Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6064

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
11891809 \ CV EXPL 25-6327
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:83 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119a BWArt. 6:127 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling openstaande facturen na oplevering schilderwerk VvE

In deze civiele bodemzaak vordert eiser betaling van de laatste twee termijnen van een totaalprijs voor schilderwerkzaamheden aan een VvE, uitgevoerd door eiser als onderaannemer voor gedaagde als hoofdaannemer. Gedaagde betwist de oplevering en deugdelijkheid van het werk en vordert in reconventie schadevergoeding wegens vermeende tekortkomingen.

De kantonrechter stelt vast dat het werk in 2023 is afgerond en na inspectie door een extern bedrijf is opgeleverd, waarbij enkele gebreken zijn hersteld. Gedaagde heeft het werk stilzwijgend aanvaard door niet binnen redelijke termijn te weigeren. De vordering tot betaling van €14.115,00 wordt daarom toegewezen met wettelijke rente vanaf 24 september 2023.

De vordering in reconventie wordt afgewezen omdat gedaagde geen ingebrekestelling heeft verzonden en niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser tekort is geschoten. De proceskosten worden aan gedaagde opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de openstaande facturen met rente en proceskosten, terwijl de tegenvordering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11891809 \ CV EXPL 25-6327
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van
[eiser] V.O.F.,
te [plaats 2] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. W.H.J. Luijer,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats 1] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. E.T. van den Hout en mr. W.B. van Rees.
De zaak in het kortDe kantonrechter concludeert dat het werk is opgeleverd, zodat [gedaagde] de volledig overeengekomen prijs aan [eiser] is verschuldigd. De vordering in conventie tot betaling van de openstaande facturen is toewijsbaar.
De vordering in reconventie is niet toewijsbaar. Daartoe is redengevend dat [eiser] niet in verzuim verkeert.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie
- de conclusie van antwoord in reconventie
- de mondelinge behandeling van 31 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de akte uitlating van [gedaagde] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
[eiser] en [gedaagde] exploiteren beiden een schilderbedrijf.
2.2.
[gedaagde] heeft in opdracht van de Vereniging van eigenaren van [adres] te [plaats 3] (hierna: de VvE) verschillende werkzaamheden (laten) uitvoeren.
2.3.
[gedaagde] heeft [eiser] de opdracht gegeven de schilderwerkzaamheden bij de VvE uit te voeren. Partijen zijn daarbij een totaalprijs van
€ 94.100,00 overeengekomen, waarbij betaling in negen termijnen zou plaatsvinden.
2.4.
[gedaagde] heeft de facturen voor de achtste en negende betalingstermijn onbetaald gelaten.
2.5.
In het rapport van [bedrijf] (hierna: [bedrijf]) staat:
“(…)
Op verzoek van de heer [betrokkene] van [gedaagde] is een bezoek gebracht aan bovengenoemd complex/object. De schilderwerkzaamheden zijn onderworpen aan een algehele schouw met incidenteel een nadere beoordeling.Datum bezoek:- 30 november 2023(…)
C) Globale werkzaamheden in uitvoering tijdens het bezoek- De werkzaamheden zijn inmiddels afgerond.(…)
Alle onderstaande gebreken zijn hersteld.(…)
Werk is inmiddels opgeleverd.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 14.115,00, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Partijen zijn overeengekomen dat [eiser] schilderwerkzaamheden bij de VvE zou uitvoeren tegen betaling van € 94.100,00. [gedaagde] heeft de laatste twee betalingstermijnen niet voldaan, zodat betaling daarvan in deze procedure wordt gevorderd.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Zij voert aan dat de werkzaamheden door [eiser] niet deugdelijk zijn uitgevoerd. Evenmin is er een opleveringsrapport overgelegd. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[gedaagde] vordert veroordeling van [eiser] tot betaling van € 20.187,62 dan wel € 6.072,62, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
3.6.
[gedaagde] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser] is tekort geschoten in de nakoming van de overeenkomst [1] . De door [eiser] verrichte schilderwerkzaamheden zijn niet deugdelijk uitgevoerd, waardoor [gedaagde] verschillende werkzaamheden zelf heeft moeten uitvoeren. Hierdoor heeft [gedaagde] schade geleden van in totaal
€ 20.187,62. [gedaagde] beroept zich primair op betaling van deze schade, dan wel op verrekening [2] van de schade met de vordering in conventie.
3.7.
[eiser] voert verweer. Zij voert aan dat [gedaagde] haar niet in gebreke heeft gesteld. Evenmin heeft [gedaagde] aan haar klachtplicht voldaan. Verder volgt uit de door [gedaagde] overgelegde onderbouwing van de schade, meer specifiek de overgelegde foto’s, niet waar de tekortkoming op zou zien. De schade wordt dan ook betwist. [eiser] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
Niet in geschil is dat er tussen partijen in het kader van deze samenwerking een aannemingsovereenkomst tot stand is gekomen voor schilderwerk aan het gebouw van de VvE. [gedaagde] trad daarbij op als hoofdaannemer, en [eiser] als onderaannemer van [gedaagde] .
4.2.
Partijen twisten over de vraag of [gedaagde] de voor het werk overeengekomen prijs volledig verschuldigd is. [eiser] stelt dat het werk is verricht en vervolgens is opgeleverd, en dat [gedaagde] daarom de volledige prijs moet betalen. [gedaagde] betwist dat oplevering van het werk heeft plaatsgevonden, en voert ook aan dat het door [eiser] verrichte werk niet deugdelijk is uitgevoerd.
4.3.
De kantonrechter moet eerst oordelen of het werk is opgeleverd. Voor de beantwoording van de vraag of het werk is opgeleverd is bepalend of het werk door de aannemer als voltooid aan de opdrachtgever is aangeboden en door de opdrachtgever is aanvaard. [3] Het is niet nodig dat een oplevering schriftelijk wordt vastgelegd. Oplevering kan ook blijken uit het gedrag of de verklaringen van partijen waaruit volgt dat het werk als voltooid moet worden beschouwd. Als de opdrachtgever vervolgens niet binnen een redelijke termijn het werk keurt en aanvaardt (al dan niet onder voorbehoud) of weigert, wordt hij geacht het werk stilzwijgend te hebben aanvaard.
4.4.
Op [eiser] rusten de stelplicht en de bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit volgt dat het werk is opgeleverd. Zij voert daartoe aan dat het werk in 2023 is afgerond en het werk na afronding daarvan door [gedaagde] dan wel [bedrijf] is geïnspecteerd, waaruit enkele verbeterpunten naar voren kwamen. Deze verbeterpunten heeft [eiser] vervolgens ter hand genomen. Ook wijst [eiser] op het gegeven dat [gedaagde] zonder protest voor een groot gedeelte betaald heeft voor het werk.
4.5.
De kantonrechter overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat de werkzaamheden in 2023 hebben plaatsgevonden. De werkzaamheden van [eiser] zijn op enig moment in augustus 2023 beëindigd, waarna [eiser] nog enkele door [bedrijf] genoemde verbeterpunten heeft afgewikkeld. Het lag op de weg van [gedaagde] als opdrachtgever om op dat moment het werk te aanvaarden (al dan niet onder voorbehoud) of te weigeren. Dat [gedaagde] , zoals zij zelf aanvoert, het werk heeft geweigerd, blijkt nergens uit. Dat dit mondeling tussen partijen zou zijn besproken, zoals [gedaagde] ook aanvoert, wordt door [eiser] betwist, zodat de kantonrechter aan dit betoog voorbij gaat. Verder volgt ook uit het rapport van [bedrijf], welk rapport in opdracht van [gedaagde] is uitgevoerd, dat het werk is opgeleverd.
4.6.
Aangenomen moet daarom worden dat het werk, na de beëindiging daarvan en de afwikkeling van enkele door [bedrijf] aangegeven verbeterpunten - in ieder geval stilzwijgend - is aanvaard. De conclusie is dat [gedaagde] de volledige prijs is verschuldigd, maar die niet volledig heeft betaald.
4.7.
Dat [gedaagde] van mening is dat [eiser] het werk niet deugdelijk heeft uitgevoerd, waardoor [gedaagde] schade lijdt, is geen omstandigheid die maakt dat [gedaagde] de overeengekomen prijs niet langer is verschuldigd. De gevorderde hoofdsom van € 14.115,00 is dan ook toewijsbaar.
De rente en kosten
4.8.
[eiser] vordert de wettelijke handelsrente over de hoofdsom. Omdat niet is gesteld dan wel gebleken op welke dag [gedaagde] de facturen van 21 augustus 2023 en 25 augustus 2023 heeft ontvangen, betekent dit dat moet worden uitgegaan van een termijn van 30 dagen na aanvang van de dag volgende op die waarop [gedaagde] de prestatie heeft ontvangen [4] , welke laatste datum 24 september 2023 is. De wettelijke handelsrente over de hoofdsom zal dus worden toegewezen met ingang van 24 september 2023.
4.9.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De stelling dat [eiser] buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht is door [gedaagde] gemotiveerd betwist, en niet weersproken. De buitengerechtelijke incassokosten worden daarom afgewezen.
4.10.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.591,35
in reconventie
De toelaatbaarheid van de conclusie van antwoord in reconventie en de akte uitlating
4.11.
[gedaagde] verzoekt de kantonrechter de door [eiser] overgelegde conclusie van antwoord in reconventie buiten beschouwing te laten [5] . De kantonrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling van 31 maart 2026 geoordeeld dat hij de conclusie van antwoord in reconventie zal meenemen in de beoordeling en heeft [gedaagde] bij akte uitlating in de gelegenheid gesteld om op de conclusie van antwoord in reconventie te reageren. Hetgeen hieromtrent tijdens de mondelinge behandeling is besproken, moet als herhaald en ingelast worden beschouwd.
4.12.
Tijdens de mondelinge behandeling van 31 maart 2026 heeft de kantonrechter [gedaagde] de gelegenheid gegeven zich bij akte uit te laten over inhoud van de conclusie van antwoord in reconventie. De kantonrechter heeft daarbij uitdrukkelijk aangegeven dat bij de akte uitlating geen nadere stukken mogen worden overlegd. De door [gedaagde] bij akte uitlating overgelegde productie 6 is dan ook niet meegenomen in de beoordeling van dit geschil.
[eiser] is niet in verzuim
4.13.
Voor het vergoeden van de schade als gevolg van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst is - voor zover nakoming niet reeds blijvend onmogelijk is - vereist dat de schuldenaar in verzuim is. [6] Voor het intreden van het verzuim is in beginsel vereist dat [gedaagde] [eiser] in gebreke stelt en daarbij [eiser] een termijn geeft voor nakoming van de overeenkomst.
4.14.
Vaststaat dat [gedaagde] [eiser] geen ingebrekestelling heeft verzonden. Heyst Schilderweken stelt zich op het standpunt dat het verzuim zonder ingebrekestelling is ingetreden, omdat zij uit de houding en mededeling van [eiser] mocht afleiden dat zij niet meer zou nakomen. [gedaagde] verwijst ter onderbouwing daarvan onder meer naar het WhatsAppgesprek van 13 september 2023, waarin staat “
Ja iets met zijn moeder ofzo.. morgen ga ik er wat mee doen.(…)
Ja hij moest zijn moeder in Duitsland ophalen zei die over pech heeft hij niets tegen mij gezegd(…)”. Uit dit bericht volgt dat de onderaannemer zich in Duitsland bevond en mocht [gedaagde] afleiden dat [eiser] in de nakoming van de verbintenis zou tekortschieten, aldus [gedaagde] .
4.15.
Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten. [7] Daarvan is pas sprake als de schuldeiser ‘redelijkerwijs niet anders kan’ dan afleiden dat de schuldenaar in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten.
4.16.
Het enkele feit dat [eiser] op enig moment heeft aangegeven dat haar onderaannemer tijdelijk in Duitsland was om zijn moeder op te halen, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat sprake is van een mededeling zoals bedoeld in de wet [8] . De kantonrecher is daarom van oordeel dat [gedaagde] hier niet uit kon afleiden dat [eiser] in de nakoming van zijn verbintenis tekort zou schieten. Ook het betoog dat [gedaagde] [eiser] meermaals mondeling in gebreke heeft gesteld houdt bij een gemotiveerde betwisting daarvan, geen stand.
4.17.
De conclusie is dat [gedaagde] [eiser] een ingebrekestelling had moeten sturen voor het intreden van het verzuim. Omdat [gedaagde] dat niet heeft gedaan is [eiser] niet in verzuim en houdt de vordering tot betaling van enige schadevergoeding geen stand. De overige stellingen en verweren behoeven daarom geen bespreking. De vordering in reconventie is niet toewijsbaar.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
4.18.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
432,75
(1,5 punten × factor 0,5 × € 577,00)
Totaal
432,75

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 14.115,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente [9] over het toegewezen bedrag vanaf 24 september 2023 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.591,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.5.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 432,75, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.

Voetnoten

1.Waarbij [gedaagde] zich beroept op artikel 6:74 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Waarbij [gedaagde] zich beroept op artikel 6:127 BW Pro.
3.Dit volgt uit artikel 7:758 lid 1 BW Pro.
4.Op grond van artikel 6:119a lid 2, aanhef en onder b BW.
5.Waarbij [gedaagde] zich beroept op het procesreglement en artikel 87 lid 6 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
6.Artikel 6:74 lid 2 BW Pro.
7.Artikel 6:83 aanhef Pro en onder c BW.
8.Artikel 6:83 sub c BW Pro.
9.Als bedoeld in artikel 6:119a BW.