Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:6057

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
C/15/378390 / JU RK 26-837
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:257 BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling minderjarige wegens vermoedelijke mishandeling

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om een minderjarige voorlopig onder toezicht te stellen en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing te verlenen vanwege vermoedens van fysieke en emotionele mishandeling door de voogd, de oma. De minderjarige woont sinds haar geboorte bij de oma, die sinds 2017 haar voogd is. Er waren zorgen gemeld vanuit school en pleegzorg over verzuim, onverzorgd uiterlijk en signalen van mishandeling.

De kinderrechter nam kennis van gesprekken met de minderjarige, de oma en pleegzorg, waaruit bleek dat de minderjarige aangaf mishandeld te worden en niet langer bij de oma wilde wonen. Er was ook sprake van een dreiging vanuit de vader richting een aspirant pleegouder, waardoor eerdere plaatsingspogingen niet slaagden. De kinderrechter oordeelde dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de ontwikkeling van de minderjarige acuut en ernstig wordt bedreigd, wat een voorlopige ondertoezichtstelling rechtvaardigt.

Echter, het verzoek tot uithuisplaatsing werd afgewezen omdat onvoldoende duidelijk was waarom dit zonder zitting en zonder partijen te horen noodzakelijk was. Ook was onduidelijk waarom het netwerk van de minderjarige, zoals een oom, geen veilige en vrijwillige optie zou zijn. De kinderrechter bepaalde dat eerst met de voorlopige ondertoezichtstelling moet worden geprobeerd de situatie te verbeteren, waarna eventueel een nieuw verzoek tot uithuisplaatsing kan worden ingediend.

De beschikking werd gegeven door kinderrechter A.K. Mireku en uitgesproken op 27 mei 2026. Tegen de beslissing over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam binnen drie maanden na uitspraak of betekening.

Uitkomst: De minderjarige wordt voorlopig onder toezicht gesteld, maar het verzoek tot uithuisplaatsing wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/378390 / JU RK 26-837
Datum uitspraak: 27 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
gevestigd in Haarlem,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de oma],
hierna te noemen: de oma,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd in Amsterdam.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 27 mei 2026.

2.De feiten

De oma is sinds 2017 de voogd van [de minderjarige] en daar verblijft [de minderjarige] ook.

3.Het verzoek

De Raad verzoekt [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. [de minderjarige] woont sinds haar geboorte bij de oma. De vader heeft [de minderjarige] erkend, maar heeft geen gezag. De rol van zowel de vader als die van de moeder in het leven van [de minderjarige] is voor de Raad onduidelijk. Op
28 oktober 2025 zijn zorgen gemeld vanuit school en [Pleegzorg] Pleegzorg. Sinds de start van het schooljaar waren zorgen over verzuim bij [de minderjarige] . Ook waren signalen dat [de minderjarige] er onverzorgd uitzag en een vermoeide indruk maakte. Vanuit school is een gesprek geweest met [de minderjarige] waarbij [de minderjarige] aangeeft dat zij al lang geslagen wordt en als een slavin wordt behandeld door oma. [de minderjarige] geeft aan dat zij niet langer bij de oma wil wonen. Op
26 mei 2026 meldt [de minderjarige] weer zorgen bij [Pleegzorg] Pleegzorg over haar thuissituatie; zij wordt fysiek en emotioneel mishandeld door de oma.
4.2.
Er zijn vanuit [Pleegzorg] Pleegzorg meerdere gesprekken geweest met [de minderjarige] en oma over de thuissituatie. Tijdens deze gesprekken blijkt dat [de minderjarige] en oma zich terugtrekken en niet akkoord gaan met een tijdelijke plaatsing van [de minderjarige] elders. In oktober 2025 is eveneens gezocht naar een andere verblijfsplek voor [de minderjarige] , maar wegens van dreiging vanuit vader richting een aspirant pleegouder zou dit niet zijn doorgegaan.
[de minderjarige] heeft aangegeven dat haar familie haar zal meenemen. De betrokken gedragswetenschapper en pleegzorgwerker hebben ten tijde van een eerdere melding in
juni 2025 een kans op ontvoering aanwezig geacht.
4.3.
De kinderrechter is dan ook van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Er moet zicht komen op de thuissituatie van [de minderjarige] en in kaart gebracht moet worden wat voor hulpverlening en vervolgstappen nodig zijn om de situatie voor [de minderjarige] weer veilig te krijgen.
4.4.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom stelt de kinderrechter [de minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden.
4.5.
De kinderrechter wijst het verzoek om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van drie maanden echter af. Duidelijk is dat de thuissituatie voor [de minderjarige] reden geeft tot zorg. [de minderjarige] heeft de Raad gisteren een geluidsopname laten horen, waarop kennelijk te horen is dat de oma zich misdraagt tegenover [de minderjarige] . Dat de oma zich op deze manier opstelt ten opzichte van [de minderjarige] was bij [Pleegzorg] Pleegzorg al bekend. Uit de informatie van de Raad volgt immers dat de zorgen over [de minderjarige] al in elk geval sinds juni 2025 bestaan en dat [Pleegzorg] Pleegzorg daarvan op de hoogte is. Dat maakt dat voor de kinderrechter onvoldoende helder is geworden waarom dit reden geeft om nú – zonder partijen te horen op een zitting – over te gaan tot een uithuisplaatsing van [de minderjarige] . Bovendien is voor de kinderrechter onduidelijk gebleven waarom het netwerk van [de minderjarige] geen veilige en vrijwillige optie voor haar is, al dan niet voor een tijdelijk verblijf. Zo is er bijvoorbeeld een oom, waar de vader ook verblijft. Telefonisch heeft de Raad nader toegelicht dat [de minderjarige] ten aanzien van haar vader geen angst of zorgen heeft geuit.
4.6.
De Raad wil dat [de minderjarige] op een geheime plek verblijft, zodat vanuit die situatie onderzocht kan worden waar [de minderjarige] op termijn veilig kan opgroeien. Naar het oordeel van de kinderrechter dient het in dit geval andersom te zijn. Eerst zal bekeken moeten worden of de zorgen over de (thuis)situatie van [de minderjarige] met de uitgesproken voorlopige ondertoezichtstelling kunnen worden verminderd. Als dat onvoldoende lukt en ook een netwerkplaatsing niet mogelijk of voldoende veilig blijkt te zijn en de uithuisplaatsing is noodzakelijk in het belang van [de minderjarige] kan de Raad een daartoe strekkend verzoek indienen.
4.7.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]
4.8.
De Raad, [de minderjarige] en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
stelt
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam met ingang van 27 mei 2026 tot 27 augustus 2026;
5.2.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.3.
roept de Raad, de GI en de oma op voor de zitting van mr. J. Lintjer op
[datum]in het gerechtsgebouw van deze rechtbank De Appelaar aan Simon de Vrieshof 1 in Haarlem;
5.4.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
5.5.
vraagt de griffier [de minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek;
5.6.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.K. Mireku, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026, in aanwezigheid van M.P. van Driel als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:257 BW Pro.
2.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.