ECLI:NL:RBNHO:2026:6046

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
HAA 25/2402
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen invordering dwangsommen wegens huisvesting arbeidsmigranten ongegrond verklaard

Eiser ontving een omgevingsvergunning voor verbouwing van een pand tot koopappartementen, met de expliciete beperking dat het pand niet gebruikt mocht worden voor huisvesting van arbeidsmigranten. Na een last onder dwangsom wegens overtreding van deze beperking, stelde het college vast dat eiser de last niet naleefde. Het college vorderde de maximale dwangsom van €100.000,-.

Eiser voerde aan dat hij zich inspande om aan de last te voldoen, dat het lastig was om vast te stellen of sprake was van één huishouden, en dat hij verhuurde aan een onderneming die onderverhuurde aan arbeidsmigranten. De rechtbank oordeelde dat deze omstandigheden geen bijzondere reden vormden om af te zien van invordering, mede omdat eiser een professionele verhuurder is en onvoldoende controleerde.

Verder stelde eiser dat het college misbruik maakte door hem niet tussentijds te informeren over controles, maar de rechtbank vond dat het college daartoe niet verplicht was. Ook was de hoogte van de dwangsom niet evident onevenredig, gelet op de ernst van de overtreding, de klachten van omwonenden en de professionele aard van eiser.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de invordering en wees terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de invordering van de maximale dwangsom van €100.000,-.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/2402

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats 1] , eiser

(gemachtigde: mr. ing. E.W.M. Aalsma),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon

(gemachtigden: A. Hooijman en J.A. Keuning).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
[derde-partij 1] en [derde-partij 2], uit [plaats 2]
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1 . Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser met betrekking tot de invordering van door hem verbeurde dwangsommen. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de invorderingsbeschikking in stand kan blijven
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 23 oktober 2024 heeft het college een invorderingsbeschikking gegeven. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het bestreden besluit van 10 april 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit om de verbeurde dwangsommen in te vorderen gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigden van het college en de gemachtigde van derde-partijen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft als eigenaar op 24 november 2021 een omgevingsvergunning gekregen om het pand aan [adres] [huisnummer 8] in [plaats 2] te verbouwen naar acht koopappartementen. In de onderbouwing van de verlening van deze vergunning heeft het college opgenomen dat de vergunning niet strekt tot het gebruiken van het pand ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten.
3.1.
Het college heeft op 1 september 2023 een last onder dwangsom opgelegd aan eiser. Na onderzoek dat het college heeft gedaan naar aanleiding van een handhavingsverzoek van derde-partijen, die in de buurt wonen, bleek dat eiser appartementen in het pand liet gebruiken voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Daarbij is geconstateerd dat arbeidsmigranten samenwoonden zonder één huishouden te vormen, hetgeen in strijd is met ter plaatse geldende bestemmingsplannen. Eiser werd met het besluit van 1 september 2023 gelast om de woningen niet langer door meerdere personen te laten bewonen die niet in onderling verband één huishouden vormen. Het besluit bestond uit twee lastgevingen voor de twee aparte kadastrale percelen waaronder het pand valt. De eerste lastgeving zag op de woningen aan [adres] [huisnummer 8] , [huisnummer 1] , [huisnummer 2] , [huisnummer 3] en [huisnummer 4] . Voor het niet voldoen aan deze last zou eiser een dwangsom verbeuren van € 25.000,- per week of gedeelte daarvan, met een maximum van € 100.000,-. De tweede lastgeving zag op de woningen aan [adres] [huisnummer 5] , [huisnummer 6] en [huisnummer 7] . Voor het niet voldoen aan deze last zou eiser een dwangsom verbeuren van € 15.000,- per week of gedeelte daarvan met een maximum van € 60.000,-. Deze last onder dwangsom staat inmiddels in rechte vast. De begunstigingstermijn is verstreken op 14 oktober 2023. Het college heeft in april en mei 2024 gecontroleerd op naleving van de last. Het college heeft tijdens deze controles in vier verschillende weken geconstateerd dat sprake is van met de last strijdig gebruik van de woning aan [adres] [huisnummer 1] . De naar aanleiding daarvan gegeven invorderingsbeschikking van 23 oktober 2024 heeft betrekking op overtreding van de eerste lastgeving. Tijdens de controles in april en mei 2024 was geconstateerd dat appartement [adres] [huisnummer 1] werd bewoond door personen die niet één huishouden vormden. Voor het besluit van 23 oktober 2024 werd genomen, heeft het college met een brief van 25 juni 2024 aan eiser kenbaar gemaakt dat het voornemens was om de van rechtswege verbeurde dwangsommen in te vorderen. Met het besluit van 23 oktober 2024 werd de maximale dwangsom van € 100.000,- ingevorderd. Dat eiser de last niet is nagekomen staat niet ter discussie.
Had het college wegens de inspanningen van eiser van invordering moeten afzien?
4. Eiser voert aan dat het college heeft miskend dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor van invordering zou moeten worden afgezien. Hij doet alles wat binnen zijn mogelijkheden ligt om aan families te verhuren en dus aan de last te voldoen. Het is ingewikkeld om vast te stellen of sprake is van één huishouden op basis van de gegevens die eiser tot zijn beschikking heeft en de bevoegdheden die hij heeft als verhuurder. Eiser stelt dat hij verhuurde aan [naam] B.V. en daarbij afspraken heeft gemaakt over het onderverhuren aan arbeidsmigranten. Dit blijkt uit een e-mail die eiser heeft overgelegd. Er is ook een boeteclausule opgenomen in de algemene voorwaarden bij de huurovereenkomst om te zorgen dat de gemaakte afspraken worden nageleefd.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college in het aangevoerde geen bijzondere omstandigheden hoefde te zien die meebrengen dat het college invordering achterwege had moeten laten. Bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom moet aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. [1] Slechts in bijzondere omstandigheden mag geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. De boeteclausule in de algemene voorwaarden brengt op zichzelf niet mee dat de overtreding van de last onder dwangsom niet aan eiser valt te verwijten. Immers is niet gebleken dat eiser gecontroleerd heeft of de gemaakte afspraken daadwerkelijk werden nageleefd door de huurder, bijvoorbeeld door ter plekke te kijken. Daarbij is van belang dat sprake is van omstandigheden die eiser aanleiding hadden moeten geven om zich extra in te spannen. Eiser heeft ervoor gekozen om te verhuren aan een onderneming waarvan hij wist dat die woningen verhuurt aan arbeidsmigranten. Daarnaast had het feit dat een last onder dwangsom was opgelegd omdat werd verhuurd aan arbeidsmigranten buiten gezinsverband, een reden moeten zijn om meer te controleren. Verder weegt mee dat eiser een professionele verhuurder is. Voor zover eiser heeft gesteld dat hij personen niet kan verplichten om identiteitsbewijzen over te leggen, geldt dat hij wel conclusies kan trekken indien personen dat weigeren. De beroepsgrond slaagt niet.
Had het college eiser tussentijds op de hoogte moeten stellen van de uitkomsten van de controles?
5. Eiser voert aan dat het college misbruik van zijn bevoegdheid maakt door de maximale dwangsom in te vorderen terwijl het hem niet tussentijds op de hoogte heeft gesteld van het feit dat bij een controle een overtreding was geconstateerd. Eiser heeft daarmee niet de mogelijkheid gekregen om zijn schade te beperken.
5.1.
De rechtbank volgt het college in het standpunt dat het eiser niet tussentijds op de hoogte hoefde te stellen van de uitkomsten van de uitgevoerde controles. De tijdseenheid voor het verbeuren van dwangsommen is, anders dan de begunstigingstermijn, niet bedoeld om de gelegenheid te bieden om aan de last te voldoen zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. [2] Uit de last onder dwangsom volgt dat in verschillende weken mogelijk gecontroleerd zou gaan worden op naleving van de last en dat het niet naleven van de last gedurende meerdere weken tot het verbeuren van meerdere dwangsommen zou leiden. Dat eiser zelf niet op naleving door zijn huurder heeft gecontroleerd komt voor zijn eigen risico. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de hoogte van de dwangsom onevenredig?
6. Eiser voert aan dat de hoogte van de dwangsom niet in verhouding staat tot zijn verdiensten met de verhuur van de woningen. Hij verdient € 800,- per maand aan de verhuur van de betrokken woning en er wordt € 100.000 aan dwangsommen ingevorderd.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat een belanghebbende in de procedure tegen de invorderingsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren kan brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. [3] Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als er een evident gebrek aan de last onder dwangsom kleeft. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is, omdat de dwangsom niet evident onevenredig hoog is. De rechtbank kan de motivering van het college met betrekking tot de hoogte van de dwangsom volgen. Er is een berekening gemaakt op basis van de inkomsten van eiser uit de verhuur van niet alleen [adres] [huisnummer 1] , maar van alle woningen waarop de last onder dwangsom ziet. Deze berekening is ook opgenomen in het besluit van 1 september 2023 waarbij de last onder dwangsom is opgelegd. Verder is er geen sprake van een overtreding van geringe aard en ernst. Dit blijkt ook uit het feit dat door derde-partijen is verzocht om handhaving en ook door andere omwonenden is geklaagd over overlast, zoals het college op zitting onweersproken heeft gesteld. Daarnaast is van belang dat eiser een professionele partij is die handelt vanuit winstoogmerk. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de invorderingsbeschikking in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M. Duijkersloot, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 10 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:274.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466.