ECLI:NL:RBNHO:2026:5976
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Terugbetaling waarborgsom en huur na opzegging huurovereenkomst bedrijfsruimte
De zaak betreft een geschil over de beëindiging van een huurovereenkomst voor een bedrijfsruimte tussen [eiser] en Real Estate Facility B.V. [Eiser] had de huur per 28 februari 2025 opgezegd en vorderde terugbetaling van de huur over maart 2025 en de waarborgsom. Real Estate Facility stelde dat de opzegging pas per 31 maart 2025 rechtsgeldig was en dat zij schadevergoeding mocht verrekenen met de waarborgsom.
De kantonrechter oordeelde dat de huurovereenkomst inderdaad liep tot en met 31 maart 2025 en dat de opzegging van [eiser] tegen die datum was gericht. Er was geen tussentijdse opzegmogelijkheid overeengekomen en Real Estate Facility hoefde de huur over maart 2025 niet terug te betalen. De opzegging per e-mail was rechtsgeldig, ondanks contractuele vormvereisten.
Ten aanzien van de waarborgsom stelde de rechter vast dat een voldoende concrete beschrijving van de staat van het gehuurde bij aanvang ontbrak, waardoor [eiser] werd vermoed het gehuurde in de staat te hebben ontvangen zoals bij einde huur. Real Estate Facility toonde schade aan en kreeg recht op vergoeding van € 1.010,35. Daarnaast werd een vergoeding van € 150,00 toegekend voor werkzaamheden met betrekking tot een B&B vergunning. De tegenvordering voor overige werkzaamheden werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De vordering tot terugbetaling van de waarborgsom minus de schade en werkzaamheden werd toegewezen, evenals wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. De tegenvordering werd afgewezen en proceskosten werden gesplitst. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De huurovereenkomst eindigde per 31 maart 2025; terugbetaling huur maart 2025 wordt afgewezen; gedeeltelijke terugbetaling waarborgsom minus schadevergoeding en werkzaamheden wordt toegewezen.