ECLI:NL:RBNHO:2026:5124

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
C/15/364653
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • E.B. van den Heuvel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:99 BWArt. 3:105 BWArt. 3:107 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Juridische erfgrens vastgesteld tussen buren na verjaring van stroken grond

Partijen, buren, zijn in geschil over de erfgrens tussen hun percelen, waarbij de feitelijke grens afwijkt van de kadastrale grens. Beide partijen stellen dat zij door verjaring eigenaar zijn geworden van stroken grond van de ander. De rechtbank beoordeelt de vorderingen en tegenvorderingen gezamenlijk.

Aan de voorzijde oordeelt de rechtbank dat eisers eigenaar zijn van de strook grond tussen de kadastrale en feitelijke erfgrens, omdat zij deze strook meer dan 20 jaar exclusief in bezit hebben gehad, mede door het plaatsen van bloembakken en een betonnen schutting in overleg met de rechtsvoorganger van gedaagden. Aan de achterzijde is de situatie complexer: gedaagden zijn eigenaar geworden van een strook grond langs de muur van de aanbouw van eisers, waar meer dan 20 jaar een schuur stond, maar niet van het achterste deel grenzend aan een hek, waar geen bezit is aangetoond.

De rechtbank wijst de vordering van eisers tot ontruiming van grond af wegens gebrek aan belang en wijst de tegenvordering van gedaagden tot registratie van de erfgrens af. Proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank stelt de juridische erfgrens vast waarbij eisers eigenaar zijn van de strook aan de voorzijde en gedaagden van een deel aan de achterzijde, met afwijzing van ontruimingsvorderingen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/364653 / HA ZA 25-259
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van

1.[eiser 1],

wonende de [plaats 1],
2.
[eiser 2],
wonende te [plaats 2],
eisende partijen in conventie,
gedaagde partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [eisers],
advocaat: mr. L.W. van de Wetering,
tegen

1.[gedaagde 1],

wonende te [plaats 1],
2.
[gedaagde 2],
wonende te [plaats 3],
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden],
advocaat: mr. P. Thole.
De zaak in het kort
Partijen zijn buren van elkaar. Zij zijn het oneens over het verloop van de erfgrens tussen hun percelen. De feitelijke grens aan de voor- en achterzijde van beide percelen loopt niet gelijk aan de juridische (kadastrale) grens. Beide partijen hebben zich op het standpunt gesteld dat de juridische erfgrens door tijdsverloop is verschoven, omdat zij door verjaring de eigendom hebben verkregen van een strook grond van de ander. Partijen hebben over en weer vorderingen en tegenvorderingen ingesteld.
De rechtbank geeft [eisers] gelijk voor wat betreft de erfgrens tussen de percelen aan de voorzijde. De erfafscheiding is meer dan 20 jaar geleden grotendeels geplaatst op het perceel van (nu) [gedaagden] De rechtbank oordeelt dat [eisers] door verjaring de eigendom hebben verkregen van de strook grond aan de voorzijde tussen de kadastrale erfgrens en de feitelijke erfgrens.
Voor wat betreft de erfgrens aan de achterzijde geeft de rechtbank [gedaagden] voor het merendeel gelijk. [gedaagden] hebben door verjaring de eigendom verkregen van de strook grond tussen de kadastrale erfgrens en de muur van de aanbouw van [eisers], omdat tegen een groot deel van de muur van de aanbouw meer dan 20 jaar een schuur/bebouwing heeft gestaan. De rechtsvoorganger van [gedaagden] heeft daarmee meer dan 20 jaar geleden de feitelijke macht heeft verkregen over het resterende deel van de strook grond grenzend aan de muur en gepretendeerd heeft daarvan eigenaar te zijn. Ten aanzien van het achterste deel van de erfgrens oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van verjaring. [gedaagden] hebben niet onderbouwd dat hun rechtsvoorganger dat deel van de strook grond in bezit heeft genomen. De vordering van [eisers] tot ontruiming van grond die hen in eigendom toebehoort wordt vanwege gebrek aan belang afgewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 20 augustus 2025 en de daarin vermelde stukken,
- de nagekomen producties 7 tot en met 14 van de zijde van [gedaagden],
- de mondelinge behandeling van 7 januari 2026, waarbij zowel mr. Van de Wetering als mr. Thole gebruik hebben gemaakt van spreekaantekeningen en waarvan door de griffier voor het overige aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisers] zijn vanaf 1 april 1987 eigenaren van het perceel [plaats 1] [kadaster nummer 1] met daarop de woning. Op 1 juni 1994 verkregen zij ook de eigendom van het perceel [plaats 1] [kadaster nummer 2] gelegen voor de woning. Beide percelen zijn plaatselijk bekend als [adres 1] te [plaats 1].
2.2.
[gedaagden] zijn sinds 1 februari 2022 eigenaren van de naastgelegen percelen ([kadaster nummer 3] en [kadaster nummer 4]) met daarop de woning, plaatselijk bekend als [adres 2] te [plaats 1].
2.3.
Meteen na de eigendomsoverdracht zijn [gedaagden] begonnen met de verbouwing van hun woning. Sinds begin 2023 zijn [gedaagden] gestart met (voorbereidende) bouwwerkzaamheden op het achterste gedeelte van hun perceel voor een (vervangende) schuur/garage (hierna: garage).
2.4.
Op 31 januari 2023 bleek [eisers] dat [gedaagden] grond hadden laten afgraven om een betonnen fundering te kunnen storten voor hun nieuw te bouwen garage.
2.5.
Vanaf begin februari 2023 vonden diverse gesprekken plaats tussen [gedaagden] en [eisers] over de verbouwing van [gedaagden], waaronder de bouw van de garage. Tijdens een gesprek in maart 2023 bespraken partijen de wens van [eisers] om een geringe afstand te bewaren tussen de bebouwing op de percelen van [eisers] en [gedaagden] om op die manier het vrijstaand karakter van de woning van [eisers] te waarborgen.
2.6.
Begin juni 2023 hebben [gedaagden] beton laten storten. Naar aanleiding daarvan stuurden [eisers] op 11 juni 2023 een sms die zij ook in briefvorm aan [gedaagden] (hebben laten) bezorgen. Daarin schrijven [eisers] onder meer dat het beton (ook) is gestort op een strook grond, met een lengte van twaalf meter en een breedte van 30 cm, die door verjaring op grond van artikel 3:99 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) eigendom is geworden van [eisers] Daarnaast schrijven zij dat de betonnen plaat contact maakt met de muur van het gastenverblijf van [eisers], dat ijzeren H-balken [
rechtbank:het frame van de garage] gedeeltelijk zijn opgericht op de grond van [eisers], dat daarbij geen rekening is gehouden met de strook van 30 cm over een lengte van twaalf meter en dat [eisers] door de plaatsing van de H-balken hun dakgoot van hun uitbouw/gastenverblijf niet meer kunnen bereiken.
2.7.
Naar aanleiding van de brief vond op 22 juni 2023 tussen partijen overleg plaats waarbij partijen afspraken dat [eisers] onderzoek zullen doen naar de erfgrens tussen de percelen van partijen en dat [gedaagden] voorlopig geen bouwactiviteiten zullen (laten) uitvoeren ten aanzien van de garage totdat duidelijkheid is verkregen over de erfgrens.
2.8.
Op 1 september 2023 heeft het kadaster in aanwezigheid van partijen een grensreconstructie uitgevoerd en daarvan een relaas van bevindingen opgesteld. Op de door het kadaster gemaakte tekening van de grensreconstructie is te zien dat de (kadastrale) erfgrens tussen de percelen van [eisers] en [gedaagden] in een rechte lijn vanaf het pad aan de voorzijde naar de stenen paal aan de achterzijde loopt en dat die lijn iets schuin naar links loopt. Tussen de aanbouw/gastenverblijf (hierna: de aanbouw) van [eisers] en de kadastrale grens bevindt zich een strook grond die vanaf het ene uiteinde van de aanbouw (meetpunt 6 tot meetpunt 29) 0.13 meter bedraagt en uitwaaiert naar 0.34 meter, gemeten op het andere uiteinde van de aanbouw van [eisers] (meetpunt 22 tot meetpunt 26). Ook is te zien dat de muur van de overkapping - en daarmee ook de op de door [eisers] overgelegde foto’s zichtbare betonnen plantenbakken die in het verlengde van de overkapping zijn geplaatst - van [eisers] is geplaatst op het perceel van [gedaagden] Tussen de meetpunten 10 en 30 bestaat een afwijking van 0.23 meter. Een afbeelding van de grensreconstructie is hieronder opgenomen.

{Afbeelding 1}

2.9.
Nadien vond tussen [eisers] en (de advocaat van) [gedaagden] een correspondentiewisseling plaats waarin partijen over en weer juridische standpunten innamen over zowel de strook grond aan de voorzijde die [eisers] in gebruik hebben als de strook grond aan de achterzijde die [gedaagden] in gebruik hebben.
2.10.
Op 6 oktober 2023 verklaarde de rechtsvoorganger van [gedaagden], de heer [betrokkene] (hierna: [betrokkene]), dat hij in september 2002 samen met [eisers] een aantal stapelbare bloembakken en een betonnen schutting heeft geplaatst tot aan de lage uitbouw van [eisers] Hij verklaart:

Hierbij verklaar ik, […] [betrokkene], […] dat ik tot 2023 mede eigenaar ben geweest van het perceel [adres 2]/[adres 2 A] te [plaats 1] in welke hoedanigheid ik in overleg met de eigenaren van het perceel [adres 1] te [plaats 1] in september 2002 (als onderdeel van een uitvoerige verbouwing) in gezamenlijkheid met deze eigenaren mede heb opgericht een aantal stapelbare bloembakken en een betonnen schutting over een deel van de westgrens van het perceel (tot aan de lage uitbouw) [adres 1] te [plaats 1] afscheiding van de percelen [adres 2]/[adres 2 A] en [adres 1] te [plaats 1]. De plaatsing van de bakken en schutting werd in onderling overleg vastgesteld en uitgevoerd. Kosten voor plaatsing werden door ieder zijn deel (50%) gedragen. De kosten voor het jaarlijks onderhoud werden in gemeenschappelijkheid – ieder voor zijn deel – gedragen. De betreffende bloembakken en betonnen schutting zijn nog steeds aanwezig.”
2.11.
Op foto’s van Google streetview uit 2009 en 2023 zijn de bloembakken en de betonnen erfafscheiding aan de voorzijde tussen de percelen van partijen te zien.
Tekst

3.Het geschil

In conventie
3.1.
[eisers] vorderen – samengevat – dat de rechtbank bij een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis voor recht verklaart dat de juridische grens loopt
- aan de voorzijde: tussen de percelen van partijen door het midden van de plantenbakken, de muur van de carport van [eisers] en de betonnen schutting tot aan de lage uitbouw/gastenverblijf van [eisers];
- aan de achterzijde: (vanaf de lage uitbouw/gastenverblijf) tussen de percelen van partijen gelijk is aan de kadastrale erfgrens. [eisers] vorderen vervolgens ontruiming van hun grond, in die zin dat [gedaagden] alles wat zij in, op en boven de grond hebben geplaatst, waaronder het beton en het stalen frame voor de garage, moeten verwijderen. Voor zover [gedaagden] niet (tijdig) aan de veroordeling tot ontruiming voldoen, vorderen [eisers] betaling van een dwangsom van € 500,00 per dat tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt. Tot slot vorderen [eisers] dat [gedaagden] in de proceskosten worden veroordeeld.
3.2.
[eisers] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat de plantenbakken en de betonnen schutting tussen de percelen van partijen aan de voorzijde in september 2002 zijn geplaatst in overleg en met toestemming van hun toenmalige buurman, [betrokkene] (de rechtsvoorganger van [gedaagden]). Volgens [eisers] waren zij gezamenlijk in de veronderstelling dat de erfgrens op die plaats liep en hebben zij daarom gezamenlijk de (huidige) erfafscheiding geplaatst op de plaats waar hij nu nog steeds staat. Volgens [eisers] hebben zij door het plaatsen van de plantenbakken en de schutting bezit genomen van de strook grond tussen de kadastrale erfgrens en de feitelijke erfgrens (op het perceel van [gedaagden]) met de pretentie daarvan eigenaar te zijn. Als gevolg daarvan hebben zij door tijdsverloop (verjaring) van 10 dan wel 20 jaar de eigendom van de strook grond verkregen. De kadastrale grens is daarmee volgens hen niet langer de juridische grens
Aan de achterzijde loopt de juridische erfgrens tussen de percelen volgens [eisers] wel gelijk aan de kadastrale erfgrens. Volgens [eisers] is op de kadastrale kaart duidelijk te zien dat de kadastrale erfgrens niet gelijk loopt aan de feitelijke grens, die loopt van(af) de muur van de aanbouw van [eisers] en het in het verlengde daarvan geplaatste hek. De feitelijke grens ligt geheel op het perceel van [eisers] Volgens [eisers] is aan de achterzijde geen sprake van verjaring, zodat de strook grond tussen de feitelijke grens, vanaf de aanbouw van [eisers] en het in het verlengde daarvan geplaatste hek, en de kadastrale erfgrens eigendom is van [eisers] Loerakker moet die strook daarom ontruimen.
3.3.
[gedaagden] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eisers], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
3.4.
Volgens [gedaagden] is ten aanzien van de strook grond aan de voorzijde niet voldaan aan het vereiste van bezit als voorwaarde voor een geslaagd beroep op verjaring. Omdat de plaatsing van de plantenbakken en de betonnen schutting tot aan de aanbouw in overleg met [betrokkene] heeft plaatsgevonden, hebben [eisers] de strook grond met instemming van [betrokkene] in gebruik gekregen met als gevolg dat het bezitskarakter ontbreekt. Dat betekent volgens [gedaagden] dat van eigendomsverkrijging door verjaring geen sprake kan zijn voor wat betreft de strook grond aan de voorzijde.
Dat is anders voor de erfgrens aan de achterzijde. Volgens [gedaagden] loopt de feitelijke erfgrens aan de achterzijde onder de muur van de aanbouw van [eisers] en in het verlengde daarvan geplaatste hek. De strook grond, tussen de muur van de aanbouw van [eisers] en de kadastrale erfgrens, hebben (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden] al meer dan 20 jaar exclusief in bezit als tuin en daarbij stond tegen de muur van de aanbouw van [eisers] een oude schuur. De muur van de aanbouw van [eisers] diende als achterwand van de schuur, waarbij het dak van de schuur tegen en onder de dakgoot van de aanbouw van [eisers] was geplaatst. Volgens [gedaagden] hebben zij (althans hun rechtsvoorgangers) door tijdsverloop de eigendom verkregen van de strook grond aansluitend aan de aanbouw van [eisers] Tot slot kan volgens [gedaagden] de gevorderde ontruiming van de strook grond niet worden toegewezen, omdat [eisers] daarbij onvoldoende belang hebben, vanwege het ontbreken van belang daarbij, zij hun rechten hebben verwerkt, ontruiming misbruik van recht zou opleveren en [gedaagden] onevenredig in hun belangen zouden worden geschaad.
In reconventie
3.5.
[gedaagden] hebben in het verlengde van hun verweer (in conventie) ook tegenvorderingen ingesteld. Zij vorderen dat de rechtbank bij een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis voor recht verklaart dat:
- [gedaagden] door verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond aan de achterzijde die evenwijdig loopt aan de garage van [eisers] en het in het verlengde daarvan aanwezig zijnde hek, in die zin dat het afgebakende stuk grond aan [gedaagden] in eigendom toebehoort;
- aan de voorzijde de kadastrale erfgrens de leidende erfgrens is tussen de percelen van partijen.
[gedaagden] vorderen verder veroordeling van [eisers] tot medewerking aan alles wat nodig is om de feitelijke erfgrens aan de achterzijde te registreren als de leidende (juridische) erfgrens en [eisers] te veroordelen tot betaling van een dwangsom van
€ 500,00 per dag als zij daaraan niet (tijdig) meewerken tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt. Tot slot vorderen [gedaagden] dat [eisers] in de proceskosten en de wettelijke rente daarover worden veroordeeld.
3.6.
[eisers] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de tegenvorderingen van [gedaagden], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagden] in de kosten van de procedure.
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De vraag die ter beoordeling voorligt is of de (juridische) erfgrens tussen de percelen van partijen is verschoven omdat [eisers] en/of [gedaagden] door verjaring de eigendom hebben verkregen van een strook grond van de ander. Partijen hebben te dien aanzien over en weer vorderingen en tegenvorderingen ingediend, de rechtbank zal deze zoveel mogelijk gezamenlijk beoordelen.
In conventie en reconventie:
De grens aan de voorzijde: [eisers] zijn eigenaar geworden van de strook grond.
4.2.
Vast staat [1] dat de betonnen plantenbakken en de betonnen muur (die in het verlengde van de plantenbakken staat) tot aan het begin van de aanbouw van [eisers] grotendeels op het perceel van [gedaagden] zijn geplaatst. In geschil is of is voldaan aan het bezitsvereiste als voorwaarde voor eigendomsverkrijging door verjaring.
4.3.
Bezit is gedefinieerd in artikel 3:107 BW Pro als het houden van een goed voor zichzelf. Op grond van de wettelijke vermoedens [2] wordt de bezitter vermoed de rechthebbende te zijn van het goed. Bezit is vereist voor zowel verkrijgende verjaring op grond van artikel 3:99 BW Pro als voor bevrijdende verjaring op grond van artikel 3:105 BW Pro. Artikel 3:99 BW Pro bepaalt dat door een onafgebroken bezit van tien jaren van een onroerende zaak de bezitter te goeder trouw de eigendom verkrijgt van die zaak. Artikel 3:105 BW Pro bepaalt vervolgens dat de bezitter de eigendom verkrijgt op het moment dat de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, ook al was de bezitter niet te goeder trouw. Dat betekent dat degene die na verloop van 20 jaren de onroerende zaak in bezit heeft, de eigendom van de zaak verkrijgt.
4.4.
Niet in geschil is dat [eisers] samen met [betrokkene], de rechtsvoorganger van [gedaagden], de huidige erfafscheiding hebben geplaatst. [betrokkene] verklaart daarover dat de beide buren in gezamenlijkheid in september 2002 bloembakken en een betonnen schutting hebben geplaatst over een deel van de westgrens tot aan de uitbouw van [eisers] De plaatsing van de erfafscheiding gebeurde in overleg en ook de kosten voor het plaatsen van en onderhoud aan de erfafscheiding werden tussen beide buren gelijkelijk verdeeld. [3] [eisers] hebben toegelicht dat zij bij plaatsing samen met [betrokkene] ervan zijn uitgegaan dat de (kadastrale) erfgrens door het midden van de betonnen muur en bloembakken liep, zodat zij de erfafscheiding als mandelig zagen. Dat de erfafscheiding aan de voorzijde over de kadastrale erfgrens heen, op het perceel van nu [gedaagden], is geplaatst was [eisers] (en [betrokkene]) niet bekend. Beide buren verkeerden toentertijd in de veronderstelling dat zij de erfafscheiding op de kadastrale erfgrens hadden geplaatst. Dat die aanname niet juist was, werd pas bekend toen het kadaster op 1 september 2023 een grensreconstructie uitvoerde.
4.5.
Op de door [eisers] overgelegde foto’s, waarvan de oudste dateert uit 2009, zijn (een deel van) de geplaatste betonnen muur en bloembakken te zien als erfafscheiding en dat die als zodanig fungeert. Gelet op de verklaring van [betrokkene] en de overlegde foto’s is voldoende aannemelijk gemaakt dat de betonnen muur en de bloembakken aan de voorzijde tot aan de aanbouw van [eisers] (meetpunt 6) meer dan 20 jaar geleden zijn geplaatst. Na plaatsing van de erfafscheiding hebben beide buren onbetwist ieder aan hun zijde van de erfafscheiding hun perceel exclusief in gebruik genomen als tuin c.q. oprit en carport, in de veronderstelling dat zij daarvan eigenaar waren. Dat betekent dat [eisers] de strook grond tussen de kadastrale erfgrens en de feitelijke erfgrens sinds de plaatsing van de erfafscheiding in september 2002 exclusief in bezit hebben. Dat [eisers] niet te goeder trouw waren op het moment dat de erfafscheiding werd geplaatst is niet gebleken, zodat [eisers] mogelijk in september 2012 en in ieder geval in september 2022 door tijdsverloop van 10, dan wel 20 jaren, de eigendom hebben verkregen van de strook grond aan de voorzijde.
4.6.
De conclusie moet daarom zijn dat de feitelijke erfgrens aan de voorzijde vanaf de bloembakken tot aan de aanbouw van [eisers] (meetpunt 6) door tijdsverloop de juridische erfgrens is geworden. De rechtbank wijst de vordering van [eisers] ten aanzien van de erfgrens aan de voorzijde toe en de tegenvordering van [gedaagden] af.
De grens aan de achterzijde: [gedaagden] zijn gedeeltelijk eigenaar geworden van de strook grond.
4.7.
Voor wat betreft de grens aan de achterzijde, is het (juridisch) van belang deze te onderscheiden in drie delen: 1) het deel ter hoogte van de stenen paal aan de achterzijde van de percelen tot aan de punt van de aanbouw van [eisers] (meetpunten 22-26), 2) het deel vanaf meetpunten 22-26 over een lengte van 7,5 meter langs de muur van de aanbouw van De Vries en 3) en het resterende deel langs de muur van de aanbouw van De Vries tot aan het uiteinde van de muur van de aanbouw (meetpunt 6). De rechtbank zal het verloop van de erfgrens aan de achterzijde aan de hand van de genoemde drie delen beoordelen.
Deel 1: het achterste deel tot aan meetpunten 22 - 26
4.8.
Niet in geschil is dat tussen de percelen aan de achterzijde ter hoogte van de stenen paal tot aan de punt van de aanbouw (meetpunt 22) van [eisers] in het verlengde van de muur een hekwerk staat dat dertig jaar geleden is geplaatst. [eiser 2] heeft ter zitting toegelicht dat zij het hek – waar [eisers] volgens hen overheen kunnen stappen - destijds volledig op eigen grond hebben geplaatst omdat op de (kadastrale) erfgrens een ander hek met een gat stond waardoor de hond van de buren in de tuin van [eisers] kon komen. De rechtbank volgt niet het betoog van [eisers] dat van inbezitneming van het deel van de achtertuin tussen het hekwerk en de kadastrale grens nooit sprake kan zijn, omdat [eisers] het hek zelf hebben geplaatst. De rechtsvoorganger van [gedaagden] kan het deel van de tuin aan hun kant van het hekwerk wel degelijk in bezit hebben genomen. Maar dat [betrokkene], de rechtsvoorganger van [gedaagden], de strook grond vanaf de kadastrale grens tot aan het nu nog aanwezige hek van [eisers] in gebruik heeft genomen met de pretentie eigenaar te zijn van die strook, hebben [gedaagden] niet onderbouwd. [gedaagden] hebben bijvoorbeeld geen verklaring van [betrokkene] en/of foto’s in het geding gebracht die dat standpunt ten aanzien van dit deel van de strook onderbouwen. Dat betekent dat [gedaagden] niet voldoende hebben gesteld dat zij (althans hun rechtsvoorganger) de strook grond grenzend aan het hek exclusief in gebruik hebben genomen met de pretentie eigenaar te zijn van de strook en dat betekent dat dus niet is voldaan aan het bezitsvereiste voor verjaring. Van houden voor zichzelf is dus geen sprake.
Dat [gedaagden] door verjaring de eigendom hebben verkregen van de strook grond grenzend aan het hek, volgt de rechtbank daarom niet. Dat betekent dat de juridische grens vanaf de verfmarkering op de stenen paal aan de achterzijde tot aan meetpunt 22-26 gelijk loopt met de kadastrale erfgrens. De feitelijke erfafscheiding (het hek) is daarmee op dit moment volledig op het perceel van [eisers] en dus niet op de kadastrale erfgrens gesitueerd. De rechtbank wijst de tegenvordering van [gedaagden] af en de vordering van [eisers] toe voor zover die ziet op het vaststellen van de juridische grens tussen de percelen vanaf de stenen paal tot aan meetpunten 22 – 26.
Deel 2: vanaf meetpunten 22-26 over een lengte van 7,5 m langs de muur van de aanbouw van [eisers]
4.9.
[gedaagden] hebben zich op het standpunt gesteld dat over een lengte van 7,5 m tegen de muur van de aanbouw van [eisers] meer dan 20 jaar een door hun rechtsvoorganger geplaatste schuur heeft gestaan. [eisers] betwisten dat de schuur er meer dan 20 jaar heeft gestaan. Ter zitting heeft [eiser 2] toegelicht dat zij hun aanbouw in 2001 hebben gebouwd en dat er op dat moment weliswaar een schuur stond, maar volgens [eiser 2] heeft de schuur er niet onafgebroken gestaan en wisselde de schuur nog wel eens van vorm en omvang.
4.10.
De rechtbank oordeelt dat [gedaagden] voldoende hebben onderbouwd dat meer dan 20 jaar tegen de aanbouw van [eisers] een (door hun rechtsvoorganger geplaatste) schuur/bebouwing heeft gestaan, waarmee de rechtsvoorganger dit deel van de strook voor zichzelf is gaan houden. Ter zitting hebben de rechtbank en partijen digitaal de overgelegde luchtfoto’s bekeken, waarvan de oudste foto dateert uit april 2002. Daarop is te zien dat tegen de aanbouw van [eisers] is gebouwd. Nog los van de vraag of op de luchtfoto’s een overkapping of een schuur te zien is, gaat het wel om een daad van inbezitneming. Uit latere luchtfoto’s uit 2011 en 2021 volgt dat de situatie niet anders was.
Daarnaast hebben [gedaagden] foto’s van de schuur in het geding gebracht. Deze foto’s zijn, volgens [gedaagden], gemaakt nadat zij de woning in september 2021 hebben gekocht (waarna de woning op 1 februari 2022 aan hen werd geleverd). Op de overgelegde foto’s is te zien dat de schuur
tegende aanbouw van [eisers] is geplaatst, dat de muur van de aanbouw als achterwand diende van de schuur en dat de dakgoot van de aanbouw van [eisers] over het dak van de schuur van [gedaagden] hing. Onweersproken staat vast dat de schuur een lengte van 7,5 meter had, en dat de muur van de aanbouw van [eisers] een lente heeft van 11,95 meter.
4.11.
Met de overgelegde lucht- en andere foto’s hebben [gedaagden] dan ook voldoende aangetoond dat de strook grond tussen de muur en de kadastrale grens al in april 2002 door hun rechtsvoorganger in bezit is genomen dat deze situatie ook zo was op het moment van aankoop van de woning in september 2021. Tussen partijen is verder niet in geschil dat de schuur er ook nog stond in april 2022 en wellicht zelfs langer, omdat [eisers] in januari 2023 ermee bekend raakten dat [gedaagden] grond hadden afgegraven voor het storten van een betonnen fundering voor de nieuw te bouwen garage op de plek van de voormalige schuur. Dat betekent dat [gedaagden] de strook grond waarop de schuur stond in bezit hadden op het moment dat de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit in april 2022 werd voltooid, zodat zij op dat moment de eigendom verkregen van de strook grond waarop de schuur stond. Dat de schuur – volgens [eiser 2] – er niet onafgebroken heeft gestaan of wel eens wisselde van omvang of vorm, is daarvoor niet van belang. Voldoende vast staat namelijk dat de schuur (dan wel bebouwing) – buiten de eerder vastgestelde momenten – er (ook) stond op het moment dat de verjaring in april 2022 afliep.
4.12.
De rechtbank wijst de tegenvordering van [gedaagden] dat zij door verjaring eigendom zijn geworden van het gedeelte van de strook grond waarop de schuur/bebouwing heeft gestaan toe en de vordering van [eisers] af.
Deel 3: het resterende deel grenzend aan de muur van de aanbouw tot meetpunt 6.
4.13.
Dat geldt ook voor de strook grond grenzend aan het resterende gedeelte van de muur van de aanbouw van [eisers] Zoals uit het hier bovenstaande volgt is de muur van de aanbouw van [eisers] 11,95 meter lang en heeft over een lengte van 7,5 meter vanuit de achterzijde bezien (meetpunt 22) de schuur van [gedaagden] gestaan. Tussen de schuur van [gedaagden] en het punt waar de betonnen muur begint (meetpunt 6), bestond dus nog circa 4,45 meter onbebouwde ruimte grenzend aan de muur van de aanbouw van [eisers] Blijkens de grensreconstructie gaat het om een strook met een breedte tussen 0.13 cm en ten hoogste maximaal 0.27 cm. Volgens partijen gaat het dan in feite om de strook grond onder de dakgoot van het resterende deel van de aanbouw van [eisers] Niet in geschil is dat [eisers] deze strook grond al tenminste vanaf september 2002 niet konden en kunnen bereiken in verband met de muur van hun aanbouw en de door [eisers] en [betrokkene] in september 2002 daaraan aansluitend geplaatste betonnen muur. Ook is niet in geschil dat de rechtsvoorganger van [gedaagden] dit deel van de strook in gebruik had als (en behorend bij hun) tuin. Vastgesteld kan daarom worden dat (in elk geval) met het plaatsen van de betonnen muur meer dan 20 jaar geleden de rechtsvoorganger van [gedaagden] de feitelijke macht verkregen over dit deel van de strook grond en pretendeerden ervan eigenaar te zijn. Op foto’s van [gedaagden] die dateren van omstreeks september 2021, is te zien dat deze ruimte nog steeds als onderdeel van de tuin - onder meer met beplanting en gras - was ingericht.
4.14.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagden], althans hun rechtsvoorganger, door verjaring de eigendom hebben verkregen van het onbebouwde gedeelte van de strook grond grenzend aan de muur van de aanbouw van [eisers]
De rechtbank wijst de tegenvordering van [gedaagden] toe en de vordering van [eisers] af, voor zover die zien op dit gedeelte van de strook grond.
Tussenconclusie: het verloop van de juridische grens tussen percelen van partijen
4.15.
Gelet op alles wat hiervoor is overwogen, loopt de juridische grens tussen de percelen van partijen als volgt:
  • aan de voorzijde:in de lengterichting door het midden van de plantenbakken, in het verlengde daarvan in de lengterichting door het midden van de muur van de carport en in het verlengde daarvan in de lengterichting door het midden van de betonnen schutting (muur);
  • aan de achterzijde:vanaf het beginpunt (meetpunt 6) van de muur van de aanbouw van [eisers], langs de buitenzijde van deze muur tot aan het uiteinde van de muur (meetpunt 22), en vanaf het uiteinde van de muur (meetpunt 22) de kadastrale erfgrens aanhoudend tot aan de verfmarkering op de stenen paal aan de achterzijde van de percelen. [4]
De rechtbank wijst de vordering van [eisers] tot ontruiming af.
4.16.
[eisers] vorderen ontruiming van de strook grond aan de achterzijde. De rechtbank wijst deze vordering ten aanzien van de hierboven als deel 2 en deel 3 geduide grond af, gelet op het oordeel dat [gedaagden] (althans hun rechtsvoorganger) door verjaring de eigendom van deze delen van de strook hebben verkregen. Dat betekent dat [gedaagden] de betonnen fundering van twaalf meter lang - als die al over kadastrale grens zou staan - niet hoeven te verwijderen en nog wat ruimte resteert voor een (door hen gewenste) dikkere spouwmuur.
4.17.
Wat betreft het achterste gedeelte van de strook grond dat grenst aan het hek (ter hoogte van de verfmarkering op de stenen paal tot aan meetpunten 22-26), geldt - als overwogen - dat dit deel van de strook in eigendom toebehoort aan [eisers]
[gedaagden] hebben aangevoerd dat [eisers] geen ontruiming kunnen vorderen, omdat zij daarbij geen belang hebben, hun rechten hebben verwerkt, de vordering tot ontruiming misbruik van recht zou opleveren en [gedaagden] onevenredig in hun belangen zouden worden geschaad.
4.18.
[eisers] hebben hun belang bij de gevorderde ontruiming toegelicht ten aanzien van het deel van de strook waarop [gedaagden] hun schuur bouwen. Ten aanzien van deel 1 - het achterste deel - van de strook is geen belang gegeven. Omdat niet gesteld en niet gebleken is dat op dit deel van de strook door [gedaagden] gebouwd is of gebouwd gaat worden, kunnen [gedaagden] er in gevolgd worden dat [eisers] geen belang hebben bij de vordering tot ontruiming (en ontruimd houden) van dit deel van de strook. De rechtbank zal de vordering tot ontruiming daarom ook ten aanzien van dit deel van de strook afwijzen. Gelet daarop behoeven de overige verweren van [gedaagden] hiertegen geen bespreking.
De rechtbank wijst de tegenvordering van [gedaagden] tot het verlenen van medewerking aan het laten registreren van de juridische grens af.
4.19.
[gedaagden] hebben een tegenvordering ingesteld die ziet op het verlenen van medewerking van [eisers] tot het laten registreren van de feitelijke erfgrens als de juridische erfgrens voor de strook grond aan de achterzijde. Uit het voorgaande volgt dat [gedaagden] geen gelijk krijgen wat betreft het achterste gedeelte van de strook grond grenzend aan het hek. Omdat [gedaagden] niet door verjaring de eigendom hebben verkregen van dit gedeelte van de strook, moet ten aanzien van het achterste gedeelte de kadastrale erfgrens als juridische grens aangehouden worden. Dat betekent dat de huidige feitelijke situatie ter hoogte van het hek niet als juridische grens kan worden aangewezen. De rechtbank wijst deze tegenvordering daarom af.
Partijen hebben beiden op onderdelen gelijk gekregen over het verloop van de (juridische) grens tussen hun percelen. Zij moeten er zelf voor zorgdragen dat de door rechtbank vastgestelde juridische grens op de daartoe geëigende wijze wordt geregistreerd bij het kadaster.
Proceskosten
4.20.
Zowel in conventie als in reconventie zijn partijen over en weer in het gelijk en ongelijk gesteld. De rechtbank compenseert daarom in beide zaken de proceskosten in die zin dat iedere partij, voor zowel de zaak in conventie als de zaak in reconventie, de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
In conventie
5.1.
verklaart voor recht dat de juridische grens tussen de percelen plaatselijk bekend als [adres 2] te [plaats 1] van [gedaagden] en [adres 1] te [plaats 1] van [eisers] als volgt loopt:
aan de voorzijde:in de lengterichting door het midden van de plantenbakken, in het verlengde daarvan in de lengterichting door het midden van de muur van de carport en in het verlengde daarvan in de lengterichting door het midden van de betonnen schutting,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure in conventie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
In reconventie
5.5.
verklaart voor recht dat [gedaagden] door verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond, vanaf meetpunt 6 tot aan meetpunt 22, evenwijdig lopend aan de aanbouw van [eisers],
5.6.
compenseert de kosten van de procedure in reconventie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de kosten draagt.
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.B. van den Heuvel en in het openbaar uitgesproken op
1 april 2026.

Voetnoten

1.Zie 2.8.
2.Art. 3:109 BW Pro en art. 3:119 BW Pro.
3.Zie 2.10.
4.Zie afbeelding 2.8.