Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:5376

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
K/4102/12121267
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 3 BWArt. 7:669 lid 1 BWArt. 7:671b lid 2 BWArt. 223 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontbinding arbeidsovereenkomst kosteres wegens bedreiging en verstoorde arbeidsverhouding

De werkgever verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de kosteres wegens bedreiging van een gemeentelid (e-grond) en subsidiair een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond). De kantonrechter oordeelde dat de vermeende bedreiging onvoldoende zwaarwegend was voor ontbinding, mede gelet op het lange dienstverband en persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Ook was onvoldoende onderbouwd dat de arbeidsverhouding duurzaam verstoord was en dat de werkgever zich voldoende had ingespannen om herstel te bewerkstelligen.

De werknemer had eerder melding gemaakt van grensoverschrijdend gedrag door een gemeentelid en was op non-actief gesteld na het incident op 1 februari 2026. De kantonrechter concludeerde dat geen sprake was van klokkenluidersbescherming omdat de klachten niet een maatschappelijke misstand betroffen. De werkgever had geen redelijke grond voor ontbinding en had niet voldaan aan haar herplaatsingsverplichtingen.

Het verzoek tot ontbinding werd afgewezen, terwijl het tegenverzoek van de werknemer tot wedertewerkstelling en het hervatten van haar cateringwerkzaamheden via haar eenmanszaak werd toegewezen. Het verzoek tot schadevergoeding wegens gemiste inkomsten werd afgewezen wegens gebrek aan grondslag. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten, met uitzondering van de proceskosten van de werkgever die aan de werknemer worden vergoed.

Uitkomst: Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen en de werknemer wordt toegelaten tot haar werkzaamheden en cateringactiviteiten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer / rekestnummer: 12121267 \ AO VERZ 26-20
Beschikking van 29 april 2026
in de zaak van
de rechtspersoon [verzoeker],
gevestigd te [plaats],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: mr. G. van den Brink,
tegen
[verweerder],
wonende te [plaats],
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder],
gemachtigde: mr. M. Hoefs.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat er geen redelijke grond is voor ontbinding. Het tegenverzoek van werknemer tot wedertewerkstelling en toelating tot haar cateringwerkzaamheden uit eigen onderneming wordt toegewezen. Het tegenverzoek van werknemer tot schadevergoeding wordt afgewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift, met een tegenverzoek;
- de aanvullende stukken van [verzoeker] van 27 maart 2026;
- de mondelinge behandeling van 2 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitaantekeningen van [verzoeker];
- de pleitaantekeningen van [verweerder].
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.Feiten

2.1.
[verzoeker] is een kerkelijke gemeente die onderdeel is van de Protestantse Kerk in Nederland (hierna: PKN).
2.2.
Het dagelijks bestuur van [verzoeker] is in handen van de kerkenraad. De kerkenraad bestaat uit zes leden: twee diakenen, twee pastoraal ouderlingen, een ouderling-kerkrentmeester en een ouderling scriba.
2.3.
Het College van Kerkrentmeesters (hierna: CvK) is belast met het beheer van de vermogensrechtelijke aangelegenheden van [verzoeker], waaronder het personeelsbeleid.
2.4.
[verweerder] is sinds 1 september 2016 voor 18 uur per week in dienst bij [verzoeker] als Kosteres.
2.5.
De werkzaamheden van [verweerder] bestaan (onder meer) uit het opruimen en schoonmaken van het kerkgebouw, het in gereedheid brengen van de kerkzalen voor kerkelijke activiteiten en het zorgdragen voor de exploitatie van kerkelijke ruimtes, de keuken en het buffet.
2.6.
Bij aanvang van het dienstverband zijn partijen (mondeling) overeengekomen dat [verweerder] de kosten voor het door haar verzorgde eten en drinken en de in dat verband gewerkte uren rechtstreeks bij derden (uitvaartverzorgers en externe verhuurders van de kerkelijke ruimtes) mag declareren ter aanvulling van haar salaris.
2.7.
Sinds begin 2021 verricht [verweerder] de declaraties voor deze cateringwerkzaamheden via haar eenmanszaak ‘[bedrijf]’.
2.8.
In 2017 heeft [verweerder] bij mw. [betrokkene 1] (de vertrouwenspersoon van [verzoeker], hierna: [betrokkene 1]) een (mondelinge) melding gemaakt van grensoverschrijdend gedrag door een gemeentelid van [verzoeker] (hierna: het beklaagde gemeentelid). Het beklaagde gemeentelid vervult op vrijwillige basis de rol van preekvoorziener binnen [verzoeker].
2.9.
Op 29 januari 2024 heeft [verweerder] een tweede (mondelinge) melding gemaakt bij mw. [betrokkene 2] (voormalig voorzitter van het CvK, hierna: [betrokkene 2]) van grensoverschrijdend gedrag door het beklaagde gemeentelid, specifiek met betrekking tot een (vermeende) aanranding op 22 november 2023.
2.10.
In het jaargesprek van 10 februari 2024 heeft [betrokkene 2] aan [verweerder] laten weten dat zij met het beklaagde gemeentelid heeft gesproken en dat hij de beschuldigingen ontkent, maar dat is afgesproken dat hij [verweerder] niet meer zal lastigvallen.
2.11.
Op 24 april 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder], de leden van het CvK en de landelijke vertrouwenspersoon van het Meldpunt seksueel misbruik in de kerk (SMPR). Het doel van dit gesprek was om [verweerder] de ruimte te geven om haar onvrede over de gang van zaken rond haar melding en de communicatie tussen partijen te uiten.
2.12.
Op 18 mei 2024 heeft [verweerder] aan [verzoeker] laten weten dat zij (ondanks haar ziekmelding) graag haar cateringwerkzaamheden vanuit haar eenmanszaak wilde voortzetten en dat zij daarom de catering voor een uitvaart in de week daarop zou regelen. Het CvK is daarmee niet akkoord gegaan.
2.13.
Op 27 mei 2024 heeft [verweerder] een formele klacht ingediend tegen het beklaagde gemeentelid bij de kerkenraad. Het Classicaal College voor Opzicht (hierna: CCO) heeft de klacht bij uitspraak van 8 januari 2025 ongegrond verklaard.
2.14.
Op 4 juli 2024 heeft het CvK [verweerder] uitgenodigd om op korte termijn in een gesprek nadere afspraken te maken over de verwevenheid van haar werkzaamheden in loondienst en de werkzaamheden voor haar cateringbedrijf. [verweerder] heeft hierop geantwoord dat het CvK dit maar met haar advocaat moet bespreken.
2.15.
Bij e-mail van 6 juli 2024 heeft [verweerder] een mail gestuurd naar verschillende leden van het CvK, waarin zij [betrokkene 2] beschuldigt van terreurbewind. Volgens [verweerder] probeert het CvK haar het werken sinds haar melding tegen het beklaagde gemeentelid zo moeilijk mogelijk te maken.
2.16.
In augustus 2024 heeft een mediator getracht tot een afspraak te komen met [verzoeker] en [verweerder] om met elkaar in gesprek te gaan. [betrokkene 2] heeft op de uitnodigingen van de mediator uiteindelijk niet meer gereageerd, waardoor geen gesprek heeft plaatsgevonden.
2.17.
Kort hierna heeft [betrokkene 2] haar functie als voorzitter van het CvK neergelegd en is zij opgevolgd door [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]).
2.18.
Op 5 juni 2025 heeft [verweerder] bezwaar gemaakt tegen de herbenoeming van [betrokkene 3] als ouderling-kerkrentmeester.
2.19.
Op 4 juli 2025 heeft het CvK een ontslagaanvraag voor [verweerder] ingediend bij het UWV wegens bedrijfseconomische omstandigheden.
2.20.
Bij beslissing van 29 augustus 2025 heeft het UWV de ontslagaanvraag geweigerd.
2.21.
Bij beslissing van 17 oktober 2025 heeft het CCO het bezwaar van [verweerder] tegen de herbenoeming van [betrokkene 3] ongegrond verklaard. [betrokkene 3] is op 7 december 2025 herbenoemd als ouderling-kerkmeester.
2.22.
Op 1 februari 2026 heeft in de kerk een voorval plaatsgevonden tussen [verweerder] en [betrokkene 1].
2.23.
[verweerder] heeft nog diezelfde dag via WhatsApp haar excuses aangeboden aan [betrokkene 1]. In haar bericht schrijft zij:
“Sorr y [betrokkene 1] als het verkeerd overkwam. Was geen bedreiging van mij naar jou. Zal je niet meer aanspreken in de kerk was niet netjes”
2.24.
[verzoeker] heeft onderzoek gedaan naar het voorval. Vervolgens heeft zij een gesprek gehad met [verweerder] op 11 februari 2026, waarbij [verweerder] per direct op non-actief is gesteld. De non-actiefstelling is bij brief van 13 februari 2026 schriftelijk aan [verweerder] bevestigd:
“(…)Bedreiging op zondag 1 februari 2026Een gemeentelid heeft aangegeven dat u haar heeft bedreigd naar afloop van de kerkdienst in de [naam kerk] op zondag 1 februari jl.
Het gemeentelid geeft aan dat u na de kerkdienst heeft gezegd: “de vader van [betrokkene 4] is net vrijgekomen uit de gevangenis, dus pas maar op”. Het gemeentelid voelde zich door deze opmerking ernstig bedreigd. Het gemeentelid heeft gereageerd met: “sorry, ik laat mij niet bedreigen in mijn eigen kerk.” Het gemeentelid gaf aan dat u hierop antwoordde: “dit is geen bedreiging maar een belofte.”
(…)
Conclusie
De verklaring van het gemeentelid komt op ons oprecht en authentiek over. Haar verklaring wordt ondersteund door de verklaringen van diverse gemeenteleden. Ook uw WhatsAppbericht sluit daarbij aan. Tijdens het gesprek op 11 februari 2026 heeft u geen plausibele verklaring kunnen geven voor de gebeurtenissen. De voorlopige conclusie is dn ook dat u een gemeentelid na afloop van de kerkdienst op 1 februari 2026 heeft bedreigd of in ieder geval zodanig heeft gehandeld dat u, terwijl u als koster in functie was, een gemeentelid grensoverschrijdend heeft bejegend.
(…)
Mogelijke beëindiging van het dienstverband
Gedurende de periode van op non-actiefstelling zullen wij juridisch advies inwinnen over de eventuele voortzetting van het dienstverband. Mogelijk zullen wij overgaan tot het indienen van een verzoek bij de kantonrechter om uw dienstverband te beëindigen.”

3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1.
[verzoeker] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, primair vanwege verwijtbaar handelen, en subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. [verzoeker] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat [verweerder] tijdens de uitvoering van haar werkzaamheden als kosteres een ander gemeentelid in de kerk heeft bedreigd. Dat was de druppel die de emmer van de reeds ernstig verstoorde arbeidsrelatie deed overlopen.
3.2.
[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [verweerder] betwist dat zij een gemeentelid heeft bedreigd. [verzoeker] had met een minder vergaande maatregel kunnen en moeten volstaan. Verder voert [verweerder] (samengevat) aan dat [verzoeker] zich onvoldoende heeft ingespannen om de arbeidsverhoudingen te verbeteren en dat [verzoeker] niet heeft voldaan aan haar herplaatsingsverplichtingen. Ten slotte doet [verweerder] een beroep op het benadelingsverbod uit de Wet bescherming klokkenluiders (Wbk).
3.3.
Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] (onder meer) om toekenning van een billijke vergoeding en de transitievergoeding.
3.4.
[verweerder] heeft daarnaast diverse zelfstandige tegenverzoeken gedaan. [verweerder] verzoekt – na vermindering van eis – veroordeling van [verzoeker] om haar binnen 24 uur na betekening van deze beschikking toe te laten tot de werkvloer om haar werkzaamheden uit hoofde van de arbeidsovereenkomst te verrichten, alsmede haar toe te laten tot het verrichten van haar cateringwerkzaamheden in de kerkelijke gebouwen en haar (in dat verband) toe te staan dat zij de eigendommen van haar cateringbedrijf weer in de [naam kerk] plaatst, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom. Daarnaast verzoekt zij veroordeling van [verzoeker] tot betaling van een schadevergoeding vanwege gemiste inkomsten uit haar cateringbedrijf.
3.5.
Ook heeft [verweerder] een verzoek gedaan om een voorlopige voorziening te treffen. De vorderingen van [verweerder] tot toegang tot het kerkterrein als lid van de gemeente van [verzoeker] en tot haar zakelijke e-mailaccount dan wel verstrekking door [verzoeker] van alle (historische) e-mailberichten van en aan dit account aan [verweerder] zijn ter zitting door [verweerder] ingetrokken omdat aan die vorderingen tegemoet is gekomen door [verzoeker], en behoeven daarom geen behandeling meer.

4.De beoordeling van het verzoek

4.1.
Het gaat in deze zaak in de eerste plaats om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
4.2.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. [1] Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. [2] Verder kan een opzegverbod [3] in de weg staan een ontbinding.
Geen klokkenluidersbescherming
4.3.
[verweerder] stelt dat sprake is van een opzegverbod en voert tegen de verzochte ontbinding aan dat haar op basis van artikel 17e van de Wbk klokkenluidersbescherming toekomt. Volgens [verweerder] is er een verband tussen haar klacht(en) betreffende het beklaagde gemeentelid en de tegen haar genomen maatregelen in de vorm van de non-actiefstelling en het ontbindingsverzoek van [verzoeker]. [verzoeker] betwist dat [verweerder] bescherming toekomt als klokkenluider.
4.4.
Uit artikel 17e van de Wbk volgt - voor zover hier van belang - dat een melder tijdens en na de behandeling van een melding van een vermoeden van een misstand niet mag worden benadeeld. Het op non-actief stellen van een werknemer of het ontbinden van de arbeidsovereenkomst valt onder een dergelijke benadeling. In artikel 1 van Pro de Wbk wordt een definitie van het begrip misstand gegeven. Het gaat daarbij om handelingen of nalatigheden waarbij het maatschappelijk belang in het geding is bij onder meer (i) een (gevaar voor) schending van een wettelijk voorschrift of (ii) een gevaar voor de veiligheid van personen of voor het goed functioneren van de openbare dienst of een onderneming als gevolg van een onbehoorlijke wijze van handelen of nalaten. Het maatschappelijk belang is in ieder geval in het geding indien de handeling of nalatigheid niet enkel persoonlijke belangen raakt en er sprake is van oftewel een patroon of structureel karakter dan wel de handeling of nalatigheid ernstig of omvangrijk is.
4.5.
[verweerder] heeft naar het oordeel van de kantonrechter tegenover de weerspreking van [verzoeker] onvoldoende aangevoerd om te kunnen concluderen dat in dit geval sprake is van een maatschappelijke belang dat het persoonlijke belang van [verweerder] overstijgt. [4] De door [verweerder] tegen het beklaagde gemeentelid gerichte klachten zien specifiek op een individuele situatie tussen haar en het beklaagde gemeentelid. Van een misstand in de zin van de Wbk is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake en [verweerder] komt dan ook geen klokkenluidersbescherming toe.
Verwijtbaar handelen of nalaten (e-grond)
4.6.
[verzoeker] stelt primair dat de redelijke grond voor ontbinding is gelegen in het (ernstig) verwijtbaar handelen van [verweerder] op 1 februari 2026. Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door [verzoeker] in dat verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden geen redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e BW Pro. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.7.
Partijen geven beide een andere lezing van wat er op 1 februari 2026 tussen [verweerder] en [betrokkene 1] is voorgevallen. Volgens [verzoeker] heeft [verweerder] na afloop van een eredienst in de kerk een ernstige (mogelijk tegen het leven gerichte) bedreiging jegens [betrokkene 1] geuit door te zeggen “
de vader van [betrokkene 4] is net vrijgekomen uit de gevangenis, dus pas maar op” en “
dit is geen bedreiging maar een belofte”. Deze vermeende bedreiging heeft volgens [verzoeker] een enorme impact gehad op [betrokkene 1] en haar gezin, zodanig dat zij daarvan een melding heeft gemaakt bij de politie. [verzoeker] heeft ter onderbouwing van de vermeende bedreiging een viertal verklaringen overgelegd. [verweerder] betwist dat zij [betrokkene 1] heeft bedreigd. Zij heeft toegelicht dat zij op de bewuste dag niet lekker in haar vel zat doordat zij vlak daarvoor te horen had gekregen dat haar vader ernstig ziek was en in de laatste levensfase zat. Daarnaast ervoer [verweerder] op het werk veel stress doordat het beklaagde gemeentelid erop stond dat zij als kosteres zou vertrekken en dat zij in persoon haar excuses aan hem zou aanbieden. Bovendien baalde [verweerder] ervan dat de verhoudingen tussen haar en [betrokkene 1] (voorheen een goede vriendin) sinds haar melding tegen het beklaagde gemeentelid steeds verder onder druk waren komen te staan. Toen zij [betrokkene 1] onder deze omstandigheden voorin in de kerk tegenkwam, heeft zij tegen haar gezegd dat zij niet in haar eentje naar het beklaagde gemeentelid toe durfde te gaan om haar excuses te maken en dat zij daarom haar ex-partner (de vader van haar zoon [betrokkene 4]) mee zou nemen als bescherming. Hierop heeft [betrokkene 1] haar broer gehaald en hebben zij juist [verweerder] bedreigd en uitgescholden. [verweerder] heeft later die dag haar excuses aan [betrokkene 1] aangeboden, omdat ze inzag dat de kerk niet de juiste plek was voor een dergelijk gesprek.
4.8.
De kantonrechter laat in het midden in welke bewoordingen [verweerder] zich precies heeft uitgelaten tegenover [betrokkene 1] op 1 februari 2026. Ook in het geval vast zou komen te staan dat [verweerder] de door [verzoeker] gestelde uitspraken heeft gedaan, zijn deze uitspraken naar het oordeel van de kantonrechter weliswaar verwijtbaar, maar gelet op alle feiten en omstandigheden onvoldoende om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te rechtvaardigen. Niet valt in te zien waarom [verzoeker], mede gelet op het lange dienstverband en de (onweersproken) persoonlijke omstandigheden van [verweerder], niet met een lichtere disciplinaire maatregel zoals een tijdelijke schorsing of een officiële waarschuwing kon volstaan. Daarbij neemt de kantonrechter mede in aanmerking dat [verweerder] nog dezelfde dag haar excuses aan [betrokkene 1] heeft aangeboden, dat het een op zichzelf staand voorval betreft en dat een dergelijk voorval zich niet eerder in haar dienstverband van ruim negen jaar heeft voorgedaan. [verzoeker] heeft zelf ook verklaard dat het voorval de druppel was die de emmer deed overlopen, vanwege de door haar gestelde verstoorde arbeidsverhoudingen. Dat betekent dat geen sprake is van een voldragen e-grond en dat de arbeidsovereenkomst niet op die grond kan worden ontbonden.
Verstoorde arbeidsverhouding (g-grond)
4.9.
De kantonrechter is van oordeel dat evenmin is gebleken van een redelijke grond voor ontbinding zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW Pro. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.10.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken leidt de kantonrechter af dat de verhoudingen tussen partijen sinds de melding van [verweerder] op 27 mei 2024 over (seksueel) grensoverschrijdend gedrag door het beklaagde gemeentelid steeds verder onder druk zijn komen te staan en dat de communicatie tussen [verweerder] en het bestuur van de kerk moeizaam verloopt. Daarmee staat vast dat sprake is van een (verticaal) verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen.
4.11.
Een enkele verstoorde arbeidsverhouding rechtvaardigt echter nog geen ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De wet stelt daaraan nog meer eisen: de verstoring moet duurzaam én van dien aard zijn dat van de werkgever (in dit geval [verzoeker]) in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarbij geldt dat de werkgever zich in voldoende mate moet hebben ingespannen om de arbeidsrelatie te herstellen. Dat betekent (bijvoorbeeld) dat een werknemer wiens gedrag in de ogen van zijn werkgever onacceptabel is, daarop aangesproken moet worden en, als dat niet voldoende helpt, de mogelijkheid moet krijgen om dat gedrag aan te passen.
4.12.
[verzoeker] stelt weliswaar dat zij herhaaldelijk heeft (geprobeerd) om gesprekken over het verweten gedrag met [verweerder] te voeren, maar schriftelijke verslaglegging van deze gesprekken (of pogingen daartoe) ontbreekt en [verweerder] betwist dat zij door [verzoeker] op de verwijten uit het verzoekschrift is aangesproken. Bij gebrek aan onderbouwing door [verzoeker] op dit punt moet het er dan ook voor gehouden worden dat [verweerder] door [verzoeker] nimmer is aangesproken op haar wijze van communiceren of gedrag. Zij heeft nooit een officiële waarschuwing gekregen. [verzoeker] heeft bovendien op geen enkele wijze onderbouwd op welke wijze zij zich heeft ingespannen om de arbeidsrelatie te verbeteren. Hoewel [verzoeker] in 2024 contact heeft gezocht met een mediator, is een mediationtraject nooit van de grond gekomen omdat [verzoeker] (destijds onder leiding van [betrokkene 2]) bij het maken van een afspraak uiteindelijk niet meer op de berichten van de mediator heeft gereageerd en daardoor het mediationtraject heeft laten stranden. Ook onder leiding van [betrokkene 3] heeft [verzoeker] geen stappen ondernomen om de verhoudingen te verbeteren. Dit mag echter wel van [verzoeker] als werkgever worden verwacht. Daaraan doet niet af dat de taken van de CvR worden uitgevoerd door vrijwilligers zoals op de mondelinge behandeling door [verzoeker] is aangevoerd.
4.13.
[verweerder] heeft op de mondelinge behandeling zeer duidelijk te kennen gegeven dat zij werkzaam wil blijven als kosteres bij [verzoeker] en heeft verklaard dat zij ontzettend veel plezier heeft in haar werk, dat zij een goede band heeft met de (meeste) kerkgangers, dat op haar functioneren als kosteres niets is aan te merken en dat zij van mening is dat de verhoudingen met het bestuur hersteld kunnen worden door (onder begeleiding van een externe mediator) met elkaar in gesprek gaan en constructieve afspraken maken.
4.14.
Dat een terugkeer op de werkvloer niet meer mogelijk is, omdat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam is verstoord, is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gebleken. [verzoeker] heeft daartoe nog geen enkele serieuze poging ondernomen, ondanks de herhaalde verzoeken en de nog immer bestaande bereidheid van [verweerder] daartoe. Dat betekent dat er geen sprake is van een voldragen g-grond en dat de arbeidsovereenkomst ook niet op die grond kan worden ontbonden.
Conclusie
4.15.
De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van [verzoeker] zal afwijzen en dat de arbeidsovereenkomst dus niet zal worden ontbonden. De overige verweren van [verweerder] kunnen vanwege het voorgaande onbesproken blijven.
4.16.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker], omdat [verzoeker] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).
4.17.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beoordeling van het tegenverzoek

5.1.
Omdat de verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen komt de kantonrechter niet toe aan de beoordeling van de voorwaardelijke (subsidiaire) tegenverzoeken van [verweerder].
5.2.
De kantonrechter zal het verzoek van [verweerder] tot wedertewerkstelling toewijzen, omdat partijen weer invulling moeten geven aan de arbeidsovereenkomst. [verzoeker] dient [verweerder] binnen twee weken na betekening van deze beschikking weer toe te laten tot haar werkzaamheden uit de arbeidsovereenkomst. De gevorderde dwangsom zal op de hierna genoemde wijze worden toegewezen.
5.3.
Over de andere verzoeken van [verweerder] wordt het volgende overwogen. [verweerder] is uit hoofde van haar arbeidsovereenkomst onder meer verantwoordelijk voor de exploitatie van de keuken en het buffet. Tussen partijen is niet in geschil dat bij aanvang van het dienstverband is overeengekomen dat [verweerder] het verzorgde eten en drinken en de daarbij gewerkte uren rechtstreeks bij derden mag declareren. Sinds 2021 doet [verweerder] dat via haar eigen onderneming. De kantonrechter is van oordeel dat deze afspraak kwalificeert als een (mondeling overeengekomen) arbeidsvoorwaarde. Het gaat immers om een structureel onderdeel van de overeengekomen werkzaamheden en de wijze waarop daaraan uitvoering wordt gegeven. De wedertewerkstelling van [verweerder] brengt daarom mee dat zij ook (op de dezelfde termijn) weer in staat moet worden gesteld om haar cateringwerkzaamheden te verrichten zoals die eerder zijn overeengekomen. De gevorderde dwangsom zal op de hierna genoemde wijze worden toegewezen.
5.4.
[verweerder] heeft geen grondslag genoemd voor de door haar verzochte schadevergoeding vanwege de gemiste inkomsten uit haar eigen onderneming omdat zij op non-actief is gesteld. De kantonrechter begrijpt dat [verweerder] zich op het standpunt stelt dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de arbeidsovereenkomst door [verzoeker]. [verweerder] heeft echter tegenover de weerspreking van [verzoeker] onvoldoende gesteld om de conclusie te kunnen dragen dat de non-actiefstelling een (onrechtmatige) inbreuk op de arbeidsvoorwaarden oplevert. Het verzoek tot schadevergoeding wordt daarom afgewezen.
5.5.
Nu in deze beschikking al een beslissing wordt gegeven over het (tegen)verzoek van [verweerder], is er geen reden meer om een voorlopige voorziening te treffen. Een voorlopige voorziening kan immers alleen worden getroffen voor de duur van het geding. [5]
5.6.
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten in de zaak van het tegenverzoek moeten betalen, omdat beide partijen op punten ongelijk krijgen.

6.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
6.1.
wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af,
6.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.3.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [6] ,
op het tegenverzoek
6.5.
veroordeelt [verzoeker] om [verweerder] binnen twee weken na betekening van deze beschikking weer toe te laten tot haar werkzaamheden uit de arbeidsovereenkomst op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [verzoeker] niet binnen twee weken uur na betekening van dit vonnis aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
6.6.
veroordeelt [verzoeker] om [verweerder] binnen twee weken na betekening van deze beschikking weer toe te laten tot het verrichten van haar cateringwerkzaamheden in de kerkelijke gebouwen en haar toe te staan dat zij de eigendommen van haar cateringbedrijf weer in de [naam kerk] plaatst op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [verzoeker] niet binnen twee weken na betekening van dit vonnis aan deze veroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,
6.7.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
6.8.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
6.9.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. H. de Jong en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Artikel 7:669 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Artikel 7:669 lid 1 BW Pro.
3.Artikel 7:671b lid 2 BW.
4.Zie ook Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 35 851, nr. 18, blz. 3-4.
5.Artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
6.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.