Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4913

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
C/15/373242 / FA RK 25-6676
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251b BWArt. 1:253sa BWArt. 3:302 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verklaring voor recht juridisch moederschap en gezamenlijk ouderlijk gezag van meemoeder

De rechtbank Noord-Holland heeft op 6 mei 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin twee moeders, die een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, een verklaring voor recht vroegen over het juridisch moederschap en het gezamenlijk ouderlijk gezag over hun minderjarige kind.

Het kind is geboren uit de geboortemoeder en voorafgaand aan de geboorte erkend door de meemoeder met toestemming van de geboortemoeder. De moeders zijn van rechtswege gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag. De rechtbank oordeelde dat het gezamenlijk gezag niet op grond van artikel 1:253sa BW geldt, omdat dit artikel uitgaat van een ouder en een niet-ouder, terwijl hier sprake is van twee juridische ouders vanaf de geboorte.

De rechtbank verklaarde voor recht dat de meemoeder juridisch moeder is en samen met de geboortemoeder het ouderlijk gezag uitoefent op grond van artikel 1:251b BW. Deze verklaring is van belang voor de juridische positie van de meemoeder in het buitenland. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden worden bestreden door hoger beroep.

Uitkomst: De rechtbank verklaart dat de meemoeder juridisch moeder is en samen met de geboortemoeder het ouderlijk gezag over het kind uitoefent.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Haarlem
verklaring voor recht
zaak-/rekestnr.: C/15/373242 / FA RK 25-6676
beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 6 mei 2026
in de zaak van:
[de moeder 1],
hierna mede te noemen: [de moeder 1] ,
en
[de moeder 2] ,
hierna mede te noemen: [de moeder 2] ,
samen te noemen: de moeders,
beiden wonende te [plaats] ,
domicilie kiezende ten kantore van hun advocaat,
advocaat mr. K.S.M. Smienk, kantoorhoudende te Utrecht,

1.Procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift, met bijlagen, van de moeders, ingekomen op 23 december 2025;
  • de berichten van de advocaat van de moeders van 5 februari 2026 en 30 april 2026.

2.Feiten en omstandigheden

2.1.
De moeders zijn op [datum] een geregistreerd partnerschap aangegaan.
2.2.
Op [geboortedatum] is te [plaats] uit [de moeder 2] geboren het minderjarige kind:
[de minderjarige] (hierna mede te noemen: [de minderjarige] ).
2.3.
[de minderjarige] is reeds voor haar geboorte, op [datum] , erkend door [de moeder 1] , met toestemming van [de moeder 2] . De moeders hebben daarbij gekozen voor de geslachtsnaam van [de moeder 2] : [geslachtsnaam] .
2.4.
De moeders zijn van rechtswege belast met het gezamenlijk ouderlijk gezag over [de minderjarige] .

3.De behandeling en beoordeling van de zaak

3.1.
De moeders verzoeken de rechtbank, indien mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren dat [de moeder 1] de juridische moeder is van [de minderjarige] ;
II. voor recht te verklaren dat [de moeder 1] gezamenlijk met [de moeder 2] het ouderlijk gezag heeft over [de minderjarige] .
3.2.
De onderbouwing van het verzoek van de moeders komt erop neer dat zij zich zorgen maken over de juridische positie van [de moeder 1] in het buitenland, nu haar juridisch moederschap uitsluitend berust op erkenning. Zij geven daarbij aan dat door het afgeven van een verklaring voor recht alsnog een rechterlijke toets plaatsvindt waarvan de moeders in het buitenland gebruik kunnen maken om aan te tonen dat zij beiden juridisch ouder zijn van [de minderjarige] en gezamenlijk het ouderlijk gezag over [de minderjarige] uitoefenen.
3.3.
De rechtbank overweegt als volgt.
3.4.
Op grond van artikel 3:302 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van een bij een rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon over die rechtsverhouding een verklaring voor recht uitspreken.
3.5.
De moeders hebben een geregistreerd partnerschap. [de minderjarige] is binnen dit geregistreerd partnerschap uit [de moeder 2] geboren. Voorafgaand aan de geboorte is [de minderjarige] door [de moeder 1] erkend. Beide moeders zijn van rechtswege vanaf de geboorte van [de minderjarige] haar juridische ouders.
3.6.
De moeders hebben gesteld dat zij op grond van artikel 1:253sa BW gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . De rechtbank volgt de moeders niet in deze stelling, nu artikel 1:253sa BW uitgaat van de situatie van een ouder en een niet-ouder.
Nu [de minderjarige] voorafgaand aan haar geboorte is erkend door [de moeder 1] en vanaf haar geboorte van rechtswege reeds in een familierechtelijke betrekking staat tot beide moeders, volgt het van rechtswege gezamenlijk ouderlijk gezag reeds uit artikel 1:251b BW.
3.7.
Beide moeders zijn de juridische ouders van [de minderjarige] en zij zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
3.8.
De verzoeken van de moeders zijn gegrond op de wet en blijven binnen de grenzen van de vaststelling van de rechtsverhouding tussen hen en [de minderjarige] . De rechtbank is van oordeel dat de moeders gebaat zijn bij een verklaring voor recht ten aanzien van het ouderschap van [de moeder 1] en het gezamenlijk ouderlijk gezag. Niet is gebleken dat de verzochte verklaring voor recht niet in het belang van [de minderjarige] is. De rechtbank zal het verzoek van de moeders dan ook toewijzen om voor recht te verklaren dat [de moeder 1] juridisch ouder is van [de minderjarige] en gezamenlijk met [de moeder 2] is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . Door de moeders kan zo nodig in het buitenland naast de geboorteakte van de [de minderjarige] worden verwezen naar de onderhavige beschikking. Het belang van [de minderjarige] en de moeders bij erkenning van het juridisch ouderschap en het gezamenlijk ouderlijk gezag in het buitenland wordt op deze wijze zo veel mogelijk gewaarborgd.

4.Beslissing

De rechtbank:
4.1.
verklaart voor recht dat [de moeder 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , de juridische moeder is van het kind [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;
4.2.
verklaart voor recht dat [de moeder 1] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , gezamenlijk met [de moeder 2] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] , is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] , geboren op
[geboortedatum] te [plaats] ;
4.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.C. Oosterbroek, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van H.M. Zonneveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.