ECLI:NL:RBNHO:2026:533

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
11970659 EJ VERZ 25-59
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 96 RvArt. 7:267 lid 7 BWArt. 7:266 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging medehuur en exclusieve voortzetting huurovereenkomst na relatiebreuk

Verzoekers, die gezamenlijk een huurovereenkomst zijn aangegaan voor een woning, hebben na het beëindigen van hun affectieve relatie gezamenlijk verzocht om de huurovereenkomst te wijzigen zodat slechts één van hen de huur voortzet. De verhuurder weigerde dit verzoek, waarna zij een procedure op grond van artikel 96 Rv Pro en 7:267 lid 7 BW zijn gestart.

De kantonrechter overweegt dat artikel 7:267 lid 7 BW Pro van overeenkomstige toepassing is op gezamenlijke huurders die uit elkaar gaan, waardoor de rechter kan bepalen dat een huurder de huur niet langer voortzet en de andere huurder het huurrecht exclusief voortzet. Dit besluit heeft werking tegenover de verhuurder.

De kantonrechter wijst het verzoek toe en bepaalt dat de huurder die de woning heeft verlaten de huurovereenkomst met ingang van 1 november 2025 niet langer voortzet. Tevens verklaart de rechter dat de exclusieve voortzetting van het huurrecht door de achterblijvende huurder werking heeft tegenover de verhuurder en haar eventuele opvolgers.

Het verzoek wordt als niet weersproken en op de wet gegrond toegewezen, terwijl overige vorderingen worden afgewezen.

Uitkomst: De kantonrechter bepaalt dat de vertrekkende huurder de huurovereenkomst niet langer voortzet en dat de achterblijvende huurder het huurrecht exclusief voortzet met werking tegenover de verhuurder.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11970659 \ EJ VERZ 25-59
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van

1.[verzoeker 1],

te [plaats 1],

2.[verzoeker 2],

te [plaats 2],
verzoekende partijen,
hierna te noemen: [verzoeker 1] en [verzoeker 2],
procederend in persoon,

1.De procedure

1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, ter griffie ingekomen op 14 november 2025. [verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben op grond van artikel 96 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een gezamenlijk verzoek ingediend.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben een affectieve relatie gehad en hebben op 1 april 2025 een huurovereenkomst gesloten met Haarlemmermeer Vastgoed Beheer B.V. (verder: de verhuurder) voor de woning aan het adres [adres] te [plaats 2] (verder: de woning)
2.2.
De relatie tussen [verzoeker 1] en [verzoeker 2] is op 16 september 2025 verbroken. [verzoeker 1] heeft de woning duurzaam verlaten en woont sindsdien elders.
2.3.
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben de verhuurder verzocht de huurovereenkomst te wijzigingen in die zin dat enkel [verzoeker 2] aan de huurovereenkomst is gebonden. De verhuurder heeft dit verzoek geweigerd.

3.Het verzoek

3.1.
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] verzoeken te bepalen dat [verzoeker 1] de huur van de woning ingang van 1 november 2025 niet langer zal voortzetten. In het geval het verzoek wordt toegewezen, verzoeken [verzoeker 1] en [verzoeker 2] voor recht te verklaren dat de exclusieve toewijzing van het huurrecht aan [verzoeker 2] werking heeft tegenover de verhuurder en haar eventuele opvolgers.
3.2.
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] hebben aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat zij
op grond van artikel 7:267 lid 7 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) de kantonrechter kunnen verzoeken om de status van [verzoeker 1] als medehuurder te laten beëindigen. Zij zijn gezien de weigering van de verhuurder genoodzaakt een procedure op grond van artikel 96 Rv Pro in te stellen.

4.De beoordeling

4.1.
Het verzoek van partijen zal worden beslist door middel van een vonnis. Artikel 96 Rv Pro schrijft niet voor op welke wijze er wordt beslist. Nu een verzoek op grond van artikel 7:267 lid 7 BW Pro normaal gesproken wordt ingeleid met een dagvaarding – waarop vervolgens beslist wordt met een vonnis – zal hierop aansluiting worden gezocht.
4.2.
Uit artikel 7:267 lid 7 BW Pro volgt dat de huurder en/of wettelijke medehuurders kunnen vorderen dat de rechter bepaalt dat die huurder of wettelijke medehuurders de huur met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip niet langer zullen voortzetten. Volgens vaste rechtspraak is artikel 7:267 lid 7 BW Pro van overeenkomstige toepassing in het geval gezamenlijke huurders uit elkaar gaan. Het gaat dan om gevallen waarin twee of meer personen gezamenlijk een huurovereenkomst met de verhuurder hebben gesloten en zij – anders dan in de door artikel 7:266 BW Pro en artikel 7:267 BW Pro bedoelde gevallen – allen partij zijn bij die overeenkomst.
4.3.
De overeenkomstige toepassing van artikel 7:267 lid 7 BW Pro op gezamenlijke huur strekt zich blijkens die rechtspraak ook uit tot de werking tegenover de verhuurder. Als dat artikel wordt toegepast, eindigt de huurovereenkomst dus ten aanzien van de vertrekkende huurder(s) op de door de rechter bepaalde dag en wordt de huurovereenkomst ten aanzien van de achterblijvende huurder(s) voortgezet.
4.4.
Dit juridisch toetsingskader in overweging nemende, wordt bepaald dat [verzoeker 1] met ingang van
1 november 2025niet langer de huur voort zet. Uit het voorgaande volgt dat een dergelijke uitspraak ook werking heeft tegenover de verhuurder. Nu het verzoek door beide partijen is ingesteld, zullen de vorderingen als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
bepaalt dat [verzoeker 1] de huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan de
[adres] te [plaats 2], met ingang van
1 november 2025niet langer voortzet;
5.2.
verklaart voor recht dat toewijzing van het huurrecht aan [verzoeker 2] werking heeft tegenover de verhuurder van de woonruimte, Haarlemmermeer Vastgoed Beheer B.V. en haar eventuele opvolgers;
5.3.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd/verzocht.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.