Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Procedure
- het verzoekschrift, met bijlagen, van de moeders, ingekomen op 23 december 2025;
- de berichten van de advocaat van de moeders van 5 februari 2026 en 30 april 2026.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Noord-Holland
De rechtbank Noord-Holland heeft op 6 mei 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin twee moeders, die een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, een verklaring voor recht vroegen over het juridisch moederschap en het gezamenlijk ouderlijk gezag over hun minderjarige kind.
Het kind is geboren uit de geboortemoeder en voorafgaand aan de geboorte erkend door de meemoeder met toestemming van de geboortemoeder. De moeders zijn van rechtswege gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. De rechtbank oordeelde dat het gezamenlijk gezag niet op grond van artikel 1:253sa BW geldt, omdat dit artikel uitgaat van een ouder en een niet-ouder, terwijl hier sprake is van twee juridische ouders vanaf de geboorte.
De rechtbank verklaarde voor recht dat de meemoeder juridisch moeder is en samen met de geboortemoeder het ouderlijk gezag uitoefent op grond van artikel 1:251b BW. Deze verklaring is van belang voor de juridische positie van de meemoeder in het buitenland. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden bestreden door hoger beroep.
Uitkomst: De rechtbank verklaart dat de meemoeder juridisch moeder is en samen met de geboortemoeder het ouderlijk gezag over het kind uitoefent.