3.3.1Vrijspraak zaak A (gekwalificeerde opzetverkrachting)
Inleidende opmerkingen
In zedenzaken zijn vaak slechts twee personen bij de verweten seksuele gedragingen aanwezig geweest: het veronderstelde slachtoffer en de vermeende dader. In de kern komt het vaak neer op het woord van de aangeefster tegen dat van de verdachte. Ook in deze zaak staan de belastende verklaringen van [slachtoffer] (hierna: de aangeefster) tegenover de ontkennende verklaring van de verdachte.
In strafzaken moet zorgvuldig en behoedzaam worden omgegaan met verklaringen van getuigen en (vermeende) slachtoffers. In een zaak als deze, waarin de verdachte het ten laste gelegde feit ontkent, er geen directe getuigen zijn van de verweten seksuele gedragingen en de aangeefster verklaart zich een groot gedeelte van de avond niet te kunnen herinneren, geldt dat des te meer.
De wet voorziet niet in een toetsingskader voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring. Rechtspraak in zedenzaken biedt wel criteria voor deze beoordeling. In de eerste plaats komt belang toe aan de consistentie, gedetailleerdheid en volledigheid van de verklaring. Daarnaast kan worden getoetst aan gegevens uit objectieve bronnen en kan meewegen of de inhoud van de verklaring, gelet op de vastgestelde omstandigheden, plausibel is. Ook kan bij de beoordeling worden betrokken of er omstandigheden aannemelijk zijn geworden die mogelijk van beslissende invloed zijn op de (betrouwbaarheid van de) verklaring. Dan valt bijvoorbeeld te denken aan de eigen betrokkenheid bij het ten laste gelegde feit of een motief om niet overeenkomstig de waarheid te verklaren.
Bewijsminimum
Wanneer de verdachte de hem of haar verweten gedraging ontkent, is de verklaring van het veronderstelde slachtoffer doorgaans het enige directe bewijsmiddel. Het bewijs dat een verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, kan echter niet uitsluitend worden gebaseerd op de verklaring van het veronderstelde slachtoffer, maar er moet daarnaast voldoende steun zijn in ander bewijsmateriaal (steunbewijs). Niet vereist is dat de ten laste gelegde seksuele handeling als zodanig steun vindt in ander bewijs. Voldoende kan zijn dat de verklaring van de aangeefster op specifieke punten wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Dit steunbewijs moet afkomstig zijn uit een andere bron en in voldoende duidelijk verband staan met de verklaring van de aangeefster.
Tegen de achtergrond van de hiervoor genoemde maatstaven zal de rechtbank hierna eerst beoordelen of de verklaring van de aangeefster voldoende betrouwbaar is om als uitgangspunt voor de bewijsvoering te dienen. Alleen als die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt de rechtbank toe aan de vraag of die verklaring in voldoende mate wordt ondersteund door ander bewijs.
De verklaringen van de aangeefster
Op 24 september 2024 heeft een zogeheten “informatief gesprek zeden” plaatsgevonden tussen de aangeefster en twee verbalisanten. Vervolgens heeft zij op 1 oktober 2024 aangifte gedaan van verkrachting. De aangeefster heeft op deze twee momenten, samengevat, het volgende verklaard.
De aangeefster is op 21 september 2024 in Haarlem op stap gegaan. Omstreeks 01:00 uur (op 22 september 2024) heeft zij een bar verlaten en daarna is het voor haar onduidelijk. Op enig moment die nacht bevond zij zich in een huis aan de [adres 2] in Haarlem. Zij weet niet meer hoe ze daar terecht is gekomen. Het volgende moment dat zij zich kan herinneren is dat zij op haar buik op bed lag en anaal gepenetreerd werd door een voor haar onbekende man (in de aangifte aangeduid als man 3). Zij probeerde man 3 van haar af te krijgen, maar dat lukte niet. Vervolgens werd man 3 door een andere man of mannen van haar afgehaald. Zij heeft dit niet kunnen zien, omdat het donker was. Hoe die nacht verder is verlopen kan zij zich niet herinneren. Toen de aangeefster de volgende ochtend wakker werd, lag er een man (in de aangifte aangeduid als man 2; de medeverdachte [medeverdachte] ) naast haar zonder kleding aan. De aangeefster voelde iets aan haar vagina en heeft, nadat de medeverdachte [medeverdachte] later die ochtend een grap maakte over dat ze mooie kinderen zouden krijgen, aangenomen dat hij haar verkracht had. Volgens de aangeefster heeft de verdachte (in de aangifte aangeduid als man 1) vermoedelijk niets met haar gedaan. De aangeefster heeft ook verklaard dat het voor haar onduidelijk is gebleven of er twee of drie mannen in het huis waren.
De aangeefster kan zich niet herinneren dat zij de verdachte, de medeverdachte [medeverdachte] of man 3 tijdens het uitgaan heeft ontmoet. Zij kan zich niet herinneren wanneer zij hen voor het eerst heeft gezien. Haar meest heldere herinnering is van die ochtend.
De rechtbank stelt vast dat de aangeefster een zeer gefragmenteerde herinnering heeft aan de gebeurtenissen die nacht; zij kan zich veel niet herinneren, mogelijk veroorzaakt door de hoeveelheid alcohol die zij blijkens haar verklaring had gedronken. Zij denkt dat man 3 haar anaal heeft gepenetreerd maar ze kon op dat moment niets zien omdat het donker was. Op basis van de verklaringen van de aangeefster en het overige dossier is niet duidelijk wie deze man is. De aangeefster neemt aan dat de medeverdachte [medeverdachte] haar vaginaal heeft verkracht, maar deze verklaring vindt geen steun in het DNA-onderzoek. Volgens de aangeefster heeft de verdachte (vermoedelijk) niets met haar gedaan.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de verklaringen van de aangeefster onvoldoende concreet en gedetailleerd over de aard van de seksuele handelingen die bij haar zouden zijn uitgevoerd, onder welke omstandigheden die handelingen plaatsvonden en wie daarbij betrokken was.
De rechtbank acht de verklaringen van de aangeefster daarom onvoldoende betrouwbaar om deze als uitgangspunt voor de bewijsvoering te nemen.
Het (on)vrijwillige karakter van de seks
De rechtbank stelt op grond van het NFI-rapport en de verklaring van de verdachte vast dat hij en de aangeefster in de bewuste nacht seks met elkaar hebben gehad. Uit het NFI-rapport volgt immers dat in onder meer de vagina van de aangeefster DNA-sporen van de verdachte zijn aangetroffen. De verdachte heeft verklaard dat hij die nacht in zijn woning seks met de aangeefster heeft gehad, en dat dit vrijwillig was.
Anders dan de officier van justitie heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat op basis van het dossier niet met de vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de aangeefster voorafgaand aan en tijdens de seks buiten bewustzijn is geweest en dat om die reden sprake is geweest van verkrachting. De foto die de verdachte die nacht aan de medeverdachte [medeverdachte] heeft gestuurd en waarop het ontblote onderlichaam van de aangeefster is te zien, biedt voor die vaststelling onvoldoende steun.
Ook verder bevat het dossier geen objectieve bewijsmiddelen die als bewijs kunnen dienen voor de ten laste gelegde opzetverkrachting.
Conclusie
De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit (in zaak A) heeft gepleegd. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken in zaak A.
3.3.3Bewijsmiddelen zaak B, feit 1 (aanwezig hebben cocaïne en MDMA) en feit 2 (voorhanden hebben vuurwapen en munitie)
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van deze feiten sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Omdat de verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank volstaan met de hieronder vermelde opgave van de bewijsmiddelen, te weten:
Ten aanzien van feiten 1 en 2:
(…)
(…)
(…)
De vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die
daartoe bevoegd zijn en voldoen ook aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
De vermelde bewijsmiddelen zijn, ook in onderdelen, telkens slechts gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.