Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:5976

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
11889099 \ CV EXPL 25-2797
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:224 BWArt. 7:228 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling waarborgsom en huur na opzegging huurovereenkomst bedrijfsruimte

De zaak betreft een geschil over de beëindiging van een huurovereenkomst voor een bedrijfsruimte tussen [eiser] en Real Estate Facility B.V. [Eiser] had de huur per 28 februari 2025 opgezegd en vorderde terugbetaling van de huur over maart 2025 en de waarborgsom. Real Estate Facility stelde dat de opzegging pas per 31 maart 2025 rechtsgeldig was en dat zij schadevergoeding mocht verrekenen met de waarborgsom.

De kantonrechter oordeelde dat de huurovereenkomst inderdaad liep tot en met 31 maart 2025 en dat de opzegging van [eiser] tegen die datum was gericht. Er was geen tussentijdse opzegmogelijkheid overeengekomen en Real Estate Facility hoefde de huur over maart 2025 niet terug te betalen. De opzegging per e-mail was rechtsgeldig, ondanks contractuele vormvereisten.

Ten aanzien van de waarborgsom stelde de rechter vast dat een voldoende concrete beschrijving van de staat van het gehuurde bij aanvang ontbrak, waardoor [eiser] werd vermoed het gehuurde in de staat te hebben ontvangen zoals bij einde huur. Real Estate Facility toonde schade aan en kreeg recht op vergoeding van € 1.010,35. Daarnaast werd een vergoeding van € 150,00 toegekend voor werkzaamheden met betrekking tot een B&B vergunning. De tegenvordering voor overige werkzaamheden werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

De vordering tot terugbetaling van de waarborgsom minus de schade en werkzaamheden werd toegewezen, evenals wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. De tegenvordering werd afgewezen en proceskosten werden gesplitst. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurovereenkomst eindigde per 31 maart 2025; terugbetaling huur maart 2025 wordt afgewezen; gedeeltelijke terugbetaling waarborgsom minus schadevergoeding en werkzaamheden wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11889099 \ CV EXPL 25-2797 TB
Vonnis van 16 april 2026
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr.drs. J.J.F.M. Konings,
tegen
de besloten vennootschap
REAL ESTATE FACILITY B.V.,
te Purmerend,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Real Estate Facility,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
[eiser] heeft een bedrijfsruimte gehuurd van Real Estate Facility en de huurovereenkomst opgezegd. [eiser] vordert terugbetaling van de huur over de maand maart 2025 omdat de huurovereenkomst door opzegging per 28 februari 2025 is geëindigd en terugbetaling van de waarborgsom. Volgens Real Estate Facility heeft [eiser] de huurovereenkomst opgezegd tegen 31 maart 2025 en hoeft hij de ontvangen huur over de maand maart 2025 niet aan [eiser] terug te betalen. Daarnaast hoeft Real Estate Facility de waarborgsom niet terug te betalen aan [eiser] omdat [eiser] schade aan het gehuurde heeft toegebracht die moet worden vergoed en hij nog werkzaamheden heeft verricht in opdracht en voor rekening van [eiser] . Real Estate Facility beroept zich op verrekening en stelt een tegenvordering in ter zake van schadevergoeding en vergoeding voor de werkzaamheden. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] recht heeft op terugbetaling van een gedeelte van de waarborgsom en dat Real Estate Facility recht heeft op schadevergoeding ten bedrage van € 1.010,35 en € 150,00 voor de door haar verrichtte werkzaamheden. Het beroep op verrekening van Real Estate Facility slaagt in zoverre en de tegenvordering wordt afgewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 augustus 2025
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie
- het tussenvonnis van 9 oktober 2025
- de conclusie van antwoord in reconventie
- de mondelinge behandeling van 19 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Real Estate Facility heeft met ingang van 1 juli 2024 aan [eiser] verhuurd de bedrijfsruimte aan het [adres] in [plaats 2] . Aanvankelijk is de bedrijfsruimte verhuurd voor een periode van drie kalendermaanden. De huurovereenkomst is vervolgens een aantal malen verlengd voor de duur van drie kalendermaanden. De oorspronkelijke huurprijs per kwartaal van € 2.400,00 is per 1 januari 2025 per kwartaal verhoogd naar € 2.484,00 en is bij vooruitbetaling voor het kwartaal verschuldigd.
2.2.
In artikel 3.3 van de huurovereenkomst is het volgende opgenomen: “Beëindiging van deze overeenkomst vindt plaats door opzegging tegen het einde aan elke huurperiode met inachtneming van een termijn van tenminste 1 (één kalendermaand). Opzegging kan zowel door huurder als verhuurder worden gedaan zonder opgave van reden.”.
2.3.
Op 3 juli 2024 is door partijen een inspectie geweest van de kantoorruimte waarvan een inspectierapport is opgemaakt. In het rapport is opgenomen: “Huurder verklaart dat de kantoorruimte naar genoegen en in goede staat is opgeleverd, behoudens onderstaande gebreken: GEEN”.
2.4.
Bij e-mail van 30 januari 2025 heeft [eiser] laten weten aan Real Estate Facility dat zij genoodzaakt is de huur per 28 februari 2025 te beëindigen. Real Estate Facility heeft hierop gereageerd: “Stel voor 28 februari om 12:00 uur de ruimte op te leveren. (…) Na oplevering zal uiteraard de borg ed. aan U worden terugbetaald.”.
2.5.
Op 28 februari 2025 heeft [eiser] het gehuurde aan Real Estate Facility opgeleverd.
2.6.
Op 15 april 2025 heeft [eiser] Real Estate Facility verzocht om terugbetaling van de huur over de maand maart 2025 en de waarborgsom.

3.Het geschil

in conventie en in reconventie
3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van Real Estate Facility tot betaling van € 4.973,55 (bestaande uit € 3.903,88 aan hoofdsom, € 481,79 aan rente en € 585,88 aan buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat zij de huurovereenkomst op 30 januari 2025, met inachtneming van een maand opzegtermijn, heeft opgezegd tegen 28 februari 2025. Real Estate Facility moet daarom de vooruitbetaalde huur over de maand maart 2025 van € 1.001,88 aan [eiser] terugbetalen. [eiser] vordert daarnaast terugbetaling van de waarborgsom van € 2.904,00. Zij heeft het gehuurde correct opgeleverd zodat zij recht heeft op terugbetaling van de waarborgsom. Real Estate Facility is daartoe niet overgegaan. Omdat Real Estate Facility met terugbetaling van de maand huur en de waarborgsom in verzuim is, maakt [eiser] aanspraak op vergoeding van de door haar gemaakte buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke handelsrente.
3.3.
Real Estate Facility is het niet eens met de vordering en voert het volgende aan. [eiser] heeft geen recht op terugbetaling van de huur over de maand maart 2025 omdat [eiser] de huurovereenkomst heeft opgezegd tegen 31 maart 2025. Bovendien voldeed de opzegging niet aan de contractueel overeengekomen vormvereisten en is de opzegging gedaan door een persoon die niet bevoegd was om de vennootschap rechtsgeldig te vertegenwoordigen.
Ten aanzien van restitutie van de waarborgsom geldt dat [eiser] schade heeft toegebracht aan het gehuurde, maar zij heeft de schade niet hersteld. [eiser] moet de herstelkosten aan Real Estate Facility vergoeden. Real Estate Facility doet een beroep op verrekening en stelt een tegenvordering in ter zake van een schadevergoeding en vergoeding van werkzaamheden die Real Estate Facility in opdracht en voor rekening van [eiser] heeft uitgevoerd. Zij vordert daarom in reconventie herstelkosten voor het gehuurde van € 1.010,35, een vergoeding voor werkzaamheden die Real Estate Facility in opdracht en voor rekening van [eiser] heeft verricht die zien op een aanvraag voor een B&B vergunning in Simpelveld van € 786,50, alsmede een vergoeding voor werkzaamheden voor het ontwerpen van een website en acquisitieactiviteiten van € 1.464,10, minus de waarborgsom van € 2.904,00 zodat een te vorderen bedrag resteert van € 356,95.
3.4.
[eiser] voert verweer.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Formele weren
4.1.
[eiser] stelt dat Real Estate Facility heel veel producties heeft overgelegd zonder deugdelijke toelichting. Niet duidelijk is welke stellingen ter beoordeling worden voorgelegd en waartegen [eiser] zich dient te verweren. Hoewel aan [eiser] moet worden toegegeven dat Real Estate Facility in de conclusie van antwoord en vordering in reconventie niet overal voldoende naar producties heeft verwezen, blijkt uit de conclusie van antwoord in reconventie dat voor de [eiser] voldoende duidelijk was wat het verweer van Real Estate Facility was en wat haar door Real Estate Facility werd verweten en zij, ook ter gelegenheid van de comparitie van partijen, voldoende gelegenheid heeft gehad om op het verweer en die verwijten te reageren. Dit verweer van [eiser] wordt dan ook verworpen.
De vordering en de tegenvordering
4.2.
Gelet op de samenhang zullen de vordering en de tegenvordering gezamenlijk worden behandeld. De kantonrechter is van oordeel dat de vordering gedeeltelijk moet worden toegewezen en dat de vordering in reconventie moet worden afgewezen. Hierna wordt dit oordeel uitgelegd.
De huurovereenkomst is op 31 maart 2025 geëindigd
4.3.
[eiser] vordert de huurgelden terug over de maand maart 2025. [eiser] heeft conform de huurovereenkomst de huur vooruit betaald voor het eerste kwartaal 2025. Omdat de huurovereenkomst is geëindigd per 28 februari 2025, heeft zij recht op terugbetaling van een evenredig deel van de vooruitbetaalde huur, te weten de maand maart 2025, ten bedrag van € 1.001,88.
4.4.
Real Estate Facility voert in de eerste plaats aan dat de opzegging van [eiser] rechtsgevolg heeft per 31 maart 2025 en niet eerder. De huur over de maand maart 2025 maakt onderdeel uit van de lopende huurperiode. Real Estate Facility verwijst naar artikel 3.3 van de huurovereenkomst. Daarnaast voldeed de opzegging contractueel gezien niet aan de vormvereisten, nu daarin is opgenomen dat opzegging uitsluitend rechtsgeldig kan geschieden bij aangetekende brief of bij deurwaardersexploot. Ten slotte merkt Real Estate Facility nog op dat de opzegging niet is gedaan door de statutair bestuurder van [eiser] zoals vermeld in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, maar per e-mail door een familielid. Omdat deze persoon niet bevoegd was de vennootschap rechtsgeldig te vertegenwoordigen, kan reeds hierom geen sprake zijn van een rechtsgeldige opzegging.
4.5.
De overeenkomst tussen partijen is een huurovereenkomst met betrekking tot een ruimte als bedoeld in artikel 230a BW. De kantonrechter stelt in dit verband voorop dat partijen een huurovereenkomst hebben gesloten voor bepaalde tijd, te weten tot en met 31 maart 2025. Artikel 7:228 lid 1 bepaalt Pro dat een huurovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt, zonder dat daartoe een opzegging vereist is, wanneer de tijd is verstreken. Dit artikel is echter van regelend recht. Partijen kunnen daar dus van afwijken, wat zij in artikel 3 van Pro de huurovereenkomst hebben gedaan. In artikel 3.1 tot en met 3.3 is opgenomen dat de huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van drie kalendermaanden en dat de huurovereenkomst daarna wordt voortgezet voor een aansluitende periode van drie kalendermaanden en daarna vervolgens telkenmale drie kalendermaanden. Vervolgens is opgenomen dat beëindiging van de huurovereenkomst plaatsvindt door opzegging tegen het einde van elke huurperiode met inachtneming van een termijn van tenminste één kalendermaand. Partijen verschillen van mening over de vraag of Real Estate Facility de huurtermijn voor de maand maart 2025 aan [eiser] moet terugbetalen.
4.6.
Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit de tekst van artikel 3.1 dat de huurperiode een periode van drie maanden betreft. In artikel 3.2 wordt verwezen naar de in artikel 3.1 genoemde periode, welke een periode van drie kalendermaanden betreft. De huurperiode liep laatstelijk van 1 januari 2025 tot en met 31 maart 2025. [eiser] heeft weliswaar op 30 januari 2025 met inachtneming van een termijn van tenminste één kalendermaand tijdig de huurovereenkomst opgezegd, echter betrof dit een opzegging tegen 31 maart 2025 en niet tegen 28 februari 2025 zoals [eiser] ten onrechte stelt. [eiser] heeft de huurovereenkomst tijdig opgezegd tegen 31 maart 2025.
4.7.
Niet gesteld of gebleken is dat partijen een tussentijdse opzegmogelijkheid zijn overeengekomen. Ook blijkt uit de reactie van Real Estate Facility op de opzegging van [eiser] niet dat partijen overeenstemming hebben bereikt voor een beëindiging met wederzijds goedvinden of voortijdige beëindiging van de huurovereenkomst. Real Estate Facility was niet gehouden om in te stemmen met een voortijdige beëindiging van de huurovereenkomst. Het uitgangspunt is immers dat partijen de overeenkomst dienen na te komen. Dat betekent, anders dan [eiser] bij het opzeggen van de huurovereenkomst kennelijk veronderstelde, dat die overeenkomst niet tussentijds is opgezegd. Die opzegging heeft dus niet geleid tot het door [eiser] beoogde rechtsgevolg: het einde van de huurovereenkomst per 28 februari 2025.
4.8.
Real Estate Facility voert verder nog het verweer dat niet voldaan is aan de vormvereisten voor opzegging van de huurovereenkomst. Voor zover Real Estate Facility daarmee bedoelt te stellen dat de opzegging door [eiser] niet rechtsgeldig, met het effect van beëindiging, is gebeurd, gaat dat niet op. [eiser] heeft de huurovereenkomst per e-mail opgezegd en vaststaat dat deze e-mail door Real Estate Facility is ontvangen. Hieruit blijkt dat Real Estate Facility ervan op de hoogte was dat [eiser] de huurovereenkomst niet wilde voortzetten. Niet gesteld of gebleken is dat over dat standpunt van [eiser] op enig moment onduidelijkheid heeft bestaan. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat niet valt in te zien welk belang Real Estate Facility kan hebben gehad bij een opzegging per aangetekend schrijven of deurwaardersexploot conform de huurovereenkomst (voor zover hiervan geen sprake is). De wilsverklaring van [eiser] , gericht op beëindiging van de huurovereenkomst, was haar immers bekend, en zij heeft hier aanvankelijk mee ingestemd. Dit geldt ook voor het verweer van Real Estate Facility dat de huurovereenkomst niet door een bevoegd persoon is opgezegd. In het midden kan blijven of de huurovereenkomst door een bevoegd persoon is opgezegd omdat Real Estate Facility met de opzegging van de huurovereenkomst heeft ingestemd en daar ook naar heeft gehandeld.
4.9.
Verder geldt dat het enkele ontruimen van het gehuurde ook niet kan leiden tot het gevolg dat op dat moment de huurovereenkomst is geëindigd. Het inleveren van de sleutels (wat niet is komen vast te staan) van het gehuurde evenmin. Zeker nu Real Estate Facility duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat zij niet akkoord ging met voortijdige beëindiging van de huurovereenkomst. [eiser] mocht er dan ook niet vanuit gaan dat de huurovereenkomst door het ontruimen van het gehuurde zou eindigen. Ook is niet komen vast te staan dat er vanaf 1 maart 2025 een nieuwe huurder in het gehuurde is gekomen, zodat ook dit evenmin kan leiden tot een overeenstemming tussen partijen dat de huurovereenkomst is geëindigd per 28 februari 2025.
4.10.
De conclusie is dat de huurovereenkomst niet voortijdig is geëindigd en dat [eiser] de huurgelden die hij over de maand maart 2025 bij vooruitbetaling al aan Real Estate Facility heeft betaald verschuldigd was. Dit deel van de vordering zal dan ook worden afgewezen.
Real Estate Facility moet een deel van de waarborgsom terugbetalen
4.11.
In het navolgende zal de kantonrechter ingaan op de vraag in hoeverre Real Estate Facility gehouden is de door [eiser] betaalde waarborgsom aan haar te retourneren. Niet in geschil is dat [eiser] dit bedrag bij aanvang van de huurovereenkomst aan Real Estate Facility heeft betaald. Real Estate Facility brengt hiertegen in dat op dit bedrag bij wijze van verrekening een schadebedrag, kosten voor werkzaamheden ten behoeve van een aanvraag van een B&B vergunning en kosten voor werkzaamheden aan een website/acquisitie in mindering moet worden gebracht. Voor het meerdere stelt Real Estate Facility een tegenvordering in, zo begrijpt de kantonrechter de tegenvordering.
4.12.
Tussen partijen staat vast dat de verschuldigdheid van de waarborgsom € 2.904,00 bedraagt. Dit houdt in dat de vordering van [eiser] toewijsbaar is, behoudens voor zover Real Estate Facility zich op goede gronden beroept op een verrekeningsbevoegdheid. Real Estate Facility komt schadevergoeding toe en dus een verrekeningsbevoegdheid voor zover zij schade heeft geleden als gevolg van beschadiging van het gehuurde door [eiser] .
4.13.
Tussen partijen staat vast dat bij aanvang van de huurovereenkomst een beschrijving van het gehuurde is gemaakt. Op grond van artikel 7:224 lid 2 BW Pro heeft als uitgangspunt te gelden dat een huurder het gehuurde moet opleveren in dezelfde staat waarin hij het gehuurde bij aanvang van de huurovereenkomst heeft ontvangen. Partijen kunnen door bij aanvang van de huur een beschrijving op te stellen van de staat van het gehuurde daarover duidelijkheid verschaffen. Volgens het bepaalde in artikel 7:224 lid 2 BW Pro moet het hierbij gaan om een beschrijving die tussen de huurder en verhuurder is opgemaakt.
4.14.
De kantonrechter is van oordeel dat een beschrijving als bedoeld in artikel 7:224 lid 2 BW Pro de toestand van de verschillende onderdelen van het gehuurde zodanig concreet en nauwkeurig moet aangeven, dat daaruit kan worden afgeleid in welke staat de huurder het gehuurde bij aanvang van de huurovereenkomst heeft aanvaard. Uit de beschrijving moet blijken hoe het gehuurde aan het einde van de huurovereenkomst opgeleverd moet worden. In de beschrijving die bij aanvang van het gehuurde is opgemaakt is alleen in zeer algemene bewoordingen een omschrijving van het gehuurde opgemaakt, waarin wordt vermeld dat er geen schade is. Deze zeer algemene omschrijving biedt onvoldoende houvast om de situatie voorafgaand aan de huurovereenkomst te kunnen beoordelen met de situatie aan het einde van de huur. De vermelding ‘geen’ gebreken sluit niet uit dat de beschadigingen op de foto’s ook bij aanvang van de huur al aanwezig waren, omdat dergelijke beschadigingen ook kunnen wijzen op normale gebruiksslijtage door voorgaande gebruikers. Ook de brochure waar naar wordt verwezen biedt geen houvast omdat niet is gebleken dat de brochure onderdeel uitmaakt van het inspectierapport bij aanvang van de huurovereenkomst. De onderhavige beschrijving van de staat van het gehuurde bij aanvang van de huur is te algemeen om te dienen als een beschrijving in de zin van artikel 7:224 lid 2 eerste Pro volzin BW. Het begrip ‘geen’ gebreken is onvoldoende objectief om daaruit te kunnen afleiden hoe [eiser] het gehuurde had moeten op leveren.
4.15.
De kantonrechter is dus van oordeel dat een voldoende duidelijke beschrijving als bedoeld in de eerste volzin van artikel 7:224 lid 2 BW Pro ontbreekt, zodat ervan uitgegaan moet worden dat er geen beschrijving van het gehuurde is opgemaakt. Dat heeft tot gevolg dat de tweede volzin van die bepaling van toepassing is. Dat betekent dat [eiser] , behoudens tegenbewijs, wordt verondersteld het gehuurde te hebben ontvangen in de staat zoals deze bij het einde van de huurovereenkomst was.
4.16.
Real Estate Facility heeft [eiser] het verwijt gemaakt schade te hebben veroorzaakt aan de kozijnen, schade aan de meterkast, schade aan de muren en trap en schade aan de vloer. De herstelkosten hiervan bedragen € 1.010,35 (inclusief btw). Real Estate Facility heeft ter onderbouwing van deze schade een aantal foto’s overgelegd en de schade toegelicht. Omdat [eiser] de schade als zodanig onvoldoende (gemotiveerd) heeft weersproken, gaat de kantonrechter er vanuit gaat dat [eiser] de schade heeft veroorzaakt. Real Estate Facility heeft de hoogte van de schade onderbouwd met facturen van derden. Zij heeft toegelicht dat zij de schade in eigen beheer heeft hersteld, waardoor de kosten voor herstel beperkt zijn gebleven. [eiser] heeft dit niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken. Het voorgaande betekent dat van de waarborgsom een bedrag van € 1.010,35 moet worden afgetrokken.
4.17.
Real Estate Facility voert verder nog aan dat voor verrekening in aanmerking komt de werkzaamheden die hij in opdracht en voor rekening van [eiser] heeft uitgevoerd 1) betreffende een aanvraag voor een vergunning voor een B&B in Simpelveld, en 2) betreffende het ontwerpen van een website en acquisitieactiviteiten.
4.18.
De kantonrechter is van oordeel dat ter zitting vast is komen te staan dat Real Estate Facility de werkzaamheden die betrekking hebben op de B&B daadwerkelijk heeft uitgevoerd en dat [eiser] daarvoor een vergoeding aan Real Estate Facility zou betalen. Echter is niet komen vast te staan welke vergoeding [eiser] aan Real Estate Facility zou betalen voor de werkzaamheden. Real Estate Facility stelt dat [eiser] een vergoeding van € 786,50 (inclusief btw) moet betalen en [eiser] betwist dit en stelt dat zij voor deze werkzaamheden niet meer dan € 150,00 zou moeten betalen. Dat is afgesproken dat voor deze werkzaamheden meer dan € 150,00 zou worden betaald is door Real Estate Facility onvoldoende onderbouwd gesteld. De kantonrechter zal daarom een bedrag van € 150,00 toewijzen.
4.19.
Ten aanzien van de werkzaamheden voor de website van [eiser] en de acquisitieactiviteiten voor de onderneming van [eiser] staat tussen partijen vast dat Real Estate Facility die werkzaamheden daadwerkelijk heeft uitgevoerd. Tussen partijen staat verder vast dat zij met elkaar een afspraak hebben gemaakt dat Real Estate Facility voor elke klant die zij door acquisitie aan zou brengen bij [eiser] , een percentage van 10% zou ontvangen. Door Real Estate Facility is echter niet dan wel onvoldoende onderbouwd dat partijen een (uur)prijs hebben afgesproken betreffende de door Real Estate Facility uit te voeren werkzaamheden voor de website en acquisitieactiviteiten. Partijen hebben weliswaar een commissie van 10% afgesproken maar niet gesteld of gebleken is dat door de werkzaamheden van Real Estate Facility nieuwe klanten zich bij [eiser] hebben gemeld. De kantonrechter zal dit deel dan ook afwijzen.
Conclusie
In conventie
4.20.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de vordering tot terugbetaling van de huur over de maand maart 2025 worden afgewezen.
4.21.
Verder is vast komen te staan dat Real Estate Facility recht heeft op schadevergoeding van € 1.010,35 en een vergoeding voor de werkzaamheden die Real Estate Facility voor [eiser] heeft uitgevoerd met betrekking tot de B&B in Simpelveld van € 150,00. Het beroep van Real Estate Facility op verrekening met de waarborgsom slaag in zoverre. Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor is overwogen. Dit leidt ertoe dat de vordering tot betaling van de waarborgsom, te weten een bedrag van € 2.904,00 minus € 1.010,35 en € 150,00 = € 1.743,65, zal worden toegewezen. Omdat Real Estate Facility in verzuim is met de terugbetaling van een deel van de borg is zij tevens wettelijke handelsrente aan [eiser] verschuldigd. Op 15 april 2025 heeft [eiser] Real Estate Facility tot betaling gemaand en haar een betaaltermijn van vijf dagen geboden. Dit betekent dat Real Estate Facility vanaf 21 april 2025 in verzuim was. Vanaf die datum is ook de wettelijke handelsrente over € 1.743,65 toewijsbaar.
4.22.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen volgens het wettelijke tarief dat hoort bij de hoofdsom waartoe de gedaagde partij zal worden veroordeeld. Daarom zal een bedrag van € 261,55 worden toegewezen.
4.23.
Omdat de vordering van [eiser] gedeeltelijk wordt toegewezen en het beroep op verrekening door Real Estate Facility gedeeltelijk slaagt, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
In reconventie
4.24.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de vordering in reconventie worden afgewezen.
4.25.
Real Estate Facility is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiser] worden vastgesteld op € 87,00 (zijnde 2 punten × factor 0,5 × tarief € 87,00). Er wordt een factor 0,5 toegepast, omdat de vordering in reconventie voortvloeit uit de vordering in conventie.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt Real Estate Facility om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.743,65, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 21 april 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt Real Estate Facility om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 261,55 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.6.
wijst de vorderingen van Real Estate Facility af,
5.7.
veroordeelt Real Estate Facility in de proceskosten van € 87,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Real Estate Facility niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van Rijn en in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.