Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:5736

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
C/15/376051
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot medewerking verkoop woning en verdeling gemeenschappelijk vermogen na beëindiging samenleving

Partijen, die een samenlevingsovereenkomst hadden en gezamenlijk eigenaar zijn van een woning, zijn uit elkaar gegaan. De vrouw vordert in kort geding dat de man meewerkt aan de verkoop van de woning, zijn aandeel in de eigenaarslasten betaalt, afstandsverklaring rentevoordeel ondertekent en openheid geeft over goud en zilver in de woning.

De man weigert medewerking aan verkoop en betaling, stelt dat verkoop niet in belang van de kinderen is en vordert uitstel van levering tot 1 december 2029. De rechtbank oordeelt dat de vrouw een spoedeisend belang heeft, de man verplicht is mee te werken aan verkoop conform de samenlevingsovereenkomst en dat de belangen van de vrouw zwaarder wegen.

De rechtbank bepaalt dat de woning uiterlijk 1 november 2026 geleverd wordt, de man zijn helft van de eigenaarslasten vanaf 1 april 2026 moet betalen, met verrekening bij levering. De man moet meewerken aan ondertekening afstandsverklaring rentevoordeel, en openheid geven over goud en zilver, dat in bewaring wordt gegeven. Proceskosten worden gecompenseerd en dwangsommen opgelegd bij niet-nakoming.

Uitkomst: Man wordt veroordeeld tot medewerking verkoop woning, betaling helft eigenaarslasten vanaf 1 april 2026, medewerking hypotheekformaliteiten en inventarisatie goud en zilver, met levering uiterlijk 1 november 2026.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/376051 / KG ZA 26-147
Vonnis in kort geding van 22 mei 2026
in de zaak van
[de vrouw],
te [plaats],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A.E. Muller,
tegen
[de man],
te [plaats],
gedaagde partij in conventie,
eiser in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. R. Croes-Bleijendaal.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 19
- de aanvullende producties 20 tot en met 22 van de vrouw
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 3
- de mondelinge behandeling van 8 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van de vrouw.
1.2.
Voor de mondelinge behandeling op 8 mei 2026 zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door mr. Muller voornoemd en de man, bijgestaan door mr. Croes voornoemd.
1.3.
Tenslotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad en een gezamenlijke huishouding gevoerd.
2.2.
Partijen hebben op 11 maart 2005 een samenlevingsovereenkomst gesloten. Deze overeenkomst houdt onder meer het volgende in:
Eigen vermogen
Artikel 1
1. Tussen partijen bestaat geen gemeenschap van goederen, behoudens de mogelijkheid van het verkrijgen van goederen in mede-eigendom ten gevolge van koop, schenking, erfrecht, gezamenlijke aankoop en dergelijke.
(…)
De normale consumptieve en de niet-consumptieve uitgaven
Artikel 4
(…)
2. Tot de normale consumptieve uitgaven worden gerekend:
de kosten van voeding, vakantie, medische verzorging, kosten van door beiden gebruikte vervoermiddelen, de huurtermijnen van de door de partijen bewoonde woning, de onroerende zaak belasting (gebruikersgedeelte) en andere heffingen ter zake van het gebruik van de door de partijen bewoonde woning, de uitgaven terzake van normaal onderhoud en verzekering van dit registergoed met toebehoren, de rente van geldleningen, aangegaan ter financiering van de door de partijen bewoonde woning en van zaken, aangeschaft voor de gemeenschappelijke huishouding, kortom alle min of meer consumptieve uitgaven welke passen in het leefpatroon en de maatschappelijke positie van de partijen.
3. Onder de normale consumptieve uitgaven worden niet begrepen de niet consumptieve uitgaven als:
a. aflossingen van schulden van één der partijen;
(…)
5. In geval een der partijen geen inkomsten uit arbeid geniet, komen de normale consumptieve uitgaven volledig ten laste van degene die wel inkomsten uit arbeid geniet. In dit geval gaan partijen er van uit, dat degene die geen inkomsten uit arbeid geniet, voldoende bijdrage aan het voeren der huishouding levert door het verrichten van huishoudelijke en verzorgende arbeid.
Beëindiging samenlevingsovereenkomst
Artikel 5
1. Deze overeenkomst wordt geacht te zijn ontbonden doordat de gemeenschappelijke huishouding van partijen eindigt (…)
Vervreemding aandeel register goed
Artikel 8
Ingeval partijen (tijdens de samenwoning of na beëindiging van de samenwoning) een woning in gemeenschappelijke eigendom bezitten, geldt het volgende (…)
Indien één der partijen zijn onverdeeld aandeel in het registergoed wil vervreemden, is hij verplicht de wederpartij hiervan bij aangetekend schrijven of deurwaardersexploot kennis te geven en aan de wederpartij zijn onverdeeld aandeel ter overname aan te bieden.
De wederpartij is verplicht om binnen één maand na ontvangst van vorenbedoelde kennisgeving aan de aanbiedende partij bij aangetekend schrijven of deurwaardersexploot mede te delen of hij het aangeboden aandeel in eigendom over zal nemen (…)
e. Indien de wederpartij van de aanbieder (…) te kennen heeft gegeven het aangeboden aandeel niet over te willen nemen (…) is de wederpartij van de aanbieder verplicht op eerste aanmaning van de aanbieder mede te werken aan de verkoop van het gehele registergoed en dient hij de bij hem in gebruik zijnde gedeelten (…) geheel ontruimd ter beschikking te stellen, uiterlijk op de dag van transport, welke ontruiming zonodig bewerkstelligd kan worden met behulp van de tenuitvoerlegging van de grosse van deze akte.
2.3.
De relatie is op 11 september 2025 geëindigd. De vrouw heeft op 9 november 2025 de gezamenlijke woning verlaten. Op 24 januari 2026 heeft zij schriftelijk de samenlevingsovereenkomst opgezegd.
2.4.
Uit de relatie tussen partijen zijn drie, thans nog minderjarige, kinderen geboren, te weten:
  • [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2012
  • [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2014
  • [minderjarige 3], eveneens geboren op [geboortedatum 2] 2014.
Partijen hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen.
2.5.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats] (hierna: de woning).
2.6.
Bij brief van 23 januari 2026 heeft de advocaat van de vrouw de man meegedeeld dat partijen moeten komen tot afwikkeling van de gevolgen van het beëindigen van hun relatie en dat de vrouw wenst over te gaan tot verkoop van de woning.
2.7.
De man is tot op heden niet bereid mee te werken aan verkoop van de woning.

3.Het geschil en de standpunten van partijen

in conventie en in reconventie
3.1.
De vrouw vordert in conventie – verkort weergegeven - dat de voorzieningenrechter de man veroordeelt om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan verkoop van de woning in de ruimste zin door, in ieder geval, doch niet uitsluitend:
- het aanwijzen van een NVM makelaar in deze regio als verkopend makelaar,
- het toelaten van de aangewezen makelaar in de woning,
- het vaststellen van een vraag- en laatprijs in overleg met de makelaar, waarbij het advies
van de makelaar leidend zal zijn,
- het verkoopklaar maken van de woning, waarbij het advies van de makelaar wordt gevolgd
en de kosten van het verkoopklaar maken bij helfte worden gedeeld,
- het toestaan van ‘te koop’ borden in de tuin dan wel op de ramen van de woning en deze
te laten staan c.q. hangen,
- het toelaten van de makelaar en potentiële kopers c.q. bezichtigingen in de woning,
waarbij de woning schoon en netjes wordt achtergelaten door de man,
op straffe van verbeurte van een dwangsom als de man daarmee in gebreke blijft en met indeplaatsstelling van dit vonnis als de man weigert om zijn medewerking te verlenen aan verkoop en levering van de woning.
3.2.
Daarnaast vordert de vrouw veroordeling van de man binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan haar de volledige eigenaarslasten verbonden aan zijn gebruik van de woning per 1 april 2026 tot aan datum notariële overdracht van de woning aan een derde/derden te voldoen en te bepalen dat hij aan haar vrouw na verkoop van de woning eerst een bedrag van € 25.000,- moet voldoen en dat partijen na verkoop van de woning uit de netto-verkoopopbrengst de openstaande schulden aan de ouders van partijen over-en-weer moeten aflossen.
3.3.
Verder vordert de vrouw veroordeling van de man om ten behoeve van haar zijn medewerking te verlenen aan het afsluiten van een overbruggingskrediet op de woning ter hoogte van € 350.000,- onder marktconforme voorwaarden zoals nader te bepalen door de geldverstrekker, met indeplaatsstelling van het vonnis voor zover de man die medewerking weigert en veroordeling van de man om ten behoeve van de vrouw de afstandsverklaring NIBC te ondertekenen, zodat de vrouw toestemming krijgt voor het meenemen van de rente van de “oude” geldlening, eveneens met indeplaatsstelling van het vonnis voor de benodigde handtekening van de man.
3.4.
Tenslotte vordert de vrouw veroordeling van de man om volledige openheid te geven over de aanwezigheid van en locatie van het goud en zilver dat zich in de woning bevindt en om zijn medewerking te verlenen aan een gezamenlijke inventarisatie van het aanwezige goud en zilver, in aanwezigheid van een door partijen aan te wijzen notaris, waarna het aangetroffen goud en zilver in gerechtelijke bewaring wordt gegeven bij een notaris totdat in een bodemprocedure de verdeling daarvan zal zijn vastgesteld, met een verbod aan de man om in de tussenliggende periode het goud en zilver te vervreemden, te bezwaren, te verplaatsen of aan het verhaal van de vrouw te onttrekken, op straffe van een dwangsom.
3.5.
Zij vordert daarbij veroordeling van de man tot betaling van de integrale proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente en op straffe van een direct opeisbare en niet voor matiging vatbare dwangsom ad € 250 per overtreding per dag, waarbij het eerste contact dient plaats te vinden het eerste weekend na betekening van het in deze te wijzen vonnis.
3.6.
De vrouw legt aan haar vorderingen ten grondslag dat partijen de gevolgen van het beëindigen van hun relatie moeten afwikkelen, maar dat de man ondanks herhaald verzoek weigert zijn medewerking daaraan te verlenen. Zij benadrukt dat zij, naast de woonlasten van haar nieuwe, tijdelijke woonruimte, alle vaste lasten voor de woning en voor de kinderen is blijven dragen, hoewel zij ten opzichte van de man geen onderhoudsverplichting heeft. Zij voert daarbij aan dat zij dit doet omdat zij bang is dat als de man zijn aandeel niet tijdig betaalt er een BKR-registratie op naam van partijen zal ontstaan, waardoor haar mogelijkheden om een andere woning te kunnen kopen zullen afnemen. Zij wijst erop dat zij (nagenoeg) geen financiële reserves meer heeft en dat zij onlangs geld heeft moeten lenen om de belastingaanslag over 2024 af te lossen.
3.7.
De man voert verweer. Hij betwist dat de vrouw spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen tot verkoop van de woning. Hij stelt dat verkoop van de woning op dit moment niet in het belang van de kinderen kan worden geacht, maar dat zij er het meest bij gebaat zijn als er voorlopig geen veranderingen doorgevoerd worden. Hij wijst erop dat partijen er na de geboorte van de tweeling samen voor gekozen hebben dat hij hoofdverzorger van de kinderen zou zijn, als gevolg waarvan hij nu zelf geen inkomen heeft, waardoor hij nu langer de tijd nodig heeft om vervangende woonruimte te vinden voor hemzelf en de kinderen in de buurt van de school van de kinderen. De man betwist dat hij gehouden is om € 25.000,- aan de vrouw te vergoeden en doet daarbij ook een beroep op verjaring van het vorderingsrecht van de vrouw omdat de aflossing al is gedaan in 2014.
Over de gevorderde eigenaarslasten voor de woning voert hij aan dat de vrouw deze lasten zou moeten blijven dragen zoals partijen overeengekomen waren in artikel 4 lid 5 van Pro de samenlevingsovereenkomst. Daarbij verklaart hij dat de overeenkomst weliswaar is geëindigd maar dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid meebrengt dat de vrouw deze lasten blijft dragen omdat hij geen inkomsten heeft. Verder benadrukt hij dat hij niet bereid is om de afstandsverklaring te tekenen van NIBC ten gunste van de vrouw en stelt zelf aanspraak te willen maken op de gunstigere rentevoorwaarden uit de huidige hypotheek en dat hij daarbij een groter belang heeft dan de vrouw, omdat hij (nog) geen inkomen heeft en hoofdverzorger is van de kinderen.
3.8.
Voor het geval de voorzieningenrechter toch overgaat tot toewijzing van de vorderingen van de vrouw tot verkoop van de woning, vordert de man in reconventie dat wordt bepaald dat de woning niet voor 1 december 2029 geleverd zal worden en dat de overwaarde bij de notaris in depot moet blijven in afwachting van de uitkomst van een nog aanhangig te maken bodemprocedure dan wel totdat partijen overeenstemming hebben bereikt over de verdeling van die opbrengst. In dat verband stelt hij dat hij aanspraak kan maken op vergoedingsrechten ten opzichte van de vrouw tot een bedrag van circa € 500.000,- in verband met de verbouwing van de woning.
Voor het geval de voorzieningenrechter hem zal veroordelen om mee te werken aan vestiging van een overbruggingskrediet ten gunste van de vrouw, vordert hij dat zij wordt veroordeeld het overbruggingskrediet af te lossen uit haar aandeel in de verkoopopbrengst van de woning en als die opbrengst niet toereikend is uit haar eigen middelen. Tenslotte vordert hij voor het geval hij wordt veroordeeld om eigenaarslasten van de woning te betalen, dat de vrouw wordt veroordeeld om alle aan de woning verbonden lasten te blijven voldoen tot de levering van de woning aan een derde en dat wordt bepaald dat hij zijn aandeel in die lasten mag verrekenen met de vrouw bij de verdeling van de verkoopopbrengst van de woning.
3.9.
De vrouw heeft nadrukkelijk bezwaar gemaakt tegen de vordering tot het uitstellen van de levering van de woning tot 1 december 2029. Daarbij verklaart zij dat zij waarschijnlijk al per 1 augustus aanstaande uit haar huidige huurwoning moet en dat zij het geld uit de verkoop nodig heeft voor de aankoop van andere passende woonruimte.
3.10.
Op de stellingen van partijen wordt voor zover relevant hierna nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en reconventie
Spoedeisend belang
4.1.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat de vrouw daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
4.2.
De hoofdvordering heeft betrekking op meewerken aan verkoop van de woning. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vrouw voldoende aannemelijk gemaakt heeft dat zij spoedeisend belang heeft. De vrouw betaalt op dit moment en al geruime tijd alle woonlasten verbonden aan de woning, naast haar eigen woonlasten, als gevolg waarvan zij nagenoeg geen financiële reserves meer heeft.
De vorderingen van de man in (voorwaardelijke) reconventie hangen zo nauw samen met de vorderingen van de vrouw dat voldoende aannemelijk is dat ook hij voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen.
Meewerken aan verkoop van de woning
4.3.
Het verweer van de man dat hij tenminste één jaar nodig heeft voordat de woning in de verkoop gaat, omdat hij zijn leven moet omgooien, werk en vervangende woonruimte moet zoeken en dat daarom van hem op dit moment niet gevergd kan worden dat hij meewerkt aan verkoop van de woning, gaat niet op.
4.4.
In artikel 8 van Pro hun samenlevingsovereenkomst hadden partijen afspraken gemaakt over hoe om te gaan met gezamenlijk onroerend goed na het beëindigen van de samenleving. De vrouw heeft de man op 23 januari 2026 laten weten dat zij de woning wenst te verkopen. De man heeft geen inkomen en heeft ter zitting verklaard dat hij de woning niet aan zich kan laten toedelen. Uit artikel 8 onder Pro e van de samenlevingsovereenkomst volgt dat de man verplicht is op eerste aanmaning van de vrouw mee te werken aan de verkoop van de woning. Dat er na het sluiten van de samenlevingsovereenkomst kinderen geboren zijn maakt dit niet anders. Dit betekent dat de woning verkocht moet worden. De vorderingen van de vrouw om de man te veroordelen daaraan zijn medewerking te verlenen ( in de ruimste zin des woords) zijn dan ook toewijsbaar.
4.5.
Dit betekent dat de voorwaarde waaronder de man zijn vordering om te bepalen dat de levering van de woning niet eerder zal plaatsvinden dan 1 december 2029 heeft ingesteld, is vervuld. Zoals hiervoor al is beslist gaat het verweer van de man dat hij voorafgaande aan verkoop tenminste een jaar nodig heeft om zijn leven om te gooien niet opgaat. De man heeft gesteld dat hij hoofdverzorger van de kinderen is, zodat hij slechts beperkt kan werken en dat daar rekening mee moet worden gehouden, maar de vrouw heeft verklaard dat zij ook enkele dagen per week de zorg voor de kinderen heeft en dat het, gelet op hun leeftijd, voor de kinderen niet langer nodig is dat er de hele dag iemand thuis is.
4.6.
De voorzieningenrechter overweegt dat de kinderen inmiddels 13 en 11 jaar oud zijn en dat vanaf september ook de jongste kinderen naar het voortgezet onderwijs zullen gaan. In die fase van het leven van kinderen is het normaal gesproken niet langer noodzakelijk dat er de hele dag iemand thuis is om voor hen te zorgen. De vrouw heeft verklaard dat dit ook in dit geval opgaat en de man heeft daar tegenover geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit het tegendeel blijkt. Dit betekent dat de man niet belemmerd wordt bij het zoeken van een baan door de zorg voor de kinderen. Daarbij wordt ook meegewogen dat de man al tenminste een half jaar weet dat de relatie is geëindigd en dat hij een baan zal moeten zoeken. Ook weet hij al een half jaar dat de woning verkocht zal moeten gaan worden, omdat geen van partijen de woning aan zich kan laten toedelen en dat hij dus op zoek moet naar vervangende woonruimte. Tot nu toe heeft de man in dat verband echter nog helemaal niets ondernomen, terwijl hij in die periode ook niets heeft bijgedragen aan de woonlasten van de door hem bewoonde woning. Bij die stand van zaken wordt geoordeeld dat van de vrouw niet gevergd kan worden dat zij de volledige financiële last langer blijft dragen dan strikt noodzakelijk en dat haar belang bij een spoedige verkoop van de woning zwaarder moet wegen dan het belang van de man bij verder uitstel van de verkoop en levering. Wel zal de man nog enige tijd worden gegund voor het zoeken naar vervangende woonruimte en zal bepaald worden dat de levering van de woning niet eerder zal plaatsvinden dan per 1 november 2026 of zoveel eerder als partijen in onderling overleg overeen zullen komen.
4.7.
De vordering van de man om te bepalen dat de netto-verkoopopbrengst van de woning bij de notaris in depot moet worden gehouden in afwachting van de uitkomst van een nog aanhangig te maken bodemprocedure dan wel totdat partijen overeenstemming hebben bereikt over de verdeling daarvan, wordt ook afgewezen. De man heeft gesteld aanspraak te kunnen maken op vergoedingsrechten tot een bedrag van circa € 500.000,- in verband met de verbouwing van de woning. De vrouw heeft dit betwist en de man heeft deze vordering, anders dan met een door hemzelf opgesteld overzicht, niet met bewijsstukken onderbouwd. Daarom wordt voorshands geoordeeld dat hij het bestaan van zijn vordering onvoldoende aannemelijk gemaakt heeft. Dit betekent dat niet met voldoende zekerheid aannemelijk is geworden dat de bodemrechter deze vordering van de man zal toewijzen en dat er daarom aanleiding bestaat om de opbrengst voorlopig in depot te laten bij de notaris.
4.8.
De vrouw heeft gevorderd dat haar vorderingen tot meewerken aan verkoop en levering van de woning worden toegewezen op straffe van een dwangsom voor het geval de man niet aan de veroordeling voldoet en met indeplaatsstelling van het vonnis voor de voor verkoop en levering benodigde machtiging van de man.
Deze vorderingen worden, gelet op de houding van de man ter zitting, als prikkel tot nakomen, toegewezen op de wijze als onder de beslissing wordt vermeld.
Eigenaarslasten woning
4.9.
Vooropgesteld wordt dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van de woning, ieder voor de helft en daarom allebei (hoofdelijk) draagplichtig zijn voor de (eigenaars)lasten verbonden aan de woning. De afspraak die partijen over die onderlinge draagplicht hadden tijdens de relatie, namelijk dat als een van partijen geen inkomen de andere partij alle lasten moet dragen, geldt niet langer, omdat het samenlevingscontract is opgezegd. De man moet nu zijn aandeel in de eigenaarslasten zelf dragen. Dit klemt temeer omdat partijen niet gehuwd waren en geen geregistreerd partners waren en voor de vrouw daarom geen wettelijke onderhoudsplicht bestaat ten opzichte van de man. Partijen zijn echter hoofdelijk aansprakelijk voor het betalen van deze eigenaarslasten ten opzichte van derden (hypotheekverstrekker, gemeente, verzekeraar enz.) en dit betekent dat de man zijn aandeel in deze kosten in beginsel niet bevrijdend kan betalen aan de vrouw. De vrouw heeft eventueel pas een vordering op de man, voorzover zij meer dan haar eigen aandeel in die lasten heeft betaald. Omdat de man op dit moment geen inkomen heeft is voldoende aannemelijk dat de vrouw de volledige eigenaarslasten verschuldigd vanaf 1 april 2026 volledig heeft voldaan en uit dien hoofde een vordering heeft op de man. Dit geldt echter niet voor de eigenaarslasten die partijen nog in de toekomst verschuldigd worden aan derden.
4.10.
De toelichting van de vrouw dat zij alle kosten verbonden aan de woning tot nu toe is blijven betalen uit angst voor het ontstaan van een BKR registratie, die gevolgen voor haar zou hebben bij het zoeken van vervangende woonruimte, komt de voorzieningenrechter niet onbegrijpelijk voor. Ter zitting hebben partijen in het kader van het onderzoeken van een mogelijke regeling onder meer gesproken over het verrekenen van het aandeel van de man in de eigenaarslasten bij de levering van de woning. De vrouw stond daar niet negatief tegenover. Bij die regeling zou de vrouw de eigenaarslasten volledig blijven dragen totdat de woning wordt geleverd aan een derde, waarna het aandeel van de man in die kosten bij de levering met haar zal worden verrekend. In die situatie zal de vrouw telkens meer dan haar aandeel in die lasten voldoen en uit dien hoofde in zoverre een vorderingsrecht krijgen op de man. De voorzieningenrechter beschouwt dit als het mindere dat in het meerdere van de vordering van de vrouw besloten ligt. Hij zal haar vordering over de bijdrageplicht van de man vanaf 1 april 2026 toewijzen, evenals ook de vordering van de man om te bepalen dat hij zijn aandeel in de eigenaarslasten met de vrouw mag verrekenen bij de levering van de woning aan een derde, een en ander op de wijze zoals onder de beslissing wordt vermeld.
Vordering tot verrekenen € 25.000,-
4.11.
Over de vordering van de vrouw om de man te veroordelen uit de verkoopopbrengst een bedrag van € 25.000,- aan haar te betalen overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Deze vordering betreft een geldvordering in kort geding, die in deze procedure alleen toewijsbaar is als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk geworden zijn en daarnaast sprake is van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is, terwijl in de afweging van belangen van partijen mede betrokken moet worden het risico van onmogelijkheid tot terugbetaling. Het meest verstrekkende verweer van de man is dat het vorderingsrecht van de vrouw met betrekking tot dit bedrag is verjaard. Er zijn geen stukken overgelegd op basis waarvan kan worden geoordeeld dat dit verweer niet opgaat. Om te kunnen vaststellen of de vordering nog toewijsbaar is, moet nader feitenonderzoek en/of nadere bewijsvoering plaatsvinden. Voor dergelijk aanvullend onderzoek leent een kortgedingprocedure zich naar haar aard niet. Dit betekent dat het bestaan van de vordering niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld en dat deze vordering in deze kortgedingprocedure wordt afgewezen.
Aflossen schulden aan ouders partijen
4.12.
De vordering van de vrouw om te bepalen dat partijen na verkoop van de woning
uit de verkoopopbrengst, na aftrek van de hypothecaire geldlening, de openstaande schulden aan de ouders van partijen over-en-weer dienen af te lossen, zal worden toegewezen. De man heeft het bestaan van de schulden erkend en zelf ook beaamd dat deze eerst moeten worden afgelost.
Overbruggingskrediet
4.13.
Over de vordering van de vrouw om de man te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan het ten behoeve van haar vestigen van een overbruggingskrediet op de woning, zodat zij de aankoop van vervangende woonruimte kan financieren, wordt het volgende overwogen.
De man heeft onder meer aangevoerd dat deze vordering van de vrouw enige grondslag ontbeert. Het afsluiten van een overbruggingskrediet staat ter vrije bepaling van partijen. De man handelt niet onrechtmatig door hieraan niet te willen meewerken. Het vestigen van een extra hypotheekrecht voor het overbruggingskrediet op de woning vormt voor hem een te groot risico. Dit verweer slaagt. De man is niet gehouden mee te werken aan het vestigen van een extra zekerheidsrecht ten behoeve van de financier van de vrouw; zij heeft daartoe geen deugdelijke rechtsgrond aangevoerd. Deze vordering wordt daarom afgewezen. De woning valt voorts in het hogere segment, waardoor het niet ondenkbaar is dat verkoop van de woning mogelijk langere tijd kan duren; de opbrengst – en daarmee ook de overwaarde – is overigens ook ongewis.
Dit betekent dat de voorwaarde waaronder de betreffende reconventionele vordering is ingesteld, niet is vervuld en deze vordering geen nadere bespreking behoeft.
Het ondertekenen van de afstandsverklaring voor NIBC
4.14.
De vrouw heeft gevorderd dat de man wordt veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan ondertekening van de afstandsverklaring voor NIBC, zodat zij toestemming verkrijgt voor het meenemen van de rente van de gunstige rente van de bestaande hypothecaire geldlening.
4.15.
De man heeft verklaard dat hij ook aanspraak wil maken op de mogelijkheid om het rentevoordeel uit de oude lening mee te nemen en dat hij daarbij een zwaarderwegend belang heeft dan de vrouw, omdat het voor hem sowieso lastig zal worden andere woonruimte te kopen.
4.16.
Vooropgesteld wordt dat om van de zogenoemde ‘verhuisregeling’ gebruik te kunnen maken aan een aantal voorwaarden moet worden voldaan. Uit de Algemene Voorwaarden NIBC Hypotheek (zoals die op haar website te vinden zijn) blijkt:
  • dat er een beroep moet worden gedaan op de regeling,
  • dat de nieuwe hypotheek moet worden aangevraagd worden bij NIBC, waarna NIBC de nieuwe aanvraag zal beoordelen om vast te stellen of het verantwoord is om de gevraagde hypothecaire lening te verstrekken en
  • dat binnen zes maanden na het volledig terugbetalen van de huidige hypotheek de hypotheekakte en de leveringsakte voor de nieuwe woning bij de notaris moeten worden ondertekend.
4.17.
Tussen partijen is niet in geschil dat de man al langere tijd en ook op dit moment geen baan heeft en dus ook geen inkomsten heeft. Om een hypotheek aan te kunnen vragen zal de man moeten aantonen aan NIBC dat het op basis van zijn financiële situatie verantwoord is om aan hem een hypothecaire lening te verstrekken. Als NIBC een hypotheekaanvraag van de man zou afwijzen op grond van zijn huidige financiële situatie, kan hij ook geen aanspraak maken op de verhuisregeling. Daar komt bij dat de man nog aan het begin staat van zijn zoektocht naar een andere woning, terwijl de vrouw al enige tijd actief op zoek is naar een andere koopwoning. Desgevraagd heeft de vrouw verklaard dat zij in het kader van de verhuisregeling de helft van het resterende hypotheekbedrag zou mogen meenemen, tegen de rente verbonden aan de bestaande hypotheek, te weten 1,25%, en dat de rentevast periode nog loopt tot 1 december 2029. Uitgaande van hetgeen hiervoor is overwogen acht de voorzieningenrechter het onvoldoende aannemelijk dat de man (op korte termijn) een succesvolle aanvraag voor een hypotheek zal kunnen doen en daarbij succesvol een beroep zal kunnen doen op de verhuisregeling, terwijl het wel voldoende aannemelijk is geworden dat de vrouw binnen de daarvoor geldende periode met succes een beroep zal kunnen doen op de verhuisregeling.
4.18.
Ter zitting hebben partijen in het kader van het aftasten van een mogelijke regeling besproken dat de waarde van het rentevoordeel dat behaald kan worden door gebruik te maken van de verhuisregeling, door een deskundige (bindend) vastgesteld zou kunnen worden en dat degene die gebruik maakt van de regeling de andere partij die vastgestelde vergoeding betaalt. Helaas hebben partijen hierover geen overeenstemming kunnen bereiken. Omdat de vrouw echter wel de bereidheid had uitgesproken om de vervangende waarde van het rentevoordeel te laten vaststellen en om de helft van die waarde te vergoeden aan de man als zij gebruik kan maken van de verhuisregeling, zal de voorzieningenrechter dit beschouwen als het mindere dat in het meerdere van haar vordering besloten ligt en deze vordering op die manier toewijzen, zoals onder de beslissing bepaald.
4.19.
Zowel voor het tekenen van de afstandsverklaring als voor de vestiging van het overbruggingskrediet heeft de vrouw gevorderd dat het vonnis in de plaats mag treden van de benodigde handtekening van de man. Dit deel van de vordering zal telkens, als prikkel om na te komen, worden toegewezen op de wijze zoals onder de beslissing wordt vermeld.
Goud en zilver
4.20.
De vrouw heeft gevorderd dat de man wordt veroordeeld volledige openheid van zaken te geven over het goud en zilver dat in de woning ligt en mee te werken aan een gezamenlijke inventarisatie, in aanwezigheid van een notaris, alsmede tot het in gerechtelijke bewaring doen geven bij een notaris, totdat in een bodemprocedure de verdeling is vastgesteld en dat het de man verboden wordt het goud en zilver in de tussentijd te bezwaren, te vervreemden of elders onder te brengen. De vrouw heeft in dit verband erop gewezen dat de man heeft toegegeven dat hij goud heeft verkocht om zijn wintersportvakantie te bekostigen, dat zij geen zicht heeft op de hoeveelheid goud en zilver die in de woning aanwezig is en ook niet precies weet waar het goud en zilver in de woning is verstopt, en dat de man op vragen daarnaar geen concreet antwoord geeft. Zij benadrukt dat zij belang heeft bij haar vordering om zo gemeenschappelijk vermogen te behouden en dat zij vreest dat het goud en zilver door de man anders zal worden vervreemd of elders zal worden ondergebracht en niet zal worden aangewend voor zijn aandeel in de kosten en schulden.
4.21.
De man heeft erkend dat hij een hoeveelheid goud en zilver heeft, maar betwist dat hij daar geheimzinnig over heeft gedaan en dat hij het ook jaarlijks opgeeft bij de Belastingdienst in de aangifte Inkomstenbelasting, die de vrouw kan inzien. Hij heeft verklaard dat het goud en zilver deels gemeenschappelijk eigendom is maar dat hij voor de wintersportvakantie een gouden munt heeft verkocht die hij voor zijn verjaardag had gekregen en die daarom geen gemeenschappelijk eigendom was. Ter zitting heeft hij voorgesteld om een goedkopere oplossing te zoeken dan een notaris om het goud en zilver te inventariseren en/of in bewaring geven, bijvoorbeeld een andere onafhankelijke derde of om alvast afspraken te maken over de verdeling van het goud en zilver.
4.22.
Ook de vrouw wil wel tot verdeling van het goud en zilver komen en partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling toegezegd verder in overleg te gaan om te kijken of zij hier afspraken over kunnen maken. Zij zouden de voorzieningenrechter uiterlijk een week na de zitting informeren over de uitkomst.
Bij brieven van 18 en 19 mei 2026 hebben de advocaten van partijen de voorzieningenrechter laten weten dat partijen geen overeenstemming hebben kunnen bereiken. Dit betekent dat ook op dit punt vonnis gewezen zal worden.
4.23.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De man heeft verklaard dat het goud en zilver zijn pensioenvoorziening is, maar heeft erkend dat tenminste een deel gemeenschappelijk eigendom is. Ook heeft hij erkend dat hij eerder een gouden munt heeft verkocht om van de opbrengst zijn wintersportvakantie te bekostigen. Of de munt privé eigendom was van de man en of hij verder geen goud en/of zilver verkoopt is voor de vrouw niet zonder meer te controleren. Daarbij komt dat de man op vragen van de vrouw over waar het goud en zilver zich in de woning bevindt niet concreet antwoord geeft. De man heeft verklaard dat hij jaarlijks opgave doet van het goud en zilver in de aangifte IB, maar dat betreft dan een momentopname en hij heeft geen stukken overgelegd ter onderbouwing van die stelling.
Zeker nu de man in het geheel niet bijdraagt aan de kosten verbonden aan de woning die hij nota bene zelf bewoont is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vrouw voldoende belang heeft bij de door haar gevorderde inventarisatie alsmede bij de gevorderde bewaring, om op die manier te voorkomen dat de man het goud en zilver bezwaart, vervreemdt of buiten medeweten van de vrouw elders onderbrengt. Deze vorderingen van de vrouw zullen worden toegewezen. De gevorderde dwangsom als prikkel om na te komen wordt toegewezen, maar zal wel worden gematigd en er zal een maximum worden verbonden aan de te verbeuren dwangsommen.
Proceskostenveroordeling
4.24.
De vrouw heeft gevorderd dat de man wordt veroordeeld tot betaling van de integrale kosten die zij heeft moeten maken voor deze procedure, te vermeerderen met rente. Deze vordering wordt afgewezen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel dat proceskosten tussen ex-partners worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dwangsom
4.25.
De vrouw heeft nog gevorderd de man te veroordelen op straffe van verbeurte van een dwangsom. De vrouw heeft deze vordering niet afzonderlijk toegelicht. Zonder die nadere toelichting kan deze vordering van de vrouw niet worden toegewezen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie en in reconventie
5.1.
veroordeelt de man om binnen één week na betekening van dit vonnis, medewerking te verlenen aan het geven van de verkoopopdracht voor de woning gelegen aan de [adres] te ([postcode]) [plaats] (de woning) aan een NVM makelaar in deze regio;
5.2.
veroordeelt de man om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis, alle medewerking in de ruimste zin te verlenen, in ieder geval doch niet uitsluitend inhoudende:
- het toelaten van de aangewezen makelaar in de woning,
- het vaststellen van een vraag- en laatprijs in overleg met de makelaar, waarbij het advies van de makelaar leidend zal zijn;
- het verkoopklaar maken van de woning, waarbij het advies van de makelaar wordt gevolgd en de kosten van het verkoopklaar maken bij helfte worden gedeeld;
- het toestaan van het aanbrengen van ‘te koop’ borden in de tuin dan wel op de ramen van de woning en deze te laten staan c.q. hangen;
- het toelaten van de makelaar en potentiële kopers c.q. bezichtigingen in de woning, waarbij de woning schoon en netjes wordt achtergelaten door de man,
een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag(deel) dat de man hieraan na eerste verzoek daartoe van de makelaar en/of van de vrouw niet zijn medewerking verleent, met een maximum aan de te verbeuren dwangsommen van € 10.000,00,
5.3.
bepaalt dat de levering van de woning aan een derde/derden niet eerder zal plaatsvinden dan
1 november 2026tenzij partijen in onderling overleg anders overeenkomen,
5.4.
bepaalt dat als de man weigert om binnen één week na een schriftelijk verzoek daartoe van de makelaar zijn medewerking te verlenen aan verkoop, dan wel een schriftelijk verzoek daartoe van de notaris aan levering van de woning, dit vonnis in de plaats treedt van de voor de verkoop en/of levering benodigde toestemming van de man voor die rechtshandeling,
5.5.
veroordeelt de man om de helft van de volledige eigenaarslasten verbonden
aan de woning te voldoen vanaf 1 april 2026 tot aan de datum van de notariële overdracht van de woning aan een derde/derden, met dien verstande dat de vrouw het aandeel van de man in deze lasten zal voorschieten zolang de man zelf geen inkomsten heeft, waarna de door de vrouw voor de man voorgeschoten lasten zullen worden verrekend met het aandeel van de man in de uiteindelijke netto-verkoopopbrengst van de woning, tegelijk met de levering aan (een) derde(n),
5.6.
bepaalt dat partijen na verkoop van de woning uit de verkoopopbrengst, na aftrek
van de hypothecaire geldlening, bij de levering de openstaande schulden aan de ouders van partijen zullen aflossen,
5.7.
veroordeelt de man om ten behoeve van de vrouw zijn medewerking te verlenen aan ondertekening van de afstandsverklaring NIBC (in het geding gebracht als productie 16 bij de dagvaarding) zodat de vrouw toestemming verkrijgt voor het meenemen van de rente van de “oude” geldlening, op voorwaarde dat de vrouw de waarde verbonden aan dit rentevoordeel laat vaststellen door een onafhankelijke derde en de helft van die waarde vervolgens vergoedt aan de man en met bepaling dat dit vonnis in de plaats treedt van de benodigde handtekening van de man op dit formulier, als de man die medewerking op eerste verzoek weigert,
5.8.
veroordeelt de man tot het geven van volledige openheid van zaken omtrent
de aanwezigheid en locatie van het goud en zilver in de woning en zijn medewerking te verlenen aan een gezamenlijke inventarisatie van het aanwezige goud en zilver, zulks in aanwezigheid van een door partijen aan te wijzen notaris dan wel een andere onafhankelijke derde en het goud en zilver vervolgens in (gerechtelijke) bewaring te geven bij die onafhankelijke derde, totdat in een bodemprocedure de verdeling daarvan zal
zijn vastgesteld of partijen daarover in onderling overleg overeenstemming hebben bereikt,
5.9.
verbiedt de man om in de periode tot aan de afgifte ter bewaring van het goud en zilver, het goud en zilver te vervreemden, te bezwaren, te verplaatsen of aan het verhaal van de vrouw te onttrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per overtreding met een maximum aan de te verbeuren dwangsommen van € 10.000,-,
5.10.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.11.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.12.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Wolfs en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.
1155