Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:5664

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
C/15/375215
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 BWArt. 7:900 BWArt. 7:901 lid 2 BWArt. 3:13 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot verlenging termijn woningovername na echtscheiding

Partijen zijn gescheiden en gezamenlijk eigenaar van een woning die aan de man is toegedeeld volgens een echtscheidingsconvenant. In dit convenant is bepaald dat de man drie maanden na ontbinding van het huwelijk de woning kan overnemen en de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid kan laten ontslaan.

De man heeft de hypotheekaanvraag laat ingediend en slaagde er niet in binnen de afgesproken termijn de woning over te nemen. Hij vordert verlenging van deze termijn en medewerking van de vrouw, die dit weigert. De vrouw vordert in reconventie onder meer dat de man zich uitschrijft van het adres van de woning en betaling van misgelopen toeslagen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de vertraging niet aan de vrouw te wijten is, omdat de ontruimingsverklaring pas na afloop van de termijn is toegezonden en niet is gebleken dat de financiering uitsluitend daarvan afhankelijk was. Ook de vorderingen in reconventie worden afgewezen, mede omdat de Belastingdienst de toeslagen met terugwerkende kracht aan de vrouw zal uitbetalen.

De vorderingen worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Verzoek tot verlenging termijn woningovername en vorderingen in reconventie worden afgewezen; proceskosten worden gecompenseerd.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/375215 / KG ZA 26-97
Vonnis in kort geding van 12 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [plaats 1],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. S. Bayraktar,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats 2],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. A.C. Mens.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 10
- de conclusie van eis in reconventie met producties 1 t/m 3
- de akte aanvulling eis met aanvullende producties A t/m C van [eiser]
- de conclusie van antwoord, tevens houdende vermeerdering van eis in reconventie
- de aanvullende productie D van [eiser]
- de mondelinge behandeling van 31 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de aanhouding van de zaak tot 28 april 2026
- het bericht van [eiser] van 28 april 2026 met het verzoek vonnis te wijzen
- het bericht van [gedaagde] van 28 april 2026 met het verzoek vonnis te wijzen.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 25 september 2025 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken, welke op 14 november 2025 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats 1] (hierna: de woning).
2.3.
Partijen hebben op 1 juli 2025 een echtscheidingsconvenant (hierna: het convenant) gesloten. Hierin is, voor zover hier van belang, onder meer het volgende opgenomen:
Art. 2 VERDELING Pro
2.1
De echtelijke woning
Tot de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen behoort de onroerende zaak, staande en gelegen aan het adres [adres] te ([postcode]) [plaats 1]. Op deze woning rust een hypothecaire geldlening, afgesloten bij IQWOON. De woning is onderworpen aan een anti-speculatiebeding, inhoudende dat deze gedurende tien jaar na oplevering (september 2028) eerst dient te worden aangeboden aan de projectontwikkelaar conform de Kortingsregeling [bedrijf] “[project naam']’; versie 23 november 2016, ondertekend op 19 december 2016.
2.1.1
Partijen komen overeen dat de woning aan de man wordt toegedeeld. Voor de waardering van de woning hanteren partijen de WOZ-waarde van het jaar 2024, vastgesteld op een bedrag van € 479.000, -. Op de woning berust een hypotheek van € 177.635, -.
De juridische levering van de woning zal plaatsvinden op een nader te bepalen datum. De man zal zich inspannen om de levering zo spoedig mogelijk te realiseren en zal er eveneens voor zorgdragen dat de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ten aanzien van de hypothecaire leníng wordt ontslagen.
2.1.2
(..)
De man krijgt drie maanden na ontbinding van het huwelijk de tijd om de woning over te nemen, de vrouw te laten ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de hypotheekschuld en de schulden aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. De woning zal verkocht worden aan de projectontwikkelaar als de man er niet in slaagt haar een bedrag van € 55.000, - te voldoen en er niet in slaagt de vrouw te laten ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid met betrekking tot de hypotheekschuld en de schulden aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2].
(..)
2.3
Gebruik van de woning door de vrouw
2.3.1
Partijen komen overeen dat de vrouw, na de juridische toedeling van de woning aan de man, gerechtigd is om nog maximaal drie jaar in de woning van de man te verblijven.
(..)
2.3.3.
Voor haar verblijf in de woning is de vrouw vanaf het moment dat de woning juridisch is toegedeeld aan de man, een maandelijkse gebruiksvergoeding van € 750,- verschuldigd aan de man. Dit bedrag is exclusief de kosten voor water en elektra (..)’
2.4.
[gedaagde] verblijft thans, met de minderjarige kinderen van partijen, in de woning.
3. Het geschil
in conventie
3.1.
[eiser] vordert, kort gezegd, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat de in artikel 2.1.2 van het convenant genoemde termijn waarbinnen [eiser] in de gelegenheid wordt gesteld de woning en de daarop rustende hypothecaire geldlening over te nemen en [gedaagde] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te doen ontslaan, wordt verlengd tot drie maanden na het in dezen te wijzen vonnis;
II. [gedaagde] te veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis haar volledige medewerking te verlenen aan de hypotheekaanvraag van [eiser], waaronder in elk geval begrepen het ondertekenen van de door de hypotheekverstrekker verlangde ontruimingsverklaring (productie 8 bij dagvaarding), alsmede het ondertekenen van eventuele aanvullende documenten die in het kader van de hypotheekaanvraag door de hypotheekverstrekker worden verlangd, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,00;
III. te bepalen dat indien [gedaagde] niet binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis de ontruimingsverklaring heeft ondertekend, dit vonnis in de plaats treedt van haar handtekening onder de ontruimingsverklaring, alsmede onder alle overige door de hypotheekverstrekker in het kader van de hypotheekaanvraag verlangde documenten in de zin van artikel 3:300 BW Pro;
IV. [gedaagde] te veroordelen om binnen één week na het eerste schriftelijke verzoek daartoe van de notaris haar volledige medewerking te verlenen aan de eigendomsoverdracht, respectievelijk levering, van haar aandeel van 50% in de eigendom van de woning aan [eiser], waaronder begrepen het ondertekenen van de leveringsakte en alle overige voor de overdracht noodzakelijke documenten, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,00;
V. te bepalen dat, bij gebreke van de vereiste medewerking van [gedaagde] binnen de gestelde termijn, de voorzieningenrechter vervangende toestemming verleent aan [eiser] om namens [gedaagde] de akte van levering en, indien en voor zover noodzakelijk, de akte van verdeling te doen opmaken en te ondertekenen, alsmede alle feitelijke en rechtshandelingen te verrichten die noodzakelijk zijn voor het realiseren van de eigendomsoverdracht respectievelijk de levering van de woning aan [eiser], althans te verklaren en bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de vereiste handtekening en medewerking van [gedaagde], in de zin van artikel 3:300 BW Pro;
VI. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.
3.2.
[eiser] legt aan de vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag. Begin december 2025 heeft [eiser] zijn hypotheekaanvraag bij de bank ingediend. Vanwege de feestdagen heeft beoordeling daarvan wat vertraging opgelopen. In januari 2026 heeft de bank [eiser] bericht dat, nu de woning ook na de levering aan hem nog een periode door [gedaagde] zal worden bewoond, het noodzakelijk is dat [gedaagde] een zogenoemde ontruimingsverklaring tekent waardoor de bank in het geval [eiser] in de toekomst niet aan zijn betalingsverplichtingen jegens de bank voldoet, de bank bij een eventuele executieverkoop niet gebonden is aan de afspraken tussen partijen. [gedaagde] weigert echter deze ontruimingsverklaring te ondertekenen en stelt daaraan nadere voorwaarden die geen grondslag vinden in het convenant. [eiser] wordt hierdoor belemmerd de woning over te nemen en [gedaagde] te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid, zoals partijen zijn overeengekomen in het convenant. Door het niet tekenen van de ontruimingsverklaring handelt [gedaagde] in strijd met haar wettelijke verplichting uit hoofde van artikel 7:901 lid 2 Burgerlijke Pro Wetboek (BW) en dat kwalificeert als misbruik van recht in de zin van artikel 3:13 BW Pro. Dat de in artikel 2.1.2 genoemde termijn van drie maanden inmiddels is verstreken, kan [eiser] dan ook niet worden tegengeworpen omdat het uitsluitend aan [gedaagde] te wijten is dat de woning nog niet op zijn naam is gesteld en [gedaagde] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid is ontslagen, aldus [eiser]. [eiser] stelt voorts dat zijn belang bij nakoming van het convenant dringend en zwaarwegend is, omdat als overname van de woning door hem geen doorgang vindt, de woning mogelijk aan de projectontwikkelaar moet worden aangeboden voor een bedrag van € 215.000,00.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde] voert daartoe, samengevat, het volgende aan. In artikel 2.1.2 van het convenant hebben partijen afgesproken dat [eiser] drie maanden ná ontbinding van het huwelijk de tijd kreeg de woning over te nemen en [gedaagde] te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Ten tijde van de zitting op 31 maart 2026 was [eiser] hier nog altijd niet in geslaagd. [eiser] is veel te laat begonnen met zijn hypotheekaanvraag; uit de door hem overgelegde stukken blijkt dat hij daarmee pas eind januari 2026 is gestart. De verzochte ontruimingsverklaring is voorts pas op 15 februari 2026, dus na afloop van de afgesproken drie maandentermijn, aan de advocaat van [gedaagde] toegezonden. Nu [eiser] de woning niet binnen drie maanden ná ontbinding van het huwelijk heeft kunnen overnemen, dient de woning te worden verkocht aan de projectontwikkelaar.
Bovendien heeft [eiser] weliswaar gesteld dat hij van de projectontwikkelaar heeft vernomen dat in de situatie waarbij hij de woning na echtscheiding overneemt, de kortingsregeling niet van toepassing is, maar [gedaagde] twijfelt hieraan, gelet op de bewoordingen van de kortingsregeling en zij heeft hiervan ook nooit bewijsstukken gezien. Hetzelfde geldt voor de stelling van [eiser] dat hij de bank ervan op de hoogte heeft gebracht dat hij de woning na levering aan hem nog voor maximaal drie jaar zal verhuren aan [gedaagde]. [gedaagde] wil op deze punten eerst zekerheid voordat zij meewerkt aan de verdeling en het tekenen van de ontruimingsverklaring. Zij wil niet achteraf alsnog met nadelige financiële gevolgen worden geconfronteerd en heeft zeer groot belang bij duidelijkheid voordat de verdeling geeffectueerd wordt. Ter zitting heeft [gedaagde] verklaard ermee in te stemmen de procedure vier weken aan te houden om aan [eiser] de mogelijkheid te bieden haar alsnog stukken van de projectontwikkelaar en de bank te tonen, dat zij allebei instemmen met voornoemde constructie.
in reconventie
3.5.
[gedaagde] heeft vorderingen in reconventie ingesteld. Zij vordert - na vermeerdering van eis - kort gezegd, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [eiser] te veroordelen zich na betekening van dit vonnis uit te laten schrijven van het adres van de echtelijke woning en zich op een ander adres te laten inschrijven, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag dat hij hiermee in gebreke blijft;
II. [eiser] te veroordelen [gedaagde] € 7.155,00 te betalen in verband met gederfd kindgebonden budget van 1 juli 2025 t/m maart 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2026;
III. [eiser] te veroordelen [gedaagde] € 1.161,00 te betalen in verband met gederfde zorgtoeslag vanaf 1 juli 2025 t/m maart 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2026;
IV. [eiser] te veroordelen [gedaagde] € 409,00 te betalen in verband met de teruggave van de Belastingdienst over 2024, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2026;
V. [eiser] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten.
3.6.
[gedaagde] legt aan de vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag. In artikel 12 van Pro het ouderschapsplan hebben partijen afgesproken dat de kinderen van partijen hun hoofdverblijf bij [gedaagde] hebben en dat [gedaagde] vanaf 1 juli 2025 de kinderbijslag en toeslagen zal aanvragen. [eiser] weigert zich echter te laten uitschrijven, waardoor [gedaagde] het kindgebonden budget en zorgtoeslag niet kan aanvragen. Dit ondanks herhaaldelijk verzoek van [gedaagde] daartoe. De advocaat van [eiser] heeft bij e-mail toegezegd dat [eiser] zich zou laten uitschrijven zodra de echtscheiding zou zijn ingeschreven, maar dat is niet gebeurd. [gedaagde] betwist dat het voor de hypotheekaanvraag van [eiser] noodzakelijk is dat hij op het adres van de woning ingeschreven blijft staan. Met veel moeite is [gedaagde] er onlangs in geslaagd de kinderbijslag vanaf 1 juli 2025 aan haar te laten uitbetalen maar zij loopt het kindgebonden budget en de zorgtoeslag nog altijd mis. Door dit nalatig handelen van [eiser] is [gedaagde] in financiële problemen geraakt. Zij ontvangt immers ook nog geen kinder- en partneralimentatie. Tot slot vordert [gedaagde] betaling van haar belastingteruggave over 2024, waarvan haar daags voor de zitting is gebleken dat deze door de Belastingdienst aan [eiser] is uitbetaald.
3.7.
[eiser] voert verweer tegen de vorderingen in reconventie en concludeert primair tot afwijzing hiervan. Hij stelt daartoe, samengevat, dat hij in beginsel bereid was zich uit te schrijven van het adres van de voormalige echtelijke woning, maar dat de hypotheekadviseur hem adviseerde dat niet te doen zolang de hypotheekaanvraag nog loopt. Hij heeft dit reeds vóór het tekenen van het convenant aan [gedaagde] laten weten en in het convenant is over het uitschrijven ook niets opgenomen. De bereidheid is weliswaar later door zijn advocaat bevestigd, maar moest wederom worden herroepen op grond van het advies van de hypotheekadviseur. Zodra [eiser] de woning en de hypotheek heeft overgenomen zal hij zich direct laten uitschrijven. [eiser] stelt voorts dat bij het maken van de afspraken uitdrukkelijk rekening is gehouden met het feit dat [gedaagde] geen kinderalimentatie zou ontvangen en [eiser] voorlopige ingeschreven zou blijven op het adres van de woning. Daartegenover stond dat [eiser] tot het moment van overname van de woning alle woonlasten (inclusief gebruikslasten) zou blijven betalen. [eiser] neemt deze lasten nog altijd voor zijn rekening. Er is dus op basis van de afspraken tussen partijen geen plaats voor toewijzing van misgelopen toeslagen. [eiser] heeft voorts op 25 maart 2026 een brief van de Belastingdienst ontvangen, waaruit volgt dat [gedaagde] met terugwerkende kracht per 1 juli 2025 de kinderbijslag en het kindgebonden budget zal gaan ontvangen. [eiser] zal de reeds ontvangen bedragen aan de Belastingdienst moeten terugbetalen. De belastingteruggave over 2024 heeft [eiser] pas daags voor de zitting ontvangen; hij is nog niet in de gelegenheid geweest dat aan [gedaagde] door te betalen.
Voor het geval de door [gedaagde] ingestelde reconventionele vorderingen tot betaling van misgelopen kindgebonden budget en zorgtoeslag wel worden toegewezen, vordert [eiser] [gedaagde] te veroordelen hem alsdan met ingang van de datum van echtscheiding tot aan het moment waarop de woning aan [eiser] is overgedragen een gebruiksvergoeding van € 1.193,42 per maand te voldoen. Dat zijn de aan de woning verbonden gebruikerslasten en de helft van de hypotheeklasten.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
4.1.
Het spoedeisend belang is naar het oordeel van de voorzieningenrechter gelet op de aard van de vorderingen gegeven.
4.2.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het tussen partijen gesloten convenant kwalificeert als een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW Pro. Op grond van artikel 7:901 lid 2 BW Pro zijn partijen jegens elkaar verplicht mee te werken aan de feitelijke totstandkoming van de vaststelling. [eiser] stelt dat [gedaagde], door het niet tekenen van de ontruimingsverklaring, hiermee in strijd handelt. De voorzieningenrechter volgt [eiser] hierin niet en overweegt daartoe als volgt.
4.3.
In artikel 2.1.2 van het convenant zijn partijen overeengekomen dat [eiser] gedurende een termijn van drie maanden ná ontbinding van het huwelijk de mogelijkheid heeft om de woning over te nemen en [gedaagde] te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Nu de echtscheiding op 14 november 2025 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, liep deze termijn af op 14 februari 2026. Vast staat dat het [eiser] niet is gelukt om voor die datum de woning over te nemen.
4.4.
Anders dan [eiser] stelt, is voorshands geenszins komen vast te staan dat het niet tijdig rondkrijgen van de benodigde financiering het gevolg is van de weigering van [gedaagde] om een ontruimingsverklaring te tekenen. [gedaagde] heeft aangevoerd dat de ontruimingsverklaring haar eerst op 15 februari 2026 is toegezonden, dus een dag nadat de afgesproken drie maandentermijn al was verstreken. [eiser] heeft geen stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat het verzoek de ontruimingsverklaring te tekenen eerder dan 15 februari 2026 aan [gedaagde] is gedaan.
4.5.
Uit de door [eiser] overgelegde stukken blijkt ook overigens niet dat het rondkomen van de gewenste financiering (waarmee [eiser] de woning op basis van de in het convenant vastgelegde voorwaarden zal kunnen overnemen) uitsluitend nog afhankelijk was van de door [gedaagde] te tekenen ontruimingsverklaring. In de brief van IQWOON van 27 januari 2026 worden naast de ontruimingsverklaring door de financier meerdere documenten opgevraagd, waaronder het echtscheidingsconvenant en echtscheidingsvonnis. Dat de financier deze stukken heeft ontvangen en instemt met de door partijen gekozen (huur-)constructie en dit niet aan de gewenste financiering in de weg staat, blijkt nergens uit. Voorshands staat dan ook geenszins vast dat na ontvangst van de ontruimingsverklaring de gewenste hypotheekofferte zou worden uitgebracht.
Dat de projectontwikkelaar geen beroep op het anti-speculatiebeding zal doen (en [gedaagde] niet tot vroegtijdige ontruiming zal worden gedwongen) zoals [eiser] betoogt, is evenmin gebleken.
4.6.
Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat het aan [gedaagde] te wijten is dat [eiser] de woning niet binnen de afgesproken termijn van drie maanden ná ontbinding van het huwelijk heeft kunnen overnemen. Nu [gedaagde] zich tegen een verdere verlenging van deze termijn verzet en het partijen tijdens aanhouding van de procedure kennelijk niet is gelukt tot een minnelijke regeling te komen, ziet de voorzieningenrechter voor een verdere verlenging van de in de vaststellingsovereenkomst gemaakte afspraak over de termijn waarbinnen [eiser] de woning kon overnemen en [gedaagde] uit de hoofdelijke aansprakelijkheid kon laten ontslaan, voorshands onvoldoende aanleiding. De vordering van [eiser] om hem hiertoe een nadere termijn van drie maanden na de datum van dit vonnis te bieden zal daarom worden afgewezen.
4.7.
Ook de vorderingen onder II tot en met V van [eiser] zullen worden afgewezen, nu deze allen met het vorengaande samenhangen.
in reconventie
4.8.
[gedaagde] vordert op haar beurt dat [eiser] zich uit laat schrijven van het adres van de woning. [gedaagde] stelt dat partijen in artikel 12 van Pro het ouderschapsplan zijn overeengekomen dat [eiser] zich zou uitschrijven en [gedaagde] per 1 juli 2025 de kinderbijslag en toeslagen zou ontvangen. Omdat [eiser] weigert zich op een ander adres in te schrijven, is [gedaagde] niet in staat toeslagen aan te vragen en is zij in financiële problemen geraakt, zo betoogt zij.
4.9.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat in het ouderschapsplan weliswaar staat dat de kinderen zullen worden ingeschreven op het woonadres van [gedaagde] en dat [gedaagde] ‘daardoor de diverse belastingtoeslagen en de kinderbijslag zal ontvangen’, maar niet is bepaald dat [eiser] zich moet uitschrijven. Bovendien blijkt uit de door [eiser] overgelegde brief van de Belastingdienst van 25 maart 2026 dat de Belastingdienst met terugwerkende kracht per 1 juli 2025 de kinderbijslag en het kindgebonden budget aan [gedaagde] zal voldoen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde] daarom onvoldoende belang bij deze vordering, zodat deze zal worden afgewezen.
4.10.
Gelet op het vorenstaande zal ook de vordering tot betaling van het misgelopen kindgebonden budget worden afgewezen.
4.11.
Ook de vorderingen tot betaling van gederfde zorgtoeslag en de belastingteruggave over 2024 zullen worden afgewezen. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat in kort geding ten aanzien van geldvorderingen terughoudendheid op zijn plaats is. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het bestaan van deze vorderingen in het kader van dit kort geding voorshands onvoldoende aangetoond. Ten aanzien van de gevorderde belastingteruggave over 2024 heeft [gedaagde] ook geen stukken in het geding gebracht. Deze vordering is voor de voorzieningenrechter dus niet te beoordelen.
4.12.
Nu de vorderingen in reconventie worden afgewezen, wordt niet toegekomen aan de in dit kader voorwaardelijk ingestelde vordering van [eiser].
in conventie en in reconventie
4.13.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie en in reconventie
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Pott Hofstede en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.
2009