ECLI:NL:RBNHO:2026:4774
Rechtbank Noord-Holland
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Intrekking omgevingsvergunning uit 1969 wegens niet-gebruik en bescherming werelderfgoed Beemster
Eisers, eigenaren van een woning in Zuidoostbeemster, wilden uitvoering geven aan een in 1969 verleende omgevingsvergunning voor uitbreiding van hun pand. Het college van burgemeester en wethouders van Purmerend trok deze vergunning in april 2025 in, omdat er sinds 1969 langere perioden van meer dan een jaar waren waarin geen gebruik van de vergunning was gemaakt. Eisers stelden dat zij al waren begonnen met de uitvoering en dat de intrekking onredelijk en in strijd met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel was.
De voorzieningenrechter stelde vast dat het college bevoegd was tot intrekking op grond van artikel 5.40 van de Omgevingswet. Uit het inspectierapport en de overgelegde stukken bleek niet dat daadwerkelijk uitvoering was gegeven aan de vergunning uit 1969. Eisers konden geen concreet bewijs leveren van investeringen of bouwactiviteiten die specifiek op deze vergunning waren gebaseerd. Het college had het belang van bescherming van de kernkwaliteiten van het werelderfgoed Beemster zwaarder gewogen dan de belangen van eisers.
De rechtbank oordeelde dat het beroep van eisers ongegrond was en dat het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. De intrekking was niet in strijd met het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel, omdat eisers niet konden vertrouwen op het behoud van de vergunning gezien de lange niet-gebruikperiode en de communicatie van het college. Eisers hadden bovendien de mogelijkheid gehad om een aangepast bouwplan in te dienen, maar hadden dit niet gedaan. De woning kon ook op andere wijze worden vergroot zonder de oude vergunning te gebruiken.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de omgevingsvergunning uit 1969.