Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad
Samenvatting
Procesverloop
Het verzoek om voorlopige voorziening ziet in dit geval in wezen op het alsnog geheel inwilligen van het verzoek om bijzondere bijstand. Toewijzing van het verzoek heeft een definitieve, onomkeerbare strekking. Dat heeft niet het karakter van een voorlopige voorziening. Daarom is de voorzieningenrechter over het algemeen heel terughoudend met het treffen van een dergelijke voorlopige voorziening. Voor toewijzing van een dergelijk verzoek is in beginsel alleen plaats als ernstig moet worden getwijfeld aan de rechtmatigheid van het besluit én er een zeer zwaarwegend spoedeisend belang is dat het treffen van een dergelijke voorziening noodzakelijk maakt.
Het college heeft aangevoerd dat sprake is van duurzame gebruiksgoederen die behoren tot de algemene kosten van het bestaan, welke kosten moeten worden voldaan uit het inkomen, hetzij door reserveren, hetzij door gespreide betaling achteraf. Er zijn diverse gegevens opgevraagd om te kunnen beoordelen of sprake is van een bijzondere situatie bij verzoeker. Niet alle opgevraagde gegevens zijn ontvangen. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat sprake is van kosten die het gevolg zijn van een bijzondere situatie noch bijzondere omstandigheden die moeten leiden tot een toekenning.
Het is aan verzoeker, als aanvrager, om te onderbouwen waarom hij in dit geval recht op bijzondere bijstand heeft. Met het college is de voorzieningenrechter van oordeel dat hij daarin vooralsnog onvoldoende is geslaagd. Uit het dossier wordt ook duidelijk dat verzoeker zich onder meer op privacy heeft beroepen waar het gaat om het verstrekken van gegevens over de financiële situatie van het gezin. De medewerkingsverplichting van artikel 17 van Pro de PW verplicht de belanghebbende om op verzoek van het college de (feitelijke) medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. Het college kan ingevolge artikel 53a, eerste lid, van de PW bepalen welke gegevens en bewijsstukken verstrekt, respectievelijk overgelegd moeten worden. Ook kan het college de wijze en het tijdstip waarop dit moet gebeuren bepalen. Bij een aanvraag tot bijstandverlening mag van een betrokkene worden verlangd dat hij zodanige financiële (bewijs)stukken overlegt dat het college kan onderzoeken en beoordelen of toekenning daarvan gerechtvaardigd is. De gevraagde gegevens zijn van invloed op de vraag of er sprake is van een bijzondere situatie dan wel bijzondere omstandigheden. In een dergelijk geval is een beroep op de privacy niet een verschoonbare reden om de gegevens achter te houden. Voor zover verzoeker alsnog gegevens heeft verstrekt nadat het bestreden besluit is genomen, heeft het college deze in dat besluit niet kunnen betrekken.
7. Alle omstandigheden in aanmerking nemend komt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat niet kan worden geoordeeld dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.