Verzoekster heeft op 13 april 2026 schriftelijk een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die op 10 april 2026 een einduitspraak had gedaan in een zaak betreffende een verzoek om voorlopige voorziening.
De wrakingskamer heeft beoordeeld dat op grond van artikel 5, tweede lid, onder d, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank een wrakingsverzoek niet kan worden ingediend nadat de einduitspraak is gedaan. Omdat het verzoek pas na de einduitspraak werd ingediend, is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk.
De wrakingskamer heeft daarom geen mondelinge behandeling vastgesteld en het verzoek inhoudelijk niet behandeld. De beslissing is op 20 april 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter en leden van de wrakingskamer.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. De griffier is bevolen om een afschrift van de beslissing aan verzoekster, de rechter en de wederpartij toe te zenden.