Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:5113

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
C/15/376346 / JU RK 26-524
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens complexe problematiek

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam verzocht om verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige met kenmerken van een autismespectrumstoornis en gedragsproblemen. De minderjarige verblijft momenteel in een jeugdhulpaccommodatie en vertoont een voorzichtig positieve ontwikkeling sinds de uithuisplaatsing.

De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit, waarbij de moeder begrip toont voor de verlenging maar een kortere termijn prefereert, en de vader het belang van de hulpverlening benadrukt. De minderjarige zelf begrijpt de noodzaak van de verlenging ondanks haar ongenoegen.

De kinderrechter oordeelt dat de verlenging noodzakelijk is voor de voortzetting van hulpverlening en stabilisatie binnen de groepsstructuur. De machtiging wordt verlengd tot 12 augustus 2026, waarbij een deel van de termijn wordt aangehouden voor herbeoordeling en verdere betrokkenheid van de ouders. De beschikking is direct uitvoerbaar en er is mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige wordt verlengd tot 12 augustus 2026 met aanhouding van het resterende deel voor herbeoordeling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/376346 / JU RK 26-524
Datum uitspraak: 15 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdamte Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.J. Bouwman, kantoorhoudende te Zaandam,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 31 maart 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De vader is, ondanks daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
1.4.
De moeder is per abuis niet opgeroepen voor de zitting, maar is wel op de hoogte van de zitting.
1.5.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij haar moeder, maar verblijft momenteel in een accommodatie
van een jeugdhulpaanbieder in [plaats] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 oktober 2025
[de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 17 oktober 2026.
2.4.
Bij beschikking van 15 januari 2026 heeft de kinderrechter een
spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een
jeugdhulpaanbieder met ingang van 15 januari 2026 tot 12 februari 2026. Bij beschikking van 27 januari 2026 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 12 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI heeft dit verzoek als volgt onderbouwd.
3.2.
[de minderjarige] kampt met verschillende problematiek, waardoor het momenteel niet haalbaar is voor haar om thuis te wonen. [de minderjarige] heeft kenmerken van een autismespectrumstoornis, heeft een verstoord dag- en nachtritme, kan zich verbaal en fysiek agressief opstellen, gaat zeer onregelmatig naar school en toont een weigerachtige houding ten opzichte van hulpverlening. Deze problematiek tezamen maakt dat [de minderjarige] thuis niet aan haar ontwikkeling kan toekomen. Daarbij lukt het de ouders niet om aan te sluiten bij de behoeften van [de minderjarige] en ook niet om haar te motiveren voor school of hulp, ondanks de eerdere inzet van ouderbegeleiding, psycho-educatie en hulpverlening. Sinds [de minderjarige] uit huis is geplaatst laat ze een voorzichtig positieve ontwikkeling zien. Ze is meer gewend aan de groep en kan zich beter conformeren aan de regels die voor haar en de groep gelden. [de minderjarige] is er echter nog niet. De schoolgang van [de minderjarige] blijft een aandachtspunt en de hulpverlening van [jeugdhulpaanbieder] en [jeugdhulpaanbieder] die onlangs is ingezet, moet nog van de grond komen. De uithuisplaatsing van [de minderjarige] is nog nodig om de hulpverlening verder op te starten en [de minderjarige] verder te stabiliseren op de groep.

4.De standpunten

De moeder
4.1.
Namens de moeder is naar voren gebracht dat ze begrip heeft voor de verlenging van de uithuisplaatsing. Er is meer hulp nodig om [de minderjarige] weer thuis te kunnen laten wonen en ze hoopt dat deze hulpverlening snel kan starten. De moeder heeft wel moeite met de termijn van de gevraagde uithuisplaatsing en zou liever zien dat deze wordt ingekort. [de minderjarige] heeft goede stappen gezet en gedraagt zich goed. Dit maakt dat de moeder het ook belangrijk vindt dat zicht komt op een terugplaatsing. Wanneer dit aan de orde is, dan zou de moeder het wel prettig vinden dat de hulpverlening thuis wordt doorgezet.
De vader
4.2.
De vader bij de GI aangegeven dat gedaan moet worden wat nodig is voor [de minderjarige] , ook als dat een verlenging van de uithuisplaatsing betekend. Hij had het liever anders gezien, maar het belangrijkste is dat [de minderjarige] krijgt wat ze nodig heeft.

5.De mening van [de minderjarige]

5.1.
heeft bij de GI aangegeven dat ze de uithuisplaatsing niet leuk vindt, maar dat ze het verzoek tot verlenging wel begrijpt.

6.De beoordeling

6.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
6.2.
[de minderjarige] kampt met complexe problematiek, waaronder kenmerken van een autismespectrumstoornis, een verstoord dag- en nachtritme, agressief gedrag, onregelmatig schoolbezoek en weerstand tegen hulpverlening. Thuis kan zij hierdoor onvoldoende tot ontwikkeling komen, mede omdat de ouders ondanks eerdere ondersteuning niet in staat zijn goed aan te sluiten bij haar opgroeibehoeften. Sinds de uithuisplaatsing is sprake van een voorzichtig positieve ontwikkeling: [de minderjarige] is meer gewend geraakt aan (de groeps)structuur en hervatte deels haar schoolgang. De schoolgang van [de minderjarige] blijft wel een aandachtspunt en haar aanwezigheid wordt stapsgewijs uitgebreid. Positief is dat [de minderjarige] een bijbaan bij de Action heeft die voorspoedig verloopt. Recent zijn diverse hulpverleningsvormen ingezet, waaronder een persoonlijke coach via [jeugdhulpaanbieder] en systemische hulp voor het gezin via [jeugdhulpaanbieder] , waarbij wordt gewerkt aan een veilig opvoedklimaat. Ook wordt diagnostiek voorbereid, om te onderzoeken wat speelt bij [de minderjarige] , waar haar gedrag vandaan komt en wat nodig is voor een terugkeer naar huis. De machtiging uithuisplaatsing is dan ook nu nog noodzakelijk, zodat de hulpverlening binnen de kaders van de groep waar [de minderjarige] verblijft kan worden voortgezet en [de minderjarige] verder kan stabiliseren.
6.3.
De kinderrechter ziet aanleiding om de uithuisplaatsing in duur te beperken en zal deze verlengen voor de duur van drie maanden, waarbij het resterende deel, te weten twee maanden, wordt aangehouden. De kinderrechter acht het van belang om de situatie tegen die tijd opnieuw te beoordelen en de ouders daarbij de gelegenheid te geven ter zitting hun standpunten kenbaar te maken.
6.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige]in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 12 augustus 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
7.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting begin
augustus 2026in het gerechtsgebouw De Appelaar, Simon de Vrieshof 1 te Haarlem;
7.4.
bepaalt dat de griffier de GI, de ouders en [de minderjarige] dient op te roepen;
7.5.
bepaalt dat de GI de kinderrechter twee weken voor de zitting schriftelijk zal informeren over de actuele stand van zaken en haar nadere standpunt ten aanzien van het resterende deel van het verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.K. Mireku, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026, in aanwezigheid van mr. M.L. van Erp als griffier, op schrift gesteld op 21 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.