Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:5259

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
K/4102/12096310
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:681 lid 1 onderdeel a BWArt. 7:672 lid 11 BWArt. 7:677 lid 4 BWArt. 7:667 lid 1 BWArtikel 10 lid 1 onder a CAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing billijke vergoeding en vergoeding onregelmatige opzegging bij rechtsgeldig geëindigde uitzendovereenkomst

De werknemer was sinds 11 juli 2024 werkzaam bij Tempo-Team op basis van meerdere uitzendovereenkomsten, laatstelijk in fase B van de CAO voor Uitzendkrachten. De laatste uitzendovereenkomst liep van 3 november 2025 tot en met 7 december 2025. Tempo-Team beëindigde de overeenkomst van rechtswege per 8 december 2025, wat zij schriftelijk en mondeling aan de werknemer heeft bevestigd.

De werknemer stelde dat de uitzendovereenkomst niet rechtsgeldig was geëindigd omdat hij de contracten in fase B niet tijdig schriftelijk had ontvangen en dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Hij verzocht om een billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging.

De kantonrechter oordeelde dat de fasen systematiek van de CAO duidelijk is en dat de uitzendovereenkomst in fase B standaard voor drie maanden geldt, tenzij anders overeengekomen en bevestigd. Het verbeterplan en de brief van Tempo-Team bevestigden de contractduur tot 7 december 2025. De werknemer had geen recht op een contract voor onbepaalde tijd omdat fase B nog niet was afgerond en het maximum aantal contracten niet was bereikt.

Daarom is de uitzendovereenkomst rechtsgeldig geëindigd van rechtswege per 8 december 2025. Het verzoek om vergoedingen wordt afgewezen en de werknemer wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De uitzendovereenkomst is rechtsgeldig van rechtswege geëindigd per 8 december 2025, waardoor het verzoek om vergoedingen wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer / rekestnummer: 12096310 \ AO VERZ 26-18 (HB)
Beschikking van 28 april 2026
in de zaak van
[verzoeker],
te [plaats],
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker],
gemachtigde: mr. Q. Basharat (FNV),
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TEMPO-TEAM UITZENDEN B.V.,
te Schiphol,
verwerende partij,
hierna te noemen: Tempo-Team,
gemachtigde: mr. J. Caro.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werknemer om toekenning van een billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging. De werknemer legt aan zijn verzoek ten grondslag dat de werkgever er ten onrechte van uitgaat dat de tussen partijen gesloten (laatste) uitzendovereenkomst met ingang van 8 december 2025 van rechtswege is geëindigd. De kantonrechter wijst het verzoek af, omdat die uitzendovereenkomst rechtsgeldig (van rechtswege) is geëindigd met ingang van 8 december 2025.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties, ingekomen op 9 februari 2026;
- het verweerschrift met producties, (alsnog) ingekomen op 30 maart 2026;
- de mondelinge behandeling van 31 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitnota van [verzoeker].
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.Feiten

2.1.
[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1973, is op 11 juli 2024 bij Tempo-Team in dienst getreden op basis van een uitzendovereenkomst. Hij was (steeds) werkzaam in de functie van Logistiek Medewerker bij opdrachtgever GXO Logistic Services Netherlands B.V. (hierna: GXO), laatstelijk voor 96 uur per periode van vier weken tegen een salaris van € 576,00 per week, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.
2.2.
Op de dienstbetrekking is de collectieve arbeidsovereenkomst voor Uitzendkrachten (ABU, looptijd van 1 april 2024 t/m 31 december 2025, hierna: de CAO) van toepassing. Per 1 januari 2026 is een nieuwe versie van deze CAO in werking getreden. In de CAO is bepaald dat de rechtspositie van de uitzendkracht wordt bepaald aan de hand van de duur van het dienstverband, waarbij drie fasen (A, B en C) gelden. Bij de opdrachtgever is de CAO voor het Beroepsgoederenvervoer van toepassing.
2.3.
Op 11 juli 2024 heeft [verzoeker] - vóór aanvang van de werkzaamheden - de door Tempo Team gehanteerde Voorwaarden van uitzenden en detacheren (hierna: de Voorwaarden) ondertekend. In artikel 4.4.1. lid 2 van de Voorwaarden is bepaald dat elke uitzendovereenkomst in fase B wordt aangegaan voor de duur van drie maanden, tenzij anders is overeengekomen en uitdrukkelijk door Tempo-Team is bevestigd.
2.4.
[verzoeker] heeft met Tempo-Team meerdere schriftelijke uitzendovereenkomsten voor bepaalde tijd gesloten met de volgende looptijden:
• 11 juli 2024 tot en met 7 augustus 2024
• 8 augustus 2024 tot en met 4 september 2024
• 5 september 2024 tot en met 2 oktober 2024
• 3 oktober 2024 tot en met 30 oktober 2024
• 31 oktober 2024 tot en met 27 november 2024
• 28 november 2024 tot en met 25 december 2024
• 12 december 2024 tot en met 8 januari 2025
• 9 januari 2025 tot en met 5 februari 2025
• 6 februari 2025 tot en met 5 maart 2025
• 6 maart 2025 tot en met 2 april 2025
• 3 april 2025 tot en met 30 april 2025
• 1 mei 2025 tot en met 28 mei 2025
• 29 mei 2025 tot en met 25 juni 2025
• 26 juni 2025 tot en met 23 juli 2025
• 24 juli 2025 tot en met 3 augustus 2025.
In de weken 49 tot en met 52 van 2024 heeft [verzoeker] wegens vakantie en ziekte niet gewerkt.
2.5.
In de periode van 4 augustus 2025 tot en met 7 december 2025 heeft [verzoeker] zijn
werkzaamheden aansluitend voortgezet. Hij heeft over deze periode (als gevolg van een administratieve onvolkomenheid) geen schriftelijke uitzendovereenkomsten ontvangen.
2.6.
Bij e-mail van 13 oktober 2025 heeft Tempo-Team aan [verzoeker] meegedeeld
dat zijn huidige contract op 7 december 2025 afloopt en dat 7 december 2025 de laatste dag van zijn dienstverband bij Tempo-Team is.
2.7.
Bij het verweerschrift is een door beide partijen ondertekend, ongedateerd verbeterplan (PIP) overgelegd (dat - naar Tempo-Team ter zitting onweersproken heeft gesteld - half oktober 2025 is gemaakt). Dat verbeterplan is overeengekomen omdat [verzoeker] volgens zijn opdrachtgever twaalf keer te laat is gekomen. In dat plan is vermeld dat Tempo-Team aan [verzoeker] een verlenging geeft tot 7 december 2025 om te zien of zijn gedrag verbetert
(‘if he performs better’) en dat te laat komen zal resulteren in geen verlenging na 7 december 2025. Na 7 december 2025 is de overeenkomst niet voortgezet. Dat heeft Tempo-Team ook mondeling aan [verzoeker] meegedeeld.
2.8.
Vervolgens heeft Tempo-Team een eindafrekening aan [verzoeker] verstrekt en heeft zij op 5 januari 2026 de transitievergoeding aan [verzoeker] betaald.
2.9.
Bij e-mail van 19 januari 2026 heeft de gemachtigde van [verzoeker] aan Tempo-Team meegedeeld dat hij van mening is dat de uitzendovereenkomst niet van rechtswege per 7 december 2025 is geëindigd, maar dat vanaf 13 oktober 2025 sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Hij heeft Tempo-Team gevraagd uit te leggen waarom volgens haar sprake is van een einde van rechtswege. Omdat een reactie uitbleef, heeft de gemachtigde van [verzoeker] op 2 en 5 februari 2026 herinneringen aan Tempo-Team toezonden.
2.10.
Op 9 februari 2026 heeft [verzoeker] deze verzoekschriftprocedure aangespannen. Bij e-mail van diezelfde datum heeft Tempo-Team alsnog op de e-mails van [verzoeker] gereageerd. Daarin heeft Tempo-Team aangegeven dat [verzoeker] met ingang van 4 augustus 2025 is gedetacheerd in fase B, dat partijen in die fase twee contracten (van 4 augustus 2025 tot en met 2 november 2025 en van 3 november 2025 tot en met 7 december 2025) zijn aangegaan en dat het laatste contract van rechtswege is geëindigd, zodat [verzoeker] geen recht heeft op een fase C contract voor onbepaalde tijd. Die contracten heeft Tempo-Team bij die e-mail gevoegd.
2.11.
Vervolgens heeft [verzoeker] de aangespannen verzoekschriftprocedure voortgezet.

3.Het verzoek

3.1.
Na wijziging van het verzoek ter zitting verzoekt [verzoeker] de kantonrechter (in de hoofdzaak) om hem een billijke vergoeding [1] en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging [2] toe te kennen, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten.
3.2.
[verzoeker] had ook bij wijze van voorlopige voorziening om doorbetaling van zijn salaris vanaf 8 december 2026 en om wedertewerkstelling verzocht. Door de wijziging van het verzoek in de hoofdzaak - waarbij [verzoeker] de ‘switch’ heeft gemaakt van vernietiging van de opzegging naar toekenning van de verzochte vergoedingen - moet de verzochte voorlopige voorziening als ingetrokken worden beschouwd.
3.3.
[verzoeker] legt aan zijn verzoek (nader) ten grondslag - kort weergegeven - dat de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege op 8 december 2025 is geëindigd. [verzoeker] erkent (ter zitting) dat fase B [3] van de uitzendrelatie is ingetreden op 4 augustus 2025, maar wijst er op dat partijen geen schriftelijke overeenstemming hebben bereikt over de door Tempo-Team gestelde twee contracten in fase B. [verzoeker] heeft die contracten immers niet (eerder dan op 9 februari 2026) ontvangen. Dat is temeer relevant omdat [verzoeker] in fase A van de uitzendrelatie de contracten wel steeds schriftelijk per e-mail ontving.
3.4.
Uitgaande van de hoofdregel van artikel 4.4.1 lid 2 van de Voorwaarden (een overeenkomst voor drie maanden in fase B) liep het tweede contract in fase B door tot en met 2 februari 2026. De feitelijke beëindiging van de uitzendovereenkomst tegen 8 december 2025, die als een opzegging moet worden aangemerkt, is dus niet rechtsgeldig. [verzoeker] heeft immers niet met die opzegging ingestemd en Tempo-Team beschikt niet over een ontslagvergunning van het UWV. Daarom heeft [verzoeker] recht op de door hem verzochte vergoedingen.
3.5.
Onder ‘de beoordeling’ zal zo nodig verder op het standpunt van [verzoeker] worden ingegaan.

4.Het verweer

4.1.
Tempo-Team vindt dat het verzoek moet worden afgewezen en dat [verzoeker] in de proceskosten (inclusief nakosten) moet worden veroordeeld.
4.2.
Zij voert hiertoe aan – kort samengevat – dat de laatste uitzendovereenkomst in fase B (en daarmee de uitzendrelatie tussen partijen) met ingang van 8 december 2025 rechtsgeldig (van rechtswege) is geëindigd.
4.3.
Op het standpunt van Tempo-Team zal zo nodig onder de beoordeling verder worden ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of aan [verzoeker] een billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging moeten worden toegekend.
5.2.
De kantonrechter oordeelt dat [verzoeker] geen recht heeft op de door hem verzochte vergoedingen, omdat de laatste uitzendovereenkomst (en daarmee de uitzendrelatie tussen partijen) met ingang van 8 december 2025 rechtsgeldig is geëindigd. Reden daarvoor is het volgende.
Juridisch kader: de fasen systematiek van de CAO
5.3.
In artikel 10 van Pro de CAO is een fasen systematiek neergelegd, die – voor zover hier van belang - in het kort op het volgende neerkomt:
- De uitzendkracht is werkzaam in fase A zolang hij nog niet in meer dan 52 weken voor dezelfde uitzendonderneming heeft gewerkt [4] . Kalenderweken waarin geheel niet wordt gewerkt, tellen niet mee voor de duur van fase A;
- De daarop volgende fase B duurt maximaal drie jaar. In deze fase kunnen maximaal zes uitzendovereenkomsten (zonder uitzendbeding) worden overeengekomen. [5] In fase B is de uitzendkracht steeds werkzaam op basis van een uitzendovereenkomst (zonder uitzendbeding) voor bepaalde tijd, tenzij uitdrukkelijk een uitzendovereenkomst (zonder uitzendbeding) voor onbepaalde tijd is overeengekomen. [6]
- In de daarop volgende fase C is de uitzendkracht steeds werkzaam op basis van een uitzendovereenkomst (zonder uitzendbeding) voor onbepaalde tijd. [7]
Waarover zijn partijen het eens?
5.4.
Tussen partijen is niet meer in geschil dat fase B van hun uitzendrelatie op 4 augustus 2025 is aangevangen, in aansluiting op de laatste uitzendovereenkomst (over de periode van 24 juli 2025 tot en met 3 augustus 2025) in fase A. [verzoeker] heeft erkend dat uit de CAO volgt dat weken waarin (als gevolg van ziekte of vakantie) niet is gewerkt, niet meetellen voor de duur van fase A. Hij heeft ook erkend in de weken 49 tot en met 52 van 2024 niet te hebben gewerkt.
5.5.
Ook staat vast dat [verzoeker] vanaf 4 augustus 2025 tot en met 7 december 2026 heeft doorgewerkt bij dezelfde opdrachtgever als waarvoor hij in fase A al werkzaam was.
5.6.
Verder zijn partijen het erover eens dat de bij het verweerschrift overgelegde uitzendovereenkomsten over de perioden van 4 augustus 2025 tot en met 2 november 2025 en van 3 november 2025 tot en met 7 december 2025 pas achteraf (bij e-mail van 9 februari 2026) aan [verzoeker] zijn verstrekt.
De eerste uitzendovereenkomst in fase B
5.7.
Hoewel [verzoeker] destijds geen schriftelijke uitzendovereenkomst over de periode van 4 augustus 2025 tot en met 2 november 2026 had ontvangen, was naar het oordeel van de kantonrechter voor [verzoeker] duidelijk (of had hem in ieder geval duidelijk moeten zijn) dat partijen met ingang van 4 augustus 2025 een uitzendovereenkomst voor de duur van drie maanden hadden gesloten. In artikel 4.4.1. lid 2 van de (door [verzoeker] ondertekende en hem dus bekende) Voorwaarden is immers bepaald, dat een uitzendovereenkomst in fase B wordt aangegaan voor de duur van drie maanden, tenzij anders is overeengekomen en uitdrukkelijk door Tempo-Team is bevestigd. Van een andersluidende overeenkomst of bevestiging door Tempo-Team is niet gebleken. Bovendien heeft [verzoeker] ter zitting erkend dat hem aan het einde van fase A mondeling is meegedeeld en uitgelegd dat hij bij de start van fase B een contract voor drie maanden zou krijgen.
5.8.
Het eerste contract in fase B is dus rechtsgeldig (voor de duur van drie maanden) aangegaan. De omstandigheid dat de eerdere contracten in fase A wel steeds schriftelijk aan [verzoeker] zijn bevestigd, maakt dat niet anders.
De tweede uitzendovereenkomst in fase B
5.9.
[verzoeker] stelt dat de daarop volgende uitzendovereenkomst (met startdatum 3 november 2025) geacht moet worden voor drie maanden te zijn aangegaan, omdat hij toen geen andersluidende schriftelijke uitzendovereenkomst (met een kortere contractstermijn) heeft ontvangen.
5.10.
De kantonrechter verwerpt dat standpunt. Zoals gezegd moet op grond van artikel 4.4.1. lid 2 van de Voorwaarden een afwijking van de (standaard) contractstermijn van drie maanden worden ‘overeengekomen’ en ‘uitdrukkelijk door Tempo-Team worden bevestigd’. In dit geval is aan die beide vereisten voor afwijking van de standaardtermijn voldaan doordat partijen het verbeterplan hebben ondertekend. In dat verbeterplan is immers uitdrukkelijk vermeld dat de uitzendovereenkomst met een (afwijkende) termijn (van ruim een maand) tot en met 7 december 2025 zal worden ‘verlengd’.
5.11.
Ook bij de brief van 13 oktober 2025 heeft Tempo-Team aan [verzoeker] bevestigd dat 7 december 2025 de laatste dag van het dienstverband zou zijn.
Conclusie: einde van rechtswege per 8 december 2025, afwijzing van de verzoeken
5.12.
Door het verstrijken van de overeengekomen duur (van 3 november 2025 tot en met 7 december 2025) is de tweede uitzendovereenkomst in fase B rechtsgeldig van rechtswege geëindigd met ingang van 8 december 2025. [8] Er is geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan, omdat het maximum van zes arbeidsovereenkomsten in fase B nog niet was bereikt en fase B nog geen drie jaar had geduurd [9] (en partijen evenmin een overeenkomst voor onbepaalde tijd zijn overeengekomen [10] ).
5.13.
De omstandigheid dat [verzoeker] in september 2025 al toestemming had gekregen voor een vakantie vanaf 18 december 2025 doet aan het rechtsgeldige einde van de uitzendovereenkomst per 8 december 2025 niet af.
5.14.
De conclusie is dat de gevraagde vergoedingen (en de nevenverzoeken) zullen worden afgewezen.
De proceskosten
5.15.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker], omdat [verzoeker] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van Tempo-Team worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
wijst het verzoek af,
6.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad [11] .
Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026.
De griffier, De kantonrechter,

Voetnoten

1.Op grond van artikel 7:681 lid 1 onderdeel Pro a BW.
2.Naar de kantonrechter begrijpt op grond van artikel 7:672 lid 11 BW Pro of artikel 7:677 lid 4 BW Pro.
3.Zie artikel 10 lid 2 CAO Pro.
4.Zie artikel 10 lid 1 onder Pro a CAO.
5.Zie artikel 10 lid 2 onder Pro b CAO.
6.Zie artikel 10 lid 3 onder Pro c CAO.
7.Zie artikel 10 lid 3 onder Pro b CAO.
8.Overeenkomstig artikel 7:667 lid1 BW.
9.Zie artikel 10 lid 2 onderdeel Pro b CAO.
10.Zie artikel 10 lid 2 onderdeel Pro c CAO.
11.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.