ECLI:NL:RBNHO:2026:5913

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
C/15/377068
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265e BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke gezagsbelasting aan gecertificeerde instelling voor schoolinschrijving minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (GI) om tijdelijk het gezag over een minderjarige te verkrijgen met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling. De minderjarige verblijft sinds februari 2024 bij zijn grootouders aan vaderszijde, waar hij ook zal opgroeien volgens een eerder perspectiefbesluit en een beschikking van de rechtbank.

De GI stelt dat een school in de buurt van de woonplek van de grootouders beter is voor de ontwikkeling en het welzijn van de minderjarige. De vader en grootouders steunen dit verzoek, terwijl de moeder bezwaar maakt omdat de minderjarige gewend is aan zijn huidige school en zij de reistijd voor het ophalen van de minderjarige aanzienlijk vindt toenemen. De minderjarige zelf heeft geen gebruik gemaakt van zijn spreekrecht tijdens de zitting.

De kinderrechter oordeelt dat het belang van de minderjarige voorop staat en dat het gezag met betrekking tot de schoolinschrijving aan de GI moet worden toegekend tot 4 juli 2026. Dit maakt het mogelijk om de inschrijving voor een nieuwe school na de zomervakantie te regelen. De beslissing wordt direct uitvoerbaar verklaard en het verzoek tot aparte aantekening in het gezagsregister wordt afgewezen omdat dit van rechtswege gebeurt.

Uitkomst: De kinderrechter kent tijdelijk het gezag over de minderjarige toe aan de gecertificeerde instelling voor de aanmelding bij een onderwijsinstelling tot 4 juli 2026.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/377068 / JU RK 26-613
Datum uitspraak: 12 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een gedeeltelijke gezagsbelasting
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclasseringte Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. P.G.M. Lodder uit Utrecht,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] ,
[de grootouder 1] en [de grootouder 2],
hierna te noemen: de grootouders vaderszijde (vz),
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 april 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder met haar advocaat;
- [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI;
- de grootmoeder (vz).
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] in de gelegenheid gesteld om zijn mening te geven. [de minderjarige] heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft sinds februari 2024 bij de grootouders (vz).
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 januari 2022 [de minderjarige]
onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling daarna telkens is verlengd en nu nog
voortduurt tot 13 januari 2027.
2.4.
Bij beschikking van 20 februari 2024 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige]
verleend in een netwerkpleeggezin, te weten bij de grootouders (vz), welke machtiging
daarna is verlengd en nu nog voortduurt tot 13 januari 2027.
2.5.
De GI heeft op 15 december 2025 een perspectiefbesluit genomen, inhoudende dat het opgroeiperspectief van [de minderjarige] niet bij de moeder ligt. Dit perspectiefbesluit is voorgelegd aan de rechtbank. Bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 13 februari 2026 heeft de rechtbank zich hierover uitgelaten. De rechtbank is het eens met de visie van de GI dat [de minderjarige] bij de grootouders (vz) zal moeten opgroeien tot hij volwassen is.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt te bepalen dat het gezag over [de minderjarige] wordt uitgeoefend door de GI met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Daarnaast verzoekt de GI te bevelen dat de gedeeltelijke gezagstoekenning aan de GI aangetekend zal worden in het gezagsregister.
3.2.
Als onderbouwing van het verzoek schrijft de GI het volgende.
[de minderjarige] verblijft inmiddels bijna twee jaar bij zijn grootouders (vz). Het gaat goed met hem en het lukt de grootouders goed om [de minderjarige] te begeleiden. Bij de laatste rechtbankzitting in 2026 is besloten dat [de minderjarige] zal opgroeien bij de grootouders (vz) in [plaats] . Dat betekent dat een school in de buurt van zijn woonplek beter is voor [de minderjarige] . Voor de grootouders is het (ook financieel) belastend om vijf dagen per week van [plaats] naar [plaats] te reizen. Daarnaast passeert [de minderjarige] tijdens de ritten van en naar school steeds het huis van zijn moeder. Dit brengt onrust voor [de minderjarige] met zich mee.
[de minderjarige] is op een leeftijd om naar voortgezet speciaal onderwijs te gaan. Een nieuwe school is beter voor hem vanwege de afstand, zijn ontwikkeling en de rust. Ook kan hij dan vrienden maken die bij hem in de buurt wonen en kan hij zelf naar school fietsen. De verwachting is dat er bij [de minderjarige] meer acceptatie is om bij de grootouders (vz) te wonen als hij bij hen in de buurt naar school gaat. De grootouders (vz) en de vader zijn het eens met aanmelding bij een onderwijsinstelling in [plaats] . De moeder is het niet eens.
3.3.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI hieraan toegevoegd dat de gedeeltelijke gezagstoekenning nodig is tot 4 juli 2026. De inschrijving voor een school met een start na de zomervakantie kan tot die datum gerealiseerd worden. [de minderjarige] heeft nog altijd de hoop dat hij bij de moeder kan wonen. Dit wordt versterkt door de dagelijkse ritten langs het huis van de moeder. Hij wil ook daarom nog op zijn huidige school in [plaats] blijven. Het openbaar vervoer is volgens de GI geen goed alternatief. Dit duurt ruim een uur en zal te veel prikkels opleveren voor [de minderjarige] . Ook leerling-vervoer wordt door de gemeente niet vergoed, omdat er een geschikte school in de buurt van de woning van [de minderjarige] is.

4.De standpunten

4.1.
De vader heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat hij toestemming geeft om [de minderjarige] in te schrijven op een school voor voortgezet speciaal onderwijs in [plaats] . De vader begrijpt dat [de minderjarige] een nieuwe school spannend vindt en heeft dit ook met hem besproken. De beoogde school biedt veel mogelijkheden. [de minderjarige] kan zich daar verder ontwikkelen.
4.2.
De moeder heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat zij geen toestemming geeft om [de minderjarige] in te schrijven op een andere school. Zij heeft met [de minderjarige] hierover gesproken. [de minderjarige] wil niet van school veranderen. Hij is gewend op zijn huidige school en hij kan er ook de komende jaren nog voortgezet onderwijs volgen. Ook kan hij zelfstandig met het openbaar vervoer naar [plaats] reizen. Mocht het verzoek worden toegewezen, dan zal dat voor de moeder betekenen dat haar reistijd om [de minderjarige] op te halen aanzienlijk zal toenemen.
Namens de moeder is verder naar voren gebracht dat de moeder in hoger beroep is gekomen van de beschikking van 13 februari 2026, waarin (onder andere) het perspectief is bepaald. De uitspraak in die procedure zal relevant zijn voor de huidige beslissing over de schoolinschrijving van [de minderjarige] . Daarnaast is er momenteel veel verwarring tussen de ouders en de huidige school over de mogelijke overstap naar het voortgezet onderwijs. De betrokkenen gaan daarover nog met elkaar in overleg.
4.3.
De grootmoeder (vz) heeft ter zitting naar voren gebracht dat de beoogde school in [plaats] 10 minuten fietsen is vanaf de woning. Momenteel rijden de grootouders bijna 500 km per week om [de minderjarige] van en naar school te brengen. De financiële vervoerslasten zijn te hoog voor de grootouders (vz) om hier nog mee door te gaan. Mocht [de minderjarige] op zijn huidige school blijven, dan kunnen de grootouders (vz) hem niet meer brengen en halen. Daarnaast heeft [de minderjarige] zich de afgelopen twee jaar zo goed ontwikkeld, dat hij een stap naar het voortgezet onderwijs kan maken. Desgevraagd heeft de grootmoeder (vz) verklaard dat het perspectiefbesluit nog niet met [de minderjarige] is besproken, omdat de mogelijkheid van hoger beroep nog open stond. De grootmoeder (vz) wil [de minderjarige] niet onnodig belasten met deze zaken.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat het noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling dat de GI tot 4 juli 2026 wordt belast met het gezag over [de minderjarige] met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling (artikel 1:265e Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat de overheveling van het gezag van de ouders naar de GI in dit geval gerechtvaardigd en in het belang van [de minderjarige] is.
[de minderjarige] zal, naar verwachting gedurende de komende jaren, opgroeien bij de grootouders (vz). Het feit dat de moeder in hoger beroep is gekomen van de beslissing van de rechtbank van 13 februari 2026, waarin onder andere het perspectief is bepaald, maakt dit niet anders. Het uitgangspunt is op dit moment dat [de minderjarige] zal opgroeien in [plaats] én dat hij op de leeftijd is gekomen om naar het voortgezet onderwijs te gaan. Dit betekent dat er een wisseling van school kan gaan plaatsvinden. Tijdens de zitting is gebleken dat [de minderjarige] zich de afgelopen twee jaar positief heeft ontwikkeld. Ook dit maakt een overstap naar het voortgezet onderwijs mogelijk.
Om [de minderjarige] de kans te bieden om ook in de toekomst eventueel zelfstandig naar school te kunnen laten gaan is het van belang dat hij naar een school in de directe omgeving van zijn woning gaat. Het door de moeder voorgestelde alternatief van openbaar vervoer, weegt naar het oordeel van de kinderrechter niet op tegen de mogelijkheid om zelf naar school te fietsen. Een langdurige reistijd met het openbaar vervoer kan ook voor een overprikkeling bij [de minderjarige] leiden en dat is niet in zijn belang. Ook acht de kinderrechter het van belang dat [de minderjarige] in staat wordt gesteld om een vriendenkring op te bouwen in de buurt van zijn woonplek.
Tot slot overweegt de kinderrechter dat de dagelijkse ritten langs het huis van de moeder het voor [de minderjarige] lastig maken om te accepteren dat hij niet bij de moeder kan wonen. Als [de minderjarige] naar een school in de buurt gaat zal dat naar verwachting meer acceptatie geven voor het opgroeien bij zijn grootouders, omdat hij dan ook niet dagelijks met de woonomgeving van zijn moeder geconfronteerd wordt.
De GI heeft daarom voldoende aangetoond dat de school waar [de minderjarige] aangemeld zou kunnen worden, aansluit bij datgene wat hij nodig heeft.
5.3.
De beslissing tot gedeeltelijke gezagstoekenning wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [1] Een apart verzoek daarvoor is niet nodig. Daarom wijst de kinderrechter dat deel van het verzoek af.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
belast de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering gevestigd te Amsterdam met het gezag over:
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling, tot 4 juli 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. ten Bos, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026, in aanwezigheid van mr. N. van Lede-Terhaar sive Droste als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld en getekend op 22 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.