Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
1.[eiser 1],
2.
[eiser 2],
1.[gedaagde 1],
2.
[gedaagde 2],
1.De procedure
2.De feiten
rechtbank:het frame van de garage] gedeeltelijk zijn opgericht op de grond van [eisers], dat daarbij geen rekening is gehouden met de strook van 30 cm over een lengte van twaalf meter en dat [eisers] door de plaatsing van de H-balken hun dakgoot van hun uitbouw/gastenverblijf niet meer kunnen bereiken.
{Afbeelding 1}
Hierbij verklaar ik, […] [betrokkene], […] dat ik tot 2023 mede eigenaar ben geweest van het perceel [adres 2]/[adres 2 A] te [plaats 1] in welke hoedanigheid ik in overleg met de eigenaren van het perceel [adres 1] te [plaats 1] in september 2002 (als onderdeel van een uitvoerige verbouwing) in gezamenlijkheid met deze eigenaren mede heb opgericht een aantal stapelbare bloembakken en een betonnen schutting over een deel van de westgrens van het perceel (tot aan de lage uitbouw) [adres 1] te [plaats 1] afscheiding van de percelen [adres 2]/[adres 2 A] en [adres 1] te [plaats 1]. De plaatsing van de bakken en schutting werd in onderling overleg vastgesteld en uitgevoerd. Kosten voor plaatsing werden door ieder zijn deel (50%) gedragen. De kosten voor het jaarlijks onderhoud werden in gemeenschappelijkheid – ieder voor zijn deel – gedragen. De betreffende bloembakken en betonnen schutting zijn nog steeds aanwezig.”
3.Het geschil
- aan de voorzijde: tussen de percelen van partijen door het midden van de plantenbakken, de muur van de carport van [eisers] en de betonnen schutting tot aan de lage uitbouw/gastenverblijf van [eisers];
- aan de achterzijde: (vanaf de lage uitbouw/gastenverblijf) tussen de percelen van partijen gelijk is aan de kadastrale erfgrens. [eisers] vorderen vervolgens ontruiming van hun grond, in die zin dat [gedaagden] alles wat zij in, op en boven de grond hebben geplaatst, waaronder het beton en het stalen frame voor de garage, moeten verwijderen. Voor zover [gedaagden] niet (tijdig) aan de veroordeling tot ontruiming voldoen, vorderen [eisers] betaling van een dwangsom van € 500,00 per dat tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt. Tot slot vorderen [eisers] dat [gedaagden] in de proceskosten worden veroordeeld.
- [gedaagden] door verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond aan de achterzijde die evenwijdig loopt aan de garage van [eisers] en het in het verlengde daarvan aanwezig zijnde hek, in die zin dat het afgebakende stuk grond aan [gedaagden] in eigendom toebehoort;
- aan de voorzijde de kadastrale erfgrens de leidende erfgrens is tussen de percelen van partijen.
[gedaagden] vorderen verder veroordeling van [eisers] tot medewerking aan alles wat nodig is om de feitelijke erfgrens aan de achterzijde te registreren als de leidende (juridische) erfgrens en [eisers] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van
4.De beoordeling
tegende aanbouw van [eisers] is geplaatst, dat de muur van de aanbouw als achterwand diende van de schuur en dat de dakgoot van de aanbouw van [eisers] over het dak van de schuur van [gedaagden] hing. Onweersproken staat vast dat de schuur een lengte van 7,5 meter had, en dat de muur van de aanbouw van [eisers] een lente heeft van 11,95 meter.
De rechtbank wijst de tegenvordering van [gedaagden] toe en de vordering van [eisers] af, voor zover die zien op dit gedeelte van de strook grond.
- aan de voorzijde:in de lengterichting door het midden van de plantenbakken, in het verlengde daarvan in de lengterichting door het midden van de muur van de carport en in het verlengde daarvan in de lengterichting door het midden van de betonnen schutting (muur);
- aan de achterzijde:vanaf het beginpunt (meetpunt 6) van de muur van de aanbouw van [eisers], langs de buitenzijde van deze muur tot aan het uiteinde van de muur (meetpunt 22), en vanaf het uiteinde van de muur (meetpunt 22) de kadastrale erfgrens aanhoudend tot aan de verfmarkering op de stenen paal aan de achterzijde van de percelen. [4]
[gedaagden] hebben aangevoerd dat [eisers] geen ontruiming kunnen vorderen, omdat zij daarbij geen belang hebben, hun rechten hebben verwerkt, de vordering tot ontruiming misbruik van recht zou opleveren en [gedaagden] onevenredig in hun belangen zouden worden geschaad.
Partijen hebben beiden op onderdelen gelijk gekregen over het verloop van de (juridische) grens tussen hun percelen. Zij moeten er zelf voor zorgdragen dat de door rechtbank vastgestelde juridische grens op de daartoe geëigende wijze wordt geregistreerd bij het kadaster.
5.De beslissing
1 april 2026.