3.3.3.Bewijsoverweging
Juridisch kader
Voor een bewezenverklaring van witwassen moet vast komen te staan dat de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dit wist of redelijkerwijs kon vermoeden. Het onderzoek in de onderhavige zaak heeft geen direct bewijs opgeleverd voor een criminele herkomst van de in de tenlastelegging opgenomen voorwerpen. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen de voorwerpen en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat de voorwerpen ‘uit enig misdrijf’ afkomstig zijn, indien de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn, dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Als dit het geval is, dan mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van deze voorwerpen. Een dergelijke verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te (laten) doen naar de, uit de verklaring van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van de voorwerpen. Uit de resultaten van dat onderzoek zal ten slotte moeten blijken of met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de voorwerpen waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst hebben en dus of een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Vermoeden van witwassen
De eerste vraag die de rechtbank bij haar beoordeling van de verdenking van witwassen moet beantwoorden, is of sprake is van een vermoeden van witwassen. De rechtbank stelt in dat verband de volgende feiten en omstandigheden vast.
Uit het onderzoek naar de bankrekeningen van de verdachte is onder meer gebleken dat in de jaren 2017 tot en met 2022 een totaalbedrag van € 133.357, - in contanten op de bankrekening van de verdachte is gestort en in dezelfde periode een totaalbedrag van € 13.080,52 in contanten is opgenomen.
Op 10 januari 2023 is onder de verdachte onder meer een Mercedes GLC 220 D 4MATIC met kenteken [kenteken] en een heren polshorloge, merk Rolex (met een waarde van € 11.000,-) in beslag genomen.
De rechtbank stelt vast dat het bij de Belastingdienst bekende inkomen van de verdachte de hoge contante stortingen en het bezit van de Mercedes en de Rolex niet kunnen verklaren. De verdachte had in de periode van 2017 tot en met 2021 jaarlijks een bruto inkomen tussen de
€ 3.556,23 en € 22.708,32. De rechtbank acht deze feiten en omstandigheden van dien aard, dat zij het vermoeden van een criminele herkomst van het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag, de Mercedes en de Rolex zonder meer rechtvaardigen.
Verklaringen van de verdachte
Gelet op het vermoeden van witwassen mag vervolgens van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag, de Mercedes en de Rolex die concreet, min of meer verifieerbaar is en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk is aan te merken.
De contante geldbedragen
De verdachte heeft verklaard dat hij in de ten laste gelegde periode werkzaam was als zelfstandig kapper. Hij werd door zijn klanten contant betaald en aan het einde van de maand stortte hij het geld op zijn rekening. De verdachte stelt dat hij per abuis deze inkomsten niet heeft doorgegeven aan de Belastingdienst. Inmiddels heeft hij een aantal suppleties omzetbelasting ingediend bij de Belastingdienst om dit te corrigeren.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze verklaring van de verdachte onvoldoende concreet en verifieerbaar. De verdachte heeft weliswaar stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij suppleties heeft ingediend bij de Belastingdienst, maar hij heeft ter zitting verklaard dat deze suppleties enkel zijn gebaseerd op de contante stortingen op zijn rekening. De verdachte heeft verder geen stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn werkzaamheden als kapper, zoals een boekhouding, agenda met afspraken of een klantenbestand. Dit betekent dat de verdachte het witwasvermoeden niet heeft weerlegd. De rechtbank concludeert daarom dat het niet anders kan zijn dan dat de contante stortingen – direct of indirect – uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte dit wist.
De Mercedes
De verdachte heeft verklaard dat hij de Mercedes voor € 12.000,- heeft gekocht met geld dat hij heeft geleend van een vriend. De verdachte zou de Mercedes contant betaald hebben. Met de verkoop van zijn BMW zou de verdachte de lening later hebben terugbetaald. Ter onderbouwing van zijn verklaring heeft de verdachte een aankoopnota overgelegd van de Mercedes voor een bedrag van € 11.495,-. De verdachte wil niet vertellen wie de vriend is van wie hij geld heeft geleend en hij heeft geen stukken overgelegd die zien op die lening of op de verkoop van de BMW waaruit blijkt dat hij die BMW voor een bedrag van € 22.000,- heeft verkocht.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze verklaring van de verdachte onvoldoende concreet en verifieerbaar. Dat hij een bedrag van een vriend heeft geleend, is niet te controleren. Bovendien blijkt uit de inkoopfactuur van het autobedrijf dat de BMW van de verdachte heeft gekocht dat hij met de verkoop van de BMW niet de (gehele) aankoop van de Mercedes kon bekostigen, aangezien de verdachte voor de BMW een bedrag van € 8.400,- heeft ontvangen, waarvan € 5.400,- contant is voldaan. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte het witwasvermoeden niet heeft weerlegd en dat het dus niet anders kan zijn dan dat de Mercedes– direct of indirect – uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dit wist.
De Rolex
De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij geld heeft gespaard tijdens zijn werk bij Tata Steel in het verleden en dat hij contant geld beschikbaar had door het handelen in auto’s. De Rolex heeft hij voor € 12.000,- bij een handelaar van dit spaargeld gekocht. Hij heeft het bedrag in vier termijnen betaald.
Naar het oordeel van de rechtbank is ook deze verklaring van de verdachte onvoldoende concreet en verifieerbaar. De verdachte heeft niet verklaard wanneer hij het horloge heeft aangeschaft. De verdachte heeft ook niet genoemd wie de betreffende handelaar was en hij heeft ook geen aankoopnota overgelegd. Nu onbekend is gebleven op welk moment het horloge is aangekocht, is ook niet te verifiëren of hij in die periode contante inkomsten heeft gehad door de verkoop van auto’s met behulp waarvan hij het horloge heeft kunnen aanschaffen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte het witwasvermoeden onvoldoende heeft ontzenuwd en dat het niet anders kan zijn dan dat de Rolex– direct of indirect – uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dit wist.