Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:5119

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
C/15/367393
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:310 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schadevordering wegens verjaring bij overschrijding boedelvolmacht en verkoop nalatenschapsperceel

Partijen zijn broers en erfgenamen van hun moeder die in 2006 overleed. Ter afwikkeling van de nalatenschap verleenden eisers aan gedaagde een boedelvolmacht. Gedaagde verleende zonder toestemming een ondervolmacht aan een derde om twee percelen in Suriname te bezwaren voor een geldlening. De lening werd niet afgelost, waarna een perceel onder de marktwaarde openbaar werd verkocht.

Eisers stelden dat gedaagde onrechtmatig handelde en vorderden schadevergoeding. Gedaagde betwistte dit en voerde verjaring aan. De rechtbank oordeelde dat eisers medio 2013 op de hoogte waren van de schade en de aansprakelijkheid, onder meer door een gerechtelijk stuk over de openbare veiling en de substitutievolmacht van juni 2013.

De verjaringstermijn van vijf jaar begon toen te lopen, en omdat geen stuiting plaatsvond, was de vordering in 2018 verjaard. Het feit dat de verkoop pas in 2019 plaatsvond en dat details pas in 2023 bekend werden, doet hieraan niet af. De rechtbank wees daarom de vorderingen af en compenseerde de proceskosten tussen partijen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de schadevorderingen af wegens verjaring omdat eisers medio 2013 op de hoogte waren van de schade en aansprakelijkheid.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/367393 / HA ZA 25-414
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van

1.[eiser 1],

wonende te [plaats 1],
2.
[eiser 2],
wonende te [plaats 2],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eiser 1] en [eiser 2],
advocaat: mr. S.W. Autar-Matawlie,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats 3],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. M.D. Winter.
De zaak in het kort
Partijen zijn broers van elkaar. De moeder van partijen is op 14 december 2006 overleden. Ter afwikkeling van de nalatenschap van moeder hebben eisers aan gedaagde een boedelvolmacht verleend. Eisers stellen dat gedaagde buiten de bevoegdheden van de aan hem verleende boedelvolmacht is getreden door zonder hun toestemming en medeweten een (onder)volmacht te verlenen aan een derde, waarin gedaagde aan die derde de bevoegdheid gaf om twee percelen in Suriname, die tot de nalatenschap van moeder behoren, te bezwaren dan wel in onderpand te geven in verband met het verkrijgen van een geldlening. Omdat de geldlening vervolgens niet werd afgelost, is het perceel uiteindelijk openbaar verkocht onder de marktwaarde. Eisers stellen daardoor schade te hebben geleden waarvoor zij gedaagde aansprakelijk stellen.
Gedaagde betwist de vordering en voert onder meer aan dat eisers al sinds medio 2013 op de hoogte waren en de vordering inmiddels is verjaard.
De rechtbank oordeelt dat het verweer van gedaagde dat de vordering tot betaling van schadevergoeding is verjaard slaagt en wijst de vorderingen van eisers daarom af.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 24 september 2025 waarin de mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 12 januari 2026, waarbij zowel mr. Autar-Matawlie als mr. Winter gebruik hebben gemaakt van spreekaantekeningen en waarvan door de griffier voor het overige aantekeningen zijn gemaakt,
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn broers van elkaar.
2.2.
Op 14 december 2006 is de moeder van partijen, mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster) overleden. Zij is gehuwd geweest met de heer [betrokkene 1], welk huwelijk door echtscheiding is ontbonden. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen, partijen, geboren.
2.3.
Uit de verklaring van erfrecht volgt dat partijen ieder voor een gelijk deel (1/3) erfgenaam in de nalatenschap van erflaatster zijn en zij alle drie de nalatenschap zuiver hebben aanvaard.
2.4.
Tot de nalatenschap van erflaatster behoren twee percelen in Suriname, een perceel van 375 m2 te [adres 1] en een perceel van 690 m2 [adres 2].
2.5.
Op 28 december 2006 is een boedelvolnacht opgesteld waarbij [eiser 1] en [eiser 2] aan [gedaagde] volmacht geven ‘
om hen te vertegenwoordigen ter zake van de nalatenschap van hun moeder (…) te dien einde (…) roerende en onroerende zaken te verkopen en te leveren op de wijze, onder de voorwaarden en tegen de prijzen welke de gevolmachtigde raadzaam zal achten (…) en voorts al datgene verder of meer te doen hetgeen ter zake van een juiste afwikkeling door de gevolmachtigde raadzaam wordt geacht, alles met de macht van substitutie. (…)’.
2.6.
Op 21 oktober 2011 heeft [gedaagde], handelend voor zich en als gemachtigde van [eiser 1] en [eiser 2], volmacht gegeven aan de heer [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) om hem te vertegenwoordigen,
‘strekkende deze volmacht alleen en uitsluitend bestemd voor alle (rechts)handelingen direct of indirect verband houden met:
- de (afwikkeling van de) nalatenschap van erflaatster (…)
- het bezwaren casu quo in onderpand geven tegen marktconforme condities’van de twee percelen in Suriname behorend tot de nalatenschap. De notariële volmacht vermeldt daarnaast dat het [betrokkene 2] onder geen beding is toegestaan de percelen te verkopen en/of te vervreemden, behoudens schriftelijke aanvullende volmacht en toestemming daartoe van de erfgenamen.
2.7.
Op 1 november 2011 is [betrokkene 2] op basis van de aan hem verleende volmacht in Suriname een ‘akte geldlening met hypotheekstelling’ aangegaan ten behoeve van de heer [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3]) waarbij door [betrokkene 3] een bedrag van € 15.000 ter leen is verstrekt tegen vier procent rente per maand. De lening moest binnen een jaar worden terugbetaald. Ter waarborg van de geldlening is een recht van hypotheek gevestigd op het perceel [adres 2].
2.8.
Op 22 mei 2013 hebben [eiser 1] en [eiser 2] een gerechtelijke stuk uit Suriname ontvangen waarin de openbare veiling van het bovengenoemde perceel werd aangekondigd.
2.9.
Vervolgens heeft [gedaagde] op 12 juni 2013 een substitutievolmacht verleend aan [eiser 1]. Daarin staat vermeld dat [gedaagde] in oktober 2011 aan [betrokkene 2] volmacht heeft verleend om de percelen in Suriname te bezwaren met als doel het verkrijgen van een geldbedrag van € 10.000, welk bedrag ten goede zal dienen te komen van [gedaagde]. Verder staat vermeld dat [gedaagde] voornoemde volmacht wenst te herroepen en in plaats daarvan [eiser 1] wordt gemachtigd om namens [gedaagde] de twee percelen behorend tot de nalatenschap van erflaatster te bezwaren dan wel in onderpand te geven tegen marktconforme voorwaarden, eveneens met als doel het verkrijgen van een geldbedrag van tenminste € 10.000, welk bedrag aan [gedaagde] ten goede zal dienen te komen.
2.10.
Op 12 december 2019 heeft de openbare verkoop van het [adres 2] plaatsgevonden. De stichting Topaz Village, van welke stichting [betrokkene 3] (enig) bestuurder is, heeft het perceel gekocht voor een bedrag van 220.000 Surinaamse dollar, omgerekend € 29.255.
2.11.
Bij dagvaarding van 17 juli 2023 is (de advocaat van) [gedaagde] mede namens [eiser 1] en [eiser 2] een gerechtelijke procedure in Suriname gestart tegen [betrokkene 2], [betrokkene 3] en de stichting Topaz Village. In die procedure vorderen de broers onder meer nietig verklaring, althans vernietiging van a) de akte van geldlening met hypotheekstelling van 1 november 2011, b) het proces-verbaal van openbare verkoop van 12 december 2019, c) de akte van gunning van 13 januari 2020 en d) de akte van kwijting van 13 januari 2020.
2.12.
Op 10 maart 2020 is het [adres 2] getaxeerd op een waarde van (omgerekend) € 58.400.
2.13.
Op 26 september 2023 hebben [eiser 1] en [eiser 2] de aan [gedaagde] verstrekte boedelvolmacht ingetrokken.

3.Het geschil

3.1.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen – samengevat – dat [gedaagde] bij een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis wordt veroordeeld tot betaling:
aan [eiser 1] van € 19.466, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
aan [eiser 2] van € 20.604,24 vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
van de proceskosten.
3.2.
[eiser 1] en [eiser 2] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig tegenover hen heeft gehandeld, omdat [gedaagde] buiten de grenzen van de aan hem verleende boedelvolmacht is getreden en aansprakelijk is voor de schade die door [betrokkene 2] is veroorzaakt. Op basis van de boedelvolmacht was [gedaagde] gemachtigd om namens [eiser 1] en [eiser 2] al datgene te doen voor een juiste afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] had [gedaagde] nooit zonder medeweten en toestemming van hen een algemene (onder)volmacht aan [betrokkene 2] mogen verstrekken, dan wel een volmacht mogen verstrekken die buiten de bevoegdheden van de boedelvolmacht gaat. [eiser 1] en [eiser 2] maken ieder aanspraak op betaling van schadevergoeding ten bedrage van € 19.466, waarbij zij aansluiten bij de taxatiewaarde van het verkochte perceel van 10 maart 2020. Daarnaast maakt [eiser 2] aanspraak op vergoeding van gemaakte notaris- en beslagkosten.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser 1] en [eiser 2], althans tot afwijzing van hun vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde] betwist in de eerste plaatst dat hij onrechtmatig tegenover [eiser 1] en [eiser 2] heeft gehandeld. Hij voert in dit verband aan dat in de algemene volmacht aan [betrokkene 2] een duidelijke beperking was opgenomen, namelijk dat [betrokkene 2] de registergoederen niet mocht verkopen of vervreemden. Volgens [gedaagde] volgt daaruit dat hij de bedoeling had om de percelen te behouden, maar doordat twee notarissen beroepsfouten hebben gemaakt is één van de twee percelen toch verkocht. [gedaagde] vindt dat de beroepsfouten van de notarissen niet aan hem kunnen worden toegerekend. Bovendien zijn volgens [gedaagde] de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] verjaard. [eiser 1] en [eiser 2] waren in ieder geval vanaf 2013 op de hoogte van de aan [betrokkene 2] verleende volmacht en de schade. Dat blijkt volgens [gedaagde] ook uit een verklaring van de vader van partijen. Door vervolgens stil te blijven zitten is de schade verder opgelopen, zodat in ieder geval ook sprake is van eigen schuld, aldus [gedaagde].
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

De vordering tot betaling van schadevergoeding is verjaard.
4.1.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] zijn verjaard. Dit verweer slaagt. De rechtbank legt dat hieronder uit.
4.2.
Artikel 3:310 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden.
4.3.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de verkorte verjaringstermijn begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een vordering tot vergoeding van schade in te stellen. Dat betekent echter niet dat de benadeelde over de exacte feitenkennis moet beschikken om op dat moment een dagvaarding uit te brengen. De verjaringstermijn begint te lopen zodra er voor de benadeelde voldoende aanleiding is nadere maatregelen ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid te treffen. De benadeelde kan niet door nader onderzoek naar de door hem ondervonden schade uit te stellen, voorkomen dat de verjaringstermijn aanvangt. Als er voldoende aanknopingspunten zijn voor het bestaan van aansprakelijkheid, zal van hem enig onderzoek mogen worden gevergd. Dit mede in het belang van de schuldenaar, omdat de bewijspositie van de schuldenaar door tijdsverloop verzwakt en het voor hem ook in psychologisch en economisch opzicht bezwaarlijk is indien een mogelijke vordering eindeloos boven zijn hoofd blijft hangen.
4.4.
Vast staat dat [eiser 1] en [eiser 2] in mei 2013 een gerechtelijk stuk hebben ontvangen waarin de openbare veiling van het perceel [adres 2], één van de percelen uit de nalatenschap van erflaatster, werd aangekondigd. Zij stellen dat na onderzoek bleek dat [betrokkene 2] op 1 november 2011 het perceel had bezwaard met een recht van hypotheek en daarbij door [betrokkene 2] een constructie was gehanteerd met een geldlening met een exorbitant hoge rente.
4.5.
Uit de eigen stellingen van [eiser 1] en [eiser 2] volgt voorts dat, nadat zij hier achter waren gekomen, [gedaagde] op 12 juni 2013 een substitutievolmacht heeft verleend aan [eiser 1]. In de substitutievolmacht staat vermeld dat [gedaagde] in oktober 2011 volmacht heeft verleend aan [betrokkene 2] om de percelen behorend tot de nalatenschap van erflaatster te bezwaren, dan wel in onderpand te geven, met als doel het verkrijgen van een geldbedrag van ten minste € 10.000, welk bedrag aan [gedaagde] ten goede zal komen. In de substitutievolmacht herroept [gedaagde] vervolgens deze volmacht en verleent hij volmacht aan [eiser 1] met dezelfde bevoegdheid, namelijk de bevoegdheid tot het bezwaren dan wel in onderpand geven van de percelen eveneens ter verkrijging (ten behoeve van [gedaagde]) van een geldbedrag van ten minste € 10.000,-.
4.6.
Uit het vorenstaande volgt dat [eiser 1] en [eiser 2] dus in ieder geval medio 2013 wisten dat het perceel bezwaard was in verband met een geldlening die aan [gedaagde] ten goede was gekomen. Ook wisten zij dat de lening niet werd afgelost en het perceel in verband daarmee openbaar geveild zou gaan worden. De aankondiging van de openbare veiling was volgens [eiser 1] en [eiser 2] immers de directe aanleiding voor de substitutievolmacht van 12 juni 2013. [eiser 1] en [eiser 2] waren er op 12 juni 2013 dus ook van op de hoogte dat [gedaagde] buiten de boedelvolmacht was getreden en zichzelf ten koste van de nalatenschap had bevoordeeld, waardoor zij schade leden. In de substitutievolmacht staat immers expliciet vermeld dat [gedaagde] een volmacht aan [betrokkene 2] had verleend om de percelen te bezwaren teneinde zelf een lening van € 10.000,- te verkrijgen. Die bevoegdheid had [gedaagde] niet op basis van de aan hem verleende boedelvolmacht. Met de boedelvolmacht was [gedaagde] alleen bevoegd om namens [eiser 1] en [eiser 2] datgene te doen wat voor de juiste afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster noodzakelijk was. Het vestigen van een hypotheek op een perceel behorend tot de nalatenschap (waartoe partijen alle drie evenveel gerechtigd zijn) ter verkrijging van een geldbedrag (om dat geldbedrag vervolgens uit te lenen aan een vriend, zoals [gedaagde] ter zitting heeft verklaard) kan in ieder geval niet gezien worden als een handeling gemoeid met de juiste afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster. Bovendien was op dat moment duidelijk dat de geldlening niet was afgelost en tot openbare verkoop van het perceel zou worden overgegaan. [eiser 1] en [eiser 2] waren medio 2013 er dus mee bekend dat zij door toedoen van [gedaagde] waren benadeeld en schade leden.
4.7.
Uit het vorenstaande volgt dat [eiser 1] en [eiser 2] medio 2013 dus bekend waren met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, zodat op dat moment de verjaringstermijn is gaan lopen. Niet gesteld en niet gebleken is dat [eiser 1] en [eiser 2] nadien hun vordering tot schadevergoeding tegenover [gedaagde] hebben gestuit. Dat betekent dat de vordering tot betaling van schadevergoeding op of omstreeks 13 juni 2018 is verjaard. Dat het perceel op dat moment nog niet was verkocht, maar uiteindelijk pas op 12 december 2019 is geveild, maakt dit niet anders. Ook het gegeven dat [eiser 1] en [eiser 2] in 2013 nog niet – zoals zij zelf stellen – van de hoed en de rand wisten en pas met de Surinaamse dagvaarding van 17 juli 2023 met de details van de zaak bekend raakten, kan hen niet baten. Te meer nu niet is gebleken dat [eiser 1] (en [eiser 2]), nadat [gedaagde] aan hem een substitutievolmacht had verleend, zelf enige actie heeft ondernomen om de zaak verder te onderzoeken en/of de openbare veiling van het perceel af te wenden, hetgeen in de gegeven omstandigheden wel van hem mocht worden verwacht.
4.8.
De conclusie moet daarom zijn dat de schadevergoedingsvorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] zijn verjaard. Dit betekent dat slechts nog een natuurlijke verbintenis resteert die mogelijk in aanmerking komt voor verrekening bij de verdeling van de nalatenschap van erflaatster. Omdat de verdeling in onderhavige zaak niet voorligt, zal de rechtbank zich daarover niet uitlaten.
4.9.
De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] af.
De proceskosten worden gecompenseerd.
4.10.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] af,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Pott Hofstede en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.