ECLI:NL:RBNHO:2026:476

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
C/15/370647 / HA ZA 25-682
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing provisionele vordering eigenaren recreatiewoning tegen beheerder recreatiepark

De eigenaren van een recreatiewoning op het recreatiepark Dirkshoeve vorderden in een incident een voorlopige voorziening die de exploitant zou verbieden maatregelen te treffen zoals ontzegging van toegang en verhuurverbod gedurende de procedure. Zij stelden dat zij een dringend belang hadden omdat de exploitant dreigde met dergelijke maatregelen om betwiste facturen te incasseren.

De exploitant voerde verweer en stelde dat er geen sprake was van dreiging of maatregelen, omdat de eigenaren aan hun betalingsverplichtingen voldeden. De rechtbank oordeelde dat de vordering prematuur en zonder praktisch belang was, omdat onvoldoende feitelijke onderbouwing bestond voor een objectief gerechtvaardigde vrees voor handhavingsmaatregelen.

Daarom werd de provisionele vordering afgewezen. Tevens werden de eigenaren hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van het incident. De hoofdzaak, waarin onder meer de geldigheid van de door de exploitant opgelegde regels en boetes wordt betwist, zal op een later moment worden behandeld.

Uitkomst: De provisionele vordering van de eigenaren wordt afgewezen wegens onvoldoende dringend belang en zij worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/370647 / HA ZA 25-682
Vonnis in incident van 21 januari 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

2.
[eiseres sub 2],
beiden te [woonplaats] ,
eisende partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. B.P. van Overeem,
tegen
DIRKSHOEVE B.V.,
te Dirkshorn, gemeente Schagen,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: Dirkshoeve,
advocaat: mr. R.J. van de Leur.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding tevens houdende een incidentele vordering met producties 1-15
- de conclusie van antwoord in het incident tevens conclusie van antwoord in conventie met producties 1-27.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De feiten

2.1.
Dirkshoeve exploiteert en beheert het recreatiepark ‘Bungalowpark Dirkshoeve’ te Dirkshorn (hierna: het recreatiepark).
2.2.
[eisers] hebben op 15 maart 2023 het recht van erfpacht en de bloot-eigendom verkregen van een perceel grond op het recreatiepark met kavelnummer [kavelnummer] . Op het perceel staat een recreatiewoning met aanhorigheden.
2.3.
Tussen partijen zijn geschillen ontstaan die onder meer betrekking hebben op de door [eisers] verrichte (snoei)werkzaamheden in de tuin en de (hoogte van de) door Dirkshoeve in rekening gebrachte servicekosten.

3.Het geschil in de hoofdzaak

3.1.
In de hoofdzaak vorderen [eisers] - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis:
I. voor recht verklaart dat de als productie 3 bij de dagvaarding overgelegde regels, reglementen etc. niet binden, althans niet binden zonder dat de regels zodanig zijn aangepast dat deze een doelmatige wijze van onderhoud en beheer van het recreatiepark ten dienste staan, subsidiair dat de als productie 16 overgelegde lijst van bepalingen rechtsgeldig door [eisers] zijn vernietigd, meer subsidiair dat de door de rechtbank in goede justitie bepaalde bepalingen rechtsgeldig zijn vernietigd;
II. Dirkshoeve veroordeelt tot betaling van € 2.160,47;
III. Dirkshoeve veroordeelt tot betaling van € 4.423,50;
IV. Dirkshoeve veroordeelt in de (na)kosten van de procedure.
3.2.
[eisers] leggen aan de vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag. Dirkshoeve heeft boetes opgelegd in verband met vermeende overtredingen van verschillende bepalingen uit Algemene Voorwaarden en Huisregels voor het recreatiepark. Die bepalingen - inclusief de boeteclausule - zijn eenzijdig door Dirkshoeve opgelegd. [eisers] hebben van die bepalingen niet deugdelijk kennis kunnen nemen. Zij beroepen zich op consumentenbescherming en stellen dat de bepalingen wegens het ontbreken van wilsovereenstemming niet bindend zijn geworden. De bepalingen zijn onredelijk bezwarend en komen voor vernietiging in aanmerking, althans moeten worden beperkt op de wijze zoals in de dagvaarding is aangegeven. De bepalingen dienen immers voor een belangrijk deel geen rechtens te respecteren doel. De boete die Dirkshoeve in verband met het snoeien van het groen heeft opgelegd hebben [eisers] onder protest betaald om te voorkomen dat de toegang tot het recreatiepark wordt ontzegd. Om dezelfde reden hebben [eisers] onder protest de servicekosten betaald die Dirkshoeve ongespecificeerd bij hen in rekening heeft gebracht. [eisers] vorderen deze bedragen als onverschuldigd betaald terug, omdat voor betaling geen juridische grondslag bestaat.

4.Het geschil in het incident

4.1.
In het incident vorderen [eisers] dat de rechtbank bij vonnis Dirkshoeve verbiedt om - voor de duur van de procedure - maatregelen jegens [eisers] te treffen, waaronder begrepen, maar niet daartoe beperkt, het ontzeggen van toegang tot het recreatiepark aan [eisers] , hun familieleden en aangekondigde huurders, het weigeren om toestemming voor verhuur te verlenen en/of het [eisers] anderszins te ontzeggen van het vrije genot van hun vakantiehuis, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat Dirkshoeve dit verbod overtreedt.
4.2.
[eisers] stellen dat zij bij deze vordering belang hebben, omdat Dirkshoeve te pas en te onpas aankondigt dat zij aan [eisers] en hun huurders de toegang tot recreatiepark zal ontzeggen teneinde betwiste facturen te incasseren en Dirkshoeve ook na betaling weigert om te bevestigen dat de toegang niet zal worden ontzegd.
4.3.
Dirkshoeve voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de proceskosten van het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente en nakosten.

5.De beoordeling in het incident

5.1.
[eisers] baseren hun vordering op artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Artikel 223 Rv Pro biedt partijen de mogelijkheid om in een aanhangige procedure (de hoofdprocedure) te vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van de hoofdprocedure (ook wel aangeduid als een provisionele vordering). Aan het vereiste dat de provisionele vordering moet samenhangen met de hoofdprocedure is in dit geval voldaan.
5.2.
Het karakter van een voorlopige voorziening in de zin van artikel 223 Rv Pro brengt mee dat eisende partij in het incident, in dit geval [eisers] , een zodanig dringend belang bij de gevraagde voorziening moet hebben, dat van haar niet kan worden gevergd dat zij de afloop van de hoofdprocedure afwacht. Bij een beslissing op de vordering dient het belang van [eisers] bij toewijzing van de vordering te worden afgewogen tegen het belang van Dirkshoeve om de afloop van de procedure af te wachten. Bij die belangenafweging moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken.
5.3.
De rechtbank wijst de vordering af. Partijen zijn het oneens over de grondslag en omvang van de (betalings)verplichtingen die [eisers] als eigenaren van een recreatiewoning op het recreatiepark hebben. Daaruit vloeit voort de vraag of [eisers] mogelijk teveel aan Dirkshoeve zouden hebben betaald. Dit zal uiteindelijk in de bodemprocedure beoordeeld moeten worden. In afwachting daarvan ziet de rechtbank, de belangen van partijen afwegende, geen rechtvaardiging voor toewijzing van de gevorderde voorziening. Dirkshoeve heeft namelijk gemotiveerd aangevoerd dat weigering van toegang tot het recreatiepark, een tijdelijk verhuurverbod of een weigering van huurders niet aan de orde zijn, omdat [eisers] aan hun betalingsverplichtingen hebben voldaan. Volgens Dirkshoeve is de incidentele vordering prematuur en ook volledige onnodig en zonder praktisch belang ingesteld. Dirkshoeve wijst er daarbij op dat er geen dreiging, blokkade of aangekondigde maatregel of handeling van haar is waardoor [eisers] in het vrije gebruik van hun recreatiewoning worden gehinderd. Nu [eisers] niet feitelijk hebben onderbouwd dat sprake is van een objectief gerechtvaardigde vrees dat dergelijke handhavingsmaatregelen hangende de bodemprocedure door Dirkshoeve (alsnog) worden genomen, is de rechtbank van oordeel dat [eisers] bij de provisionele vordering onvoldoende dringend belang hebben.
5.4.
Nu de incidentele vordering van [eisers] wordt afgewezen, zal de daarmee samenhangende vordering om Dirkshoeve een dwangsom op te leggen, ook worden afgewezen.
5.5.
[eisers] worden als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) in incident. Bij een veroordeling van twee of meer partijen tot betaling van de proceskosten, geldt als uitgangspunt dat zij ieder voor het geheel aansprakelijk zijn en dus hoofdelijk zijn verbonden tot nakoming van die veroordeling. De rechtbank zal [eisers] dan ook, zoals door Dirkshoeve gevorderd, hoofdelijk in de proceskosten in incident veroordelen.
De proceskosten van Dirkshoeve in het incident worden begroot op:
- salaris advocaat € 614,00 (1 punt x tarief II)
- nakosten
€ 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 792,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. De proceskostenveroordeling en de veroordeling om daar wettelijke rente over te betalen worden, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

6.De beoordeling in de hoofdzaak

6.1.
De rechtbank zal bepalen dat de zaak weer op de rol zal komen van 4 februari 2026 voor beraad rolrechter over het bepalen van een mondelinge behandeling.

7.De beslissing

De rechtbank
in het incident
7.1.
wijst de vorderingen af,
7.2.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
7.3.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
7.4.
verklaart de veroordelingen in 7.2. en 7.3. uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
7.5.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 4 februari 2026voor beraad rolrechter over het bepalen van een mondelinge behandeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.
ST/JG