Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6068

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
11812224 \ CV EXPL 25-4844
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 96 RvArt. 3:303 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid eiser wegens gebrek aan belang bij nakoming informatieverplichting

De zaak betreft een vordering van eiser tegen Enticon Group c.s. tot nakoming van een eerdere veroordeling uit een arrest van het hof Amsterdam, waarbij informatie over loonadministratie en personeelskosten van begin 2016 moest worden verstrekt. Eiser stelt dat Enticon Group c.s. niet volledig hebben voldaan aan deze veroordeling en vordert aanvullende informatie onder dwangsom.

Enticon Group c.s. voeren verweer dat de kantonrechter onbevoegd is en dat eiser geen belang meer heeft bij zijn vordering, omdat de gevraagde informatie reeds is verstrekt en de administratieve bewaartermijn is verstreken. De kantonrechter oordeelt dat eiser onvoldoende heeft toegelicht welk actueel belang hij heeft bij de gevorderde nakoming, mede gelet op het tijdsverloop en het feit dat de informatie vooral betrekking heeft op de administratie van de cedent.

De kantonrechter concludeert dat eiser niet in zijn vorderingen kan worden ontvangen wegens gebrek aan procesbelang. De reconventionele vordering van Enticon Group c.s. wordt geacht niet te zijn ingesteld. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten en de wettelijke rente daarop. Het vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en op 1 april 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11812224 \ CV EXPL 25-4844
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. M.C. Franken-Schoemaker,
tegen

1.ENTICON GROUP B.V.,

2.
JOEVER B.V.,
beiden gevestigd te Lijnden,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: Enticon Group c.s..
gemachtigde: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,
De zaak in het kortDe kantonrechter is bevoegd over deze zaak te oordelen. [eiser] wordt niet ontvangen in zijn vorderingen, omdat enig belang daartoe ontbreekt. De voorwaardelijke reconventionele vordering wordt geacht niet te zijn ingesteld.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 22 juli 2025
- de conclusie van antwoord van 24 september 2025
- het tussenvonnis van 14 januari 2026
- de aanvullende producties zijdens [eiser]
- de mondelinge behandeling van 5 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitaantekeningen die namens beide partijen zijn overgelegd en voorgedragen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Van 2011 tot begin 2016 was World of Delights Jamin B.V. (thans Jamin Amsterdam B.V., hierna: Jamin Amsterdam) franchisenemer van Jamin met drie winkels in Amsterdam en één winkel in Almere.
2.2.
Enig aandeelhouder van Jamin Amsterdam is World of Delights Retail B.V. (hierna: WOD Retail), waarvan World of Delights Holding B.V. (thans Enticon Group, hierna: Enticon Group) enig aandeelhouder is.
2.3.
Enticon Group heeft op 11 maart 2016 de aandelen in Jamin Amsterdam verkocht aan Jamin Winkelbedrijf B.V. (hierna: Jamin Winkelbedrijf).
2.4.
Joever B.V. (hierna: Joever) is een personeelsvennootschap waarmee al het personeel van WOD Retail een arbeidsovereenkomst heeft. Enig aandeelhouder van Joever is Enticon Group.
2.5.
Jamin Winkelbedrijf heeft de vermeende vorderingsrechten op 28 januari 2019 middels cessie overgedragen aan [eiser].
2.6.
In het arrest van het hof Amsterdam van 22 december 2020 (hierna: het arrest), waarbij [eiser] en Enticon c.s. eveneens partijen waren, staat:

3.12.(…)
Naar het oordeel van het hof heeft Jamin aan haar onderzoeksplicht onvoldoende voldaan.(…)
Nadere bewijslevering betreffende enige discrepantie tussen de loonstroken en de overige financiële documentatie is niet aan de orde, aangezien zodanig bewijs niet tot een nadere beslissing van de zaak kan leiden.(…)
3.14.(…)
De exploitatie van de onderneming van WOD kwam per 1 januari 2016 voor rekening en risico van Jamin Winkelbedrijf, terwijl deze de zeggenschap pas op 18 maart 2016 verkreeg. [eiser] heeft dan ook belang bij het(…)
gevorderde.(…)
Het verzoek heeft immers betrekking op bescheiden die de rechtsbetrekking tussen Jamin en WOD/WOD Holding betreffen, waarin [eiser] uit hoofde van de cessie heeft te gelden als rechtsopvolger van Jamin.(…)
Het hof:(…)
1. gebiedt WOD, WOD Holding en Joever, hoofdelijk- inlichtingen te verschaffen, althans alle nuttige, noodzakelijke of vereiste handelingen te verrichten teneinde de – in de financiële administratie van WOD Jamin opgenomen – loonkosten in de eerste drie maanden van 2016 te verklaren middels aansluiting van de loonadministratie met de bijbehorende loonstroken en personeelsplanning;- afschriften te verstrekken van de loonstroken/loonafrekeningen van alle bij WOD Jamin betrokken personeelsleden over de eerste drie kalendermaanden van 2016;(…)”.
De veroordeling is versterkt met een dwangsom, die is gemaximeerd op € 10.000,--.
2.7.
Enticon Group heeft bij e-mail van 12 januari 2021 de loonstroken van het betrokken personeel en de specificaties van de doorbelasting in de eerste drie kalendermaanden van 2016 aan Jamin Winkelbedrijf verstrekt, waarna Enticon Group bij
e-mail van 27 januari 2021, 3 februari 2021 en 11 februari 2021 heeft gereageerd op vragen van [eiser].
2.8.
[eiser] heeft Enticon Group c.s. bij brief van 9 juli 2024 verzocht om hem nader te informeren omtrent onder meer de aansluiting van de verloonde en gewekte uren, de doorbelasting van vakantie-uren, de ziekte-uren berekening, de ontbrekende loonstroken en het doorbelastingstarief van € 16,50.
2.9.
Wegens niet tijdige c.q. niet toereikende informatieverstrekking heeft [eiser] dwangsommen aangezegd. Die zijn in twee tranches betaald. De tweede tranche, € 7.500 is onder protest betaald, in de hoop dat daarmee verdere aandrang tot informatieverstrekking tot het verleden zou behoren.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - dat de kantonrechter Enticon Group c.s. (hoofdelijk) gebiedt tot het uitvoeren van de veroordelingen uit het arrest en alle op grond daarvan gevraagde informatie aan [eiser] over te leggen, op straffe van een dwangsom van
€ 20.000,00 per dag met een maximum van € 200.000,00, met veroordeling van Enticon Group c.s. in de rente en kosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Enticon Group c.s. hebben niet voldaan aan de veroordeling van het hof en moeten daar alsnog toe overgaan. De plangegevens van 1 januari 2016 tot en met 3 januari 2016 ontbreken. Ook ontbreken de loonstroken van januari 2016 van verschillende medewerkers en ontbreekt inzage in de opbouw van het doorbelaste uurtarief van € 16,50. Deze gegevens moeten nog worden aangevuld dan wel overgelegd, aldus [eiser].
3.3.
Enticon Group c.s. voeren verweer. Allereerst voeren zij aan dat de kantonrechter in principe onbevoegd is om over deze zaak te oordelen. Verder voeren Enticon Group c.s. aan dat [eiser] geen belang (meer) heeft bij zijn vordering, zodat hij daarin niet kan worden ontvangen. Enticon Group c.s. hebben daarnaast voldaan aan de veroordeling uit het arrest. De loonstroken van het personeel in Q1 van 2016 zijn overgelegd en verklaard. Ook is door Enticon Group c.s. antwoord gegeven op de vragen die [eiser] naar aanleiding van die overgelegde stukken nog had. Enticon Group c.s. concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
Enticon Group c.s. vorderen - voor zover in conventie wordt vastgesteld dat zij hebben voldaan aan het dwangsomdictum van het arrest - € 7.500,00, vermeerderd met de rente en kosten.
3.6.
Enticon Group c.s. stellen dat zij op 31 mei 2021 reeds hadden voldaan aan het dictum van het arrest en daarom een bedrag van € 7.500,00 aan dwangsommen onverschuldigd hebben betaald.
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
De kantonrechter is bevoegd om over deze zaak te oordelen
4.1.
Eerst moet de kantonrechter (ambtshalve) beoordelen of [eiser] in zijn vordering kan worden ontvangen. Partijen hebben naar aanleiding van het bevoegdheidsverweer ter zitting laten weten dat zij beide prijs stellen op een inhoudelijke behandeling. Dat is voor de kantonrechter aanleiding geweest op 96 Rv. als basis voor bevoegdheid voor te stellen. Partijen hebben die suggestie gevolgd en daarbij eenparig verklaard verklaard dat zij zich de mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep bij de indiening van het verzoek [1] uitdrukkelijk hebben voorbehouden.
[eiser] heeft geen procesbelang bij zijn vorderingen
4.2.
Enticon Group c.s. hebben primair aangevoerd dat [eiser] geen processueel belang [2] heeft gesteld en subsidiair dat dit belang wel is gesteld, maar niet of onvoldoende is gebleken. Het primaire verweer slaagt. Dat wordt als volgt toegelicht.
4.3.
[eiser] heeft omtrent zijn procesbelang het volgende gesteld. [eiser] heeft belang bij correcte uitvoering van de veroordeling zoals opgenomen in het arrest. Hij is nog regelmatig betrokken bij advieswerk ten aanzien van Jamin Winkelbedrijf en de gevorderde informatieverschaffing kan [eiser] daarbij helpen. Die informatie kan namelijk van belang zijn bij het in kaart brengen van zaken die voor Jamin van belang kunnen zijn. Verder heeft Jamin Winkelbedrijf – als cessionaris – een belang bij het concreet krijgen van haar administratie, aldus [eiser].
4.4.
Bij de beoordeling van dit verweer verdient opmerking dat de door [eiser] ingestelde vordering deel uitmaakt van een reeks vorderingen die aan [eiser] zijn gecedeerd. Niet zonder meer kan worden aangenomen dat al deze vorderingen naar hun aard overdraagbaar zijn.
4.5.
De vordering waar het hier om gaat betreft een vordering tot nakoming van een verplichting die onder de achterliggende overeenkomst [3] op Enticon Group c.s. rustte, te weten de verplichting het verschaffen van inlichtingen die nodig waren om de uit die overeenkomst (mogelijk) voortvloeiende vorderingsrechten te concretiseren.
4.6.
Voor zover het gaat om het door het hof geconcretiseerde deel van die verplichting, is van belang dat uit het arrest, in het bijzonder rechtsoverweging 3.14 van het arrest, moet worden afgeleid dat die ertoe strekt de administratie van de cedent – en niet die van [eiser] – op orde te brengen, en dan nog uitsluitend voor zover het de loonadministratie betreft.
Aan het aannemen van een ruimere strekking van die veroordeling staat hetgeen in rechtsoverweging 3.12 van het arrest is overwogen in de weg.
4.7.
Onder deze omstandigheden heeft [eiser] onvoldoende toegelicht welk belang hij thans nog heeft bij een hernieuwde veroordeling tot nakoming van de aldus geconcretiseerde verplichting op straffe van een dwangsom. De verplichting om een administratie te voeren rust op de cedent, die de betrokken onderneming dreef en is blijven drijven. De onvolledigheid van die administratie kan ertoe leiden dat een aan de cessionaris toekomende vordering niet of niet juist kan worden vastgesteld. Dat hiervan ook na verschaffing van de gegevens als in de conclusie van antwoord omschreven nog sprake is zal door de cessionaris echter inzichtelijk moeten worden gemaakt. Die last wordt met het verstrijken van de tijd hoger. Daarbij komt dat [eiser], nadat de resterende dwangsommen in juli 2021 – zij het onder protest – zijn voldaan, ruim twee jaar heeft gewacht alvorens dit onderwerp opnieuw aan de orde te stellen. Ook dit tijdsverloop brengt mee dat [eiser] met een duidelijke uitleg moet komen van zijn belang bij de vordering. Bij gebrek aan die uitleg bestaat de kans dat [eiser] poogt de veroordeling als verdienmodel te exploiteren. Dat is geen rechtens te respecteren belang en moet worden voorkomen.
4.8.
Verder verdient opmerking dat onweersproken is dat de jaarrekening van de cedent reeds is vastgesteld en gepubliceerd, dat de civiele en fiscale bewaartermijn van de loonadministratie is verstreken en dat ook de daarvoor geldende administratieve bewaarplicht inmiddels is geëindigd. Bovendien staat vast dat Enticon Group c.s. het nodige aan informatie hebben verschaft en uitvoerig antwoord hebben gegeven op een groot aantal vragen, waarna het aan de kant van [eiser] stil is geworden.
4.9.
Tegen deze achtergrond heeft [eiser] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij door het ontbreken van de thans door hem verlangde aanvullende gegevens enig nadeel heeft ondervonden of nog kan ondervinden. Op de vraag wat [eiser] nu nog met de nadere gegevens kan en wil heeft hij immers niet meer of anders opgemerkt dan dat hij deze informatie in zijn adviespraktijk zou kunnen gebruiken. Hij heeft niet gesteld dat hij de informatie nodig heeft om de omvang van enige geldvordering die krachtens cessie aan hem toekomt te kunnen vaststellen of bewijzen.
De veroordeling die [eiser] met zijn vordering nieuw leven wil inblazen moet echter worden uitgelegd in het licht van haar strekking en die is evident niet het faciliteren van een adviespraktijk van [eiser].
4.10.
Voor zover de vorderingen verder strekken dan hetgeen het hof in het arrest van 22 december 2020. reeds heeft toegewezen, is a fortiori geen rechtens te respecteren belang bij die vorderingen gesteld, laat staan gebleken. Op die informatie had immers veel eerder kunnen worden aangedrongen.
4.11.
Het voorgaande brengt mee dat [eiser] niet in zijn vorderingen kan worden ontvangen.
[eiser] wordt veroordeeld in de proceskosten
4.12.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Enticon Group c.s. worden begroot op:
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
720,00
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
De vordering wordt geacht niet te zijn ingesteld
4.14.
De reconventionele vordering is ingesteld onder de voorwaarde dat in conventie zou worden vastgesteld dat Enticon Group c.s. hebben voldaan aan het dwangsomdictum van het arrest. Nu aan deze voorwaarde niet is voldaan, moet de reconventionele vordering geacht worden niet te zijn ingesteld.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente [4] over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.

Voetnoten

1.Conform artikel 96 Rv Pro.
2.In de zin van artikel 3:303 BW Pro.
3.Zoals in overweging 2.3. en 2.6. is vermeld.
4.Als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro.