ECLI:NL:RBNHO:2026:5812

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
C/15/377434
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing minderjarige wegens complexe problematiek

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige verblijft sinds juni 2025 in een woongroep van een jeugdhulpaanbieder vanwege ernstige sociaal-emotionele en gedragsproblemen. De moeder oefent het ouderlijk gezag uit, maar kan momenteel niet voldoen aan de opvoedbehoeften van de minderjarige.

Tijdens de zitting op 19 mei 2026 werd de mening van de minderjarige gehoord, die aangaf het fijn te hebben op de groep maar graag terug naar huis wil. De moeder erkent de noodzaak van de maatregelen, wenst echter een kortere verlenging van zes maanden. De kinderrechter oordeelt dat de verlenging van een jaar noodzakelijk is vanwege de kwetsbare ontwikkeling van de minderjarige, de nog lopende diagnostiek en het belang van continuïteit in begeleiding.

De kinderrechter benadrukt dat de plaatsing bij de huidige woongroep het beste is voor de minderjarige en beveelt de GI aan om mogelijkheden voor uitbreiding van het contact tussen moeder en kind te onderzoeken. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat deze direct geldt ook bij hoger beroep.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor één jaar en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/377434 / JU RK 26/657
Datum uitspraak: 19 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd in Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige],
geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. M.D. Balesar, kantoorhoudende in Heerhugowaard.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI;
  • de beschikking van de kinderrechter van 6 november 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026.
Op de zitting waren aanwezig.
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] uitgenodigd voor een gesprek om zijn mening over het verzoek van de GI kenbaar te maken. Dit gesprek heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De moeder, haar advocaat en de GI hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft sinds 10 juni 2025 bij de woongroep [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] in [plaats] . Hij verblijft op de groep [groep] .
2.3.
De kinderrechter heeft bij mondelinge beslissing van 25 februari 2025 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld. Bij beschikking van 23 mei 2025 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling definitief uitgesproken tot 23 mei 2026.
2.4.
Bij dezelfde mondelinge beslissing van 25 februari 2025 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Deze machtiging is daarna verlengd en duurt nu nog tot 23 mei 2026.

3.Het verzoek van de GI

3.1.
Aan de orde is het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van één jaar en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI heeft het verzoek schriftelijk en mondeling ter zitting als volgt toegelicht. Er zijn nog steeds zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling, emotieregulatie en het gedrag van [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft grote moeite in het contact met leeftijdsgenoten, doordat hij op een fysieke en grensoverschrijdende manier aansluiting zoekt, onvoldoende inzicht heeft in sociale en seksuele grenzen en hoe zijn gedrag op anderen overkomt. Zowel op school als op de woongroep moet [de minderjarige] gedrag voortdurend worden gecorrigeerd en uitgelegd. Binnen de woongroep [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] is sprake van 24-uurszorg, duidelijke structuur, nabijheid en consequente begeleiding. [de minderjarige] gedijt hier goed onder: hij is leerbaar, kan reflecteren op zijn gedrag en laat een positieve ontwikkeling zien. Deze ontwikkeling is echter kwetsbaar en alleen zichtbaar binnen een strak begeleid kader. Daarmee dreigt het risico dat [de minderjarige] zonder de huidige structuur, begeleiding en het toezicht terugvalt in grensoverschrijdend, gevaarlijk gedrag. Een terugplaatsing bij de moeder is daarom (nog) niet aan de orde. Zij kan op dit moment niet tegemoet komen aan de opvoedbehoeften van [de minderjarige] , zoals dat op de woongroep wordt gedaan. Bovendien is de ingezette diagnostiek van Bij Elkaar nog in de opstartfase, waardoor onduidelijk is wat [de minderjarige] nodig heeft in zijn ontwikkeling.

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
De moeder heeft op de zitting verteld dat zij veel onrust bij [de minderjarige] ziet, maar hem aanmoedigt om vol te blijven houden. Voor beiden is de situatie heel moeilijk, omdat zij het liefst zo snel mogelijk weer bij elkaar willen zijn. Dat zal niet vandaag of morgen zijn, maar de moeder verdient daarvoor wel een kans. Ze heeft de afgelopen periode hard aan zichzelf gewerkt en weet waar het gedrag van [de minderjarige] vandaan komt. Zij wil en kan de moeder zijn die [de minderjarige] verdient.
4.2.
Hieraan is door de advocaat van de moeder toegevoegd dat de moeder zich kan vinden in de ondertoezichtstelling. Zij begrijpt dat de maatregel nu nog nodig is en ervaart de hulpverlening als prettig. Ook staat de moeder achter de uithuisplaatsing, maar slechts voor de duur van zes maanden. In die periode moet duidelijk zijn wat [de minderjarige] nodig heeft. Bovendien houdt de kinderrechter zodoende een vinger aan de pols in het proces tot het uitbreiden van de omgang, zoals [de minderjarige] en de moeder wensen.

5.De mening van [de minderjarige]

heeft de kinderrechter verteld dat hij het fijn heeft op de groep. Zij grootste wens blijft echter terug naar huis, naar zijn moeder. Als [de minderjarige] niet terug naar huis kan, dan wil hij op de huidige groep blijven wonen. Verhuizen ziet hij niet zitten, omdat hij zijn spullen dan in een kleinere kamer moet proppen. Ook heeft hij al goede stappen op de woongroep gemaakt. [de minderjarige] heeft de kinderrechter verder verteld dat hij de moeder vaker en langer wil zien, bijvoorbeeld door in de weekenden en doordeweeks op verlof bij de moeder te mogen.

6.De beoordeling door de kinderrechter

6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [2] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.2.
Bij [de minderjarige] is sprake van complexe problematiek, waardoor zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. [de minderjarige] is impulsief, kwetsbaar voor de invloeden van anderen, worstelt met het reguleren van zijn emoties en heeft moeite met het herkennen en respecteren van grenzen. [de minderjarige] is voor zijn dagelijks functioneren sterk afhankelijk van intensieve aansturing en begeleiding. Zonder herhaling, nabijheid en directe sturing voert [de minderjarige] zijn zelfzorg onvoldoende uit en dreigt het risico dat hij terugvalt in grensoverschrijdend, (fysiek) gevaarlijk gedrag. Vanwege het nog uitblijven van (pyscho)diagnostisch onderzoek is op dit moment onvoldoende duidelijkheid over de onderliggende problematiek van [de minderjarige] , wat hij op de langere termijn nodig heeft en of de moeder in staat is in deze behoeften te voorzien.
6.3.
Wel is duidelijk dat het blijvende inzet, structuur en intensieve begeleiding vergt om [de minderjarige] gedrag te begrenzen, situaties te begeleiden en de veiligheid te waarborgen. Op dit moment biedt de woongroep [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] [de minderjarige] wat hij nodig heeft. De kinderrechter vindt het daarom in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat hij in ieder geval het komende jaar bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] blijft. De kinderrechter ziet geen aanleiding om de machtiging voor kortere duur af te geven zoals verzocht door de advocaat van de moeder. Niet alleen omdat het aankomende jaar nodig zal zijn voor het afronden van het diagnostisch onderzoek van Bij Elkaar en het perspectiefonderzoek van William Schrikker Gezinsvormen, maar ook omdat het afronden van deze onderzoeken niet per definitie betekent dat [de minderjarige] terug naar huis kan. Als duidelijk is wat [de minderjarige] nodig heeft om een gezonde, goede functionerende volwassene te worden, moet worden bekeken wat het meest passend is voor de toekomst. Ook daar is tijd voor nodig.
6.4.
De kinderrechter hecht er waarde aan het volgende over de tenuitvoerlegging van de machtiging tot uithuisplaatsing en de omgang tussen [de minderjarige] en de moeder op te merken. De kinderrechter kan niet beslissing waar een machtiging tot uithuisplaatsing ten uitvoer wordt gelegd, maar benadrukt wel dat het continueren van de plaatsing bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] het meest in het belang van [de minderjarige] is. Duidelijk is geworden dat [de minderjarige] op de groep de intensieve begeleiding en herhaling krijgt die hij nodig heeft. Hierdoor laat hij een kwetsbare, maar positieve ontwikkeling zien. Dat moet worden gewaarborgd. Verder is duidelijk geworden dat de moeder en [de minderjarige] behoefte hebben aan meer contact en omgang met elkaar. Naast de belmomenten meerdere keren per week, is sprake van vier uur begeleide omgang per week. Dat dit door [de minderjarige] en de moeder als onvoldoende wordt ervaren, begrijpt de kinderrechter. Vooral ook omdat dit al anderhalf jaar de situatie is. De kinderrechter geeft de GI daarom in overweging om (voor zover mogelijk en nadat het diagnostisch onderzoek heeft plaatsgevonden) de aankomende periode te onderzoeken welke mogelijkheden bestaan voor het uitbreiden van de omgang, in duur en/of naar onbegeleide vorm.
6.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dit betekent dat de beslissing direct geldt, ook als de moeder of de GI in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van
[de minderjarige], met ingang van 23 mei 2026 tot 23 mei 2027;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige]in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met ingang van 23 mei 2026 tot 23 mei 2027;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. C.E. Voskens, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.N. Inge als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beslissing is vastgelegd op 21 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.