Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 mei 2026 in de zaken tussen
in zaken HAA 26/919 en HAA 26/2387 [verzoeker 1] h.o.d.n. [bedrijf 1] , uit Zaandam, verzoeker,
[bedrijf 2], uit Zaandam, verzoeker,
[bedrijf 3], uit Zaandam, verzoeker,
in alle zaken de burgemeester van de gemeente Zaanstad
Samenvatting
8 januari 2026in stand heeft gelaten [1] . Volgens de burgemeester heeft verzoeker, evenals de andere verzoekers, de bedrijfsmatige activiteit glazenwassen vanuit Zaandam uitgeoefend zonder te beschikken over een volgens de burgemeester daarvoor vereiste vergunning.
26 mei 2025; het bezwaar van verzoeker daartegen heeft de burgemeester bij het bestreden besluit van
17 april 2026niet-ontvankelijk verklaard.
8 januari 2026in stand gelaten.
19 maart 2025, die de burgemeester na bezwaar bij bestreden besluit van
8 januari 2026in stand heeft gelaten.
8 januari 2026in stand gelaten.
19 maart 2025, die de burgemeester na bezwaar bij bestreden besluit van
8 januari 2026in stand heeft gelaten.
Feiten en omstandigheden en procesverloop
1 november 2024 als bezoekadres ingeschreven het adres [adres 3] in Amsterdam. Verzoeker woont aan de [adres 4] in Zaandam-Oost. Tot 1 november 2024 was dit woonadres in de KvK geregistreerd als bezoekadres van [bedrijf 2] . Thans is als bezoekadres ingeschreven [adres 5] in Leusden.
15 mei 2024 als bezoekadres ingeschreven het adres [adres 1] [3] in Bilthoven. Verzoeker woont aan de [adres 6] in Zaandam-Oost. Tot 15 mei 2024 was dit woonadres in de KvK geregistreerd als bezoekadres van [bedrijf 3] .
binnen 1 dag na verzenddatum van deze brief.
ineens.”
10 maart 2025 (de eerste last) de verbeurde dwangsom heeft ingevorderd.
.Verzoekers [verzoeker 2] / [bedrijf 2] en [verzoeker 3] / [bedrijf 3] hebben op 24 april 2026 aanvullende gronden ingediend.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
19 maart 2025. Verzoekers lopen immers als zij hun activiteiten niet staken (die volgens de burgemeester een overtreding inhouden) direct risico om de dwangsom van € 40.000,- te verbeuren.
- dat het verzoekers toegestaan is om in Zaandam-Oost te wonen;
- dat zij het glazenwassersbedrijf zonder vergunning buiten Zaandam-Oost mogen uitoefenen;
- dat zij vanuit Zaandam-Oost zonder vergunning woon-werkbewegingen mogen maken; en
- dat deze omstandigheden tezamen niet automatisch betekenen dat de bedrijven op de woonadressen in Zaandam-Oost zijn gevestigd;
19 december 2024.
Conclusie en gevolgen
19 maart 2025 die zijn opgelegd aan verzoekers [verzoeker 2] / [bedrijf 2] en [verzoeker 3] / [bedrijf 3] en op de (eerste) last onder dwangsom van 10 maart 2025 die is opgelegd aan [verzoeker 1] / [bedrijf 1] . Er is geen grond voor een proceskostenveroordeling in verband met de beslissing op deze verzoeken.
€ 1.868,- voor verzoekers [verzoeker 2] / [bedrijf 2] en [verzoeker 3] / [bedrijf 3] (gezamenlijk) voor bijstand door een professionele gemachtigde (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,-, met weging 1 en factor 1 voor twee samenhangende zaken).
- wijst de verzoeken inzake HAA 26/919, HAA 26/920 en HAA 26/984 af, die zagen op de bestreden besluiten van 8 januari 2026 over de invorderingsbesluiten van 19 maart 2025 gericht tegen [verzoeker 2] / [bedrijf 2] en [verzoeker 3] / [bedrijf 3] en gericht tegen de (eerste) last onder dwangsom van 10 maart 2025 opgelegd aan [verzoeker 1] / [bedrijf 1] ;
- wijst de verzoeken inzake HAA 26/2351, HAA 26/2428 en HAA 26/2430, die zagen op de bestreden besluiten van 8 januari 2026 over de (tweede) lasten onder dwangsom van 19 maart 2025 opgelegd aan [verzoeker 2] / [bedrijf 2] en [verzoeker 3] / [bedrijf 3] en op het bestreden besluit tot niet-ontvankelijkverklaring van 17 april 2026 gericht aan [verzoeker 1] / [bedrijf 1] als volgt toe:
- schorst die bestreden besluiten;
- schorst de twee tweede lasten onder dwangsom van 19 maart 2025 gericht aan verzoekers [verzoeker 2] / [bedrijf 2] en [verzoeker 3] / [bedrijf 3] ;
- schorst de tweede last onder dwangsom van 25 mei 2025 gericht aan verzoeker [verzoeker 1] / [bedrijf 1] ;
- bepaalt dat de schorsing vervalt zes weken nadat op de beroepen uitspraak is gedaan;
- veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoekers [verzoeker 2] / [bedrijf 2] en [verzoeker 3] / [bedrijf 3] tot een bedrag van € 1.868,-;
- veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoeker [verzoeker 1] / [bedrijf 1] tot een bedrag van € 1.868,-;
- bepaalt dat de burgemeester aan elk van de verzoekers (eenmaal) het griffierecht van € 200,- vergoedt.