Op 7 augustus 2025 stichtte de verdachte in een kamer van zorginstelling Parnassia te Castricum opzettelijk brand door haar matras in brand te steken, waardoor gevaar ontstond voor goederen en zwaar lichamelijk letsel van medebewoners en medewerkers. De rechtbank achtte dit wettig en overtuigend bewezen en kwalificeerde het als opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar.
De verdediging voerde aan dat de brand onopzettelijk was ontstaan door onvoorzichtigheid, maar dit werd verworpen. Deskundigen stelden vast dat de verdachte een verstandelijke beperking heeft, psychose-achtige klachten en emotionele regulatieproblemen, waardoor zij haar handelen in sterk verminderde mate kon toerekenen. De rechtbank hield hier rekening mee bij de strafoplegging.
De rechtbank veroordeelde de verdachte tot 380 dagen gevangenisstraf, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. De reeds doorgebrachte voorlopige hechtenis van 286 dagen werd in mindering gebracht, zodat nog 27 dagen onvoorwaardelijk resteren. Daarnaast werden bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder behandeling in een gespecialiseerde kliniek, ambulante zorg, begeleid wonen en toezicht door de reclassering, om herhaling te voorkomen.
De rechtbank besloot de straf vervroegd uit te spreken om tijdig plaatsing in een zorginstelling te kunnen regelen. De voorwaarden zijn dadelijk uitvoerbaar, ook bij hoger beroep. De verdachte werd vrijgesproken van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden.