ECLI:NL:RBNHO:2026:5738

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
11959433 BM VERZ 25-2471
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:449 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing bewind wegens onvoldoende zelfredzaamheid

Betrokkene verzocht om opheffing van het bij beschikking van 12 mei 2015 ingestelde bewind over haar goederen, stellende dat haar financiële en persoonlijke situatie wezenlijk is verbeterd en zij haar financiën verantwoord kan beheren. Zij wilde zich na opheffing aanmelden voor budgetbeheer en coaching bij de gemeente Den Helder.

De bewindvoerder stond niet achter het verzoek en voerde aan dat betrokkene niet in staat is haar financiën zelfstandig te regelen vanwege een hoge drang om geld uit te geven, ontevredenheid over het spaargedrag en het uitblijven van een zelfredzaamheidstraject. De kantonrechter nam kennis van het verzoek, het verweer, reacties en de mondelinge behandeling.

Op grond van artikel 1:449 lid 2 BW Pro kan het bewind worden opgeheven indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat. De kantonrechter oordeelde dat de gronden voor het bewind nog steeds aanwezig zijn, dat betrokkene onvoldoende zelfredzaam is, en dat de vrijblijvende hulp van een budgetcoach onvoldoende bescherming biedt. Het risico op terugval in schulden is groot gezien het vermogen van €2.200 en het feit dat betrokkene elf jaar geen financiële zaken zelfstandig heeft geregeld.

De kantonrechter stelde dat betrokkene eerst moet aantonen dat zij kan sparen en een zelfredzaamheidstraject succesvol kan doorlopen alvorens het bewind kan worden opgeheven. Gezien de stukken en verklaringen werd het verzoek afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het bewind wordt afgewezen wegens onvoldoende zelfredzaamheid van betrokkene.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknummer: 11959433 BM VERZ 25-2471 sc
Uitspraakdatum: 20 mei 2026

Beschikking van de kantonrechter

op verzoek van:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
[adres],
hierna ook te noemen: verzoeker,
van wie de bewindvoerder is:
FMD Financiële en Maatschappelijke Dienstverlening B.V.,
gevestigd te Hoorn;
hierna ook te noemen: bewindvoerder.

procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
  • het verzoek, ontvangen op 4 november 2025;
  • het verweer met bijlagen van de bewindvoerder, ontvangen op 28 november 2025;
  • de reactie met bijlage van verzoeker op het verweer, ontvangen op 19 januari 2026;
  • de brief van de bewindvoerder, ontvangen op 19 februari 2026;
  • de mail van verzoeker van 17 maart 2026.
Het verzoek is mondeling behandeld op 4 mei 2026.

beoordeling

Het verzoek strekt tot opheffing van het bij beschikking van 12 mei 2015 ingestelde bewind over de goederen die aan verzoeker (zullen) toebehoren.
Verzoeker stelt dat bewind niet meer nodig is door een wezenlijke verbetering in haar financiële en persoonlijke situatie. Zij stelt dat zij sinds de instelling van het bewind heeft gewerkt aan het stabiliseren van en het verkrijgen van meer inzicht in haar financiële situatie. Zij is van mening dat zij verantwoord kan sparen en in staat is om haar financiën zelf te regelen. Na opheffing van het bewind wil zij zich aanmelden bij de gemeente Den Helder voor budgetbeheer en coaching.
De bewindvoerder staat niet achter het verzoek. De bewindvoerder voert aan dat zij verzoeker niet in staat acht zelf haar financiën te regelen omdat zij in overvloed extra geld vraagt. Sinds de bewindvoerder meer spaart en dus niet meer zoveel extra geld naar verzoeker overmaakt, is verzoeker ontevreden. Dit uit zich in lelijke e-mails met bedreigingen. Dat is des te opvallender omdat verzoeker het ermee eens was om te gaan sparen. De bewindvoerder verwacht dat verzoeker opnieuw in een schuldensituatie terechtkomt, omdat de drang om geld uit te geven heel hoog is. Gezien het uitgavenpatroon heeft de bewindvoerder er onvoldoende vertrouwen in dat verzoeker een zelfredzaamheidstraject bij de gemeente Den Helder met goed gevolg kan doorlopen.
Ingevolge artikel 1:449 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter, indien de noodzaak daartoe niet meer bestaat of voortzetting van het bewind niet zinvol is gebleken, het bewind opheffen.
De kantonrechter is van oordeel dat de gronden van het bewind nog altijd bestaan. De kantonrechter is er niet van overtuigd dat verzoeker zelf haar financiële zaken kan behartigen. De kantonrechter wil aannemen dat verzoeker na beëindiging van het bewind hulp krijgt van een budgetcoach, maar de kantonrechter heeft op dit moment geen aanknopingspunten om aan te nemen dat dit goed zal gaan en genoeg bescherming en ondersteuning zal bieden. Redengevend hiervoor is dat verzoeker de afspraak heeft gemaakt met de bewindvoerder om te sparen maar dat dat niet lukt en dat verzoeker weigert om een zelfredzaamheidstraject te volgen. De kantonrechter is van oordeel dat de vrijblijvende hulp van een budgetcoach onvoldoende zal zijn voor verzoeker en de kantonrechter acht het risico dat verzoeker opnieuw in een schuldensituatie terechtkomt groot, gezien de huidige stand van het vermogen van € 2.200,00 en gezien het feit dat verzoeker dan veel financiële zaken zelf zal moeten gaan regelen, hetgeen zij al elf jaar niet heeft gedaan. Als verzoeker serieus opheffing van het bewind wil bereiken, zal zij allereerst moeten laten zien dat ze in staat is om te sparen en daarna bovendien een zelfredzaamheidstraject met succes moeten doorlopen.
Gelet op de stukken en de afgelegde verklaringen is de kantonrechter aldus van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat verzoeker in staat is om haar financiële belangen zelf te behartigen. De kantonrechter zal het verzoek tot opheffing van het bewind afwijzen.

beslissing

De kantonrechter wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.E. Merkus, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter