- en gasprijs aan de eisende partij is verschuldigd.
Wat is toewijsbaar?
2.6.
Uit de overeenkomst blijkt dat oorspronkelijk een prijs van € 2,16 per m3 voor gas en
€ 0,24 per kWh voor elektriciteit is overeengekomen. Uit de facturen volgt dat de gedaagde partij in totaal 198 (120 + 78) m3 gas en 828 (408 + 420) kWh aan elektriciteit heeft afgenomen. Dit betekent dat een bedrag van € 427,68 voor gas en € 198,72 voor elektriciteit toewijsbaar is. De eisende partij heeft echter een bedrag van € 782,11 voor gas en € 438,85 voor elektriciteit in rekening gebracht. Dit betekent dat een bedrag van € 594,56 niet toewijsbaar is. Gelet op het voorgaande wordt de gevorderde hoofdsom toegewezen tot een bedrag van € 92,86 en voor het overige afgewezen.
2.7.
De buitengerechtelijke incassokosten zijn toewijsbaar over deze hoofdsom, tot een bedrag van € 40,00.
2.8.
De vordering tot vergoeding van de verschenen rente zal worden afgewezen, omdat de eisende partij die rente (gelet op de toewijsbare hoofdsom) over een te hoog bedrag heeft berekend. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding.
2.9.
De gedaagde partij wordt (overwegend) in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen ingaande de 15e dag na de datum van betekening van dit vonnis.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 132,86, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 92,86 vanaf 5 augustus 2025 tot aan de dag van de gehele betaling;
3.2.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 120,78;
griffierecht € 340,00;
salaris gemachtigde € 43,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten ingaande de 15e dag na de datum van betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
3.3.
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Zie, onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677.