ECLI:NL:RBNHO:2026:474

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
25-459
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 8:72 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Recht op van rechtswege verleende omgevingsvergunning en intrekking verklaring vergunningvrije activiteit

Eiser, eigenaar van een pand in Nieuw-Vennep, exploiteert via een huurder een witgoedverkoopbedrijf. Het college startte een handhavingstraject omdat detailhandel op die locatie niet was toegestaan volgens het bestemmingsplan. Eiser vroeg op 28 juni 2022 een omgevingsvergunning aan om de situatie te legaliseren. Het college stuurde op 30 augustus 2022 een verklaring dat geen vergunning nodig was, maar trok deze op 11 januari 2023 in en weigerde alsnog de vergunning.

De rechtbank stelt vast dat het college niet tijdig op de aanvraag heeft beslist, waardoor op 24 augustus 2022 een vergunning van rechtswege is verleend. De verklaring van 30 augustus 2022 is geen besluit en kan niet worden gezien als een positieve weigering die de van rechtswege verleende vergunning vervangt.

De intrekking van de verklaring door het college is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, mede omdat eiser op basis van die verklaring een nieuwe huurovereenkomst is aangegaan. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van 12 december 2024 en herroept het besluit van 11 januari 2023. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit van 12 december 2024 en herroept het besluit van 11 januari 2023, waarbij eiser een van rechtswege verleende omgevingsvergunning heeft.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/459

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. L.T. van Eijck van Heslinga),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer,

(gemachtigden: mrs. V. van Toledo en T.V. Janssens).

Samenvatting

1. Eiser is eigenaar van de [adres 1] in Nieuw-Vennep. In dit pand wordt (door een huurder van eiser) een onderneming geëxploiteerd in verkoop van witgoed. In januari 2021 heeft het college daar handhavend tegen opgetreden, omdat detailhandel volgens het college niet is toegestaan op het genoemde adres. Eiser heeft vervolgens een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning met het doel de situatie te legaliseren. In eerste instantie heeft het college laten weten dat een vergunning toch niet nodig is. Dit heeft het college gedaan door eiser een ‘verklaring omgevingsvergunningvrije activiteit’ te sturen. Deze mededeling/verklaring is later ingetrokken door het college. Hiertegen is eiser opgekomen. In deze zaak speelt de vraag of er van rechtswege een omgevingsvergunning is verleend, omdat het college niet tijdig heeft beslist op de aanvraag van eiser. Ook speelt de vraag of het college terug mocht komen op de mededeling dat er geen omgevings-vergunning nodig was.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser sinds
24 augustus 2022 een van rechtswege verleende vergunning heeft, dat de ‘verklaring omgevingsvergunningvrije activiteit’ niet kan worden gezien als een positieve weigering en dat intrekking van die verklaring in strijd is met de rechtszekerheid. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft op 28 juni 2022 een aanvraag ingediend voor een omgevings-vergunning. Het college heeft vervolgens op 30 augustus 2022 aan eiser een ‘verklaring omgevingsvergunningvrije activiteit’ toegestuurd. Het college heeft op 11 januari 2023 die verklaring weer ingetrokken en de omgevingsvergunning alsnog geweigerd. Met het bestreden besluit van 12 december 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij die intrekking en weigering gebleven, onder aanvulling van de motivering.
3.1
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3.2
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.
3.3
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
4.1
Eiser is eigenaar van het gebouw aan de [adres 1] in Nieuw-Vennep. Op grond van het bestemmingsplan ‘Nieuw-Vennep Oost’ geldt ter plekke de enkelbestemming ‘bedrijf’, met functieaanduidingen ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’ en ‘specifieke vorm van detailhandel-autoverkoop’.
4.2
Het college is een handhavingstraject gestart, onder andere omdat eiser het gebouw gebruikt voor detailhandel in witgoed. In verband met dat handhavingstraject heeft eiser op 28 juni 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd. In de aanvraag staat bij projectomschrijving het volgende: “
detailhandel voor witgoed aanvragen door middel van aanvraag afwijkend gebruik”. Als opmerking is daaraan toegevoegd: “
Op dit moment is detailhandel voor verkoop van auto’s toegestaan. Deze aanvraag betreft afwijkend gebruik detailhandel/witgoed verkoop. Aan het pand en terrein geen wijzigingen. Voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein aanwezig. Witgoed is volumineus, te groot voor verkoop in een winkelcentrum”.
4.3
Het college heeft op 30 augustus 2022 aan eiser een brief gestuurd, met onderwerp “Verklaring omgevingsvergunningvrije activiteit”. Verder staat er het volgende in:
“ (…)
Op 28 juni 2022 hebben wij uw aanvraag om een omgevingsvergunning ontvangen voor het afwijkend gebruik van detailhandel voor witgoed op de locatie [adres 1] te Nieuw-Vennep.
Uw aanvraag betreft de volgende Wabo-activiteit:

Het bouwen van een bouwwerk (art. 2.1, eerste lid, sub a Wabo).
Verklaring vergunningvrij
Wij hebben beoordeeld dat voor deze activiteit geen omgevingsvergunning is vereist.
Uw aanvraag valt in het bestemmingsplan Nieuw Vennep-Oost en heeft de functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’. In de Staat van bedrijfsactiviteiten staat een lijst met bedrijven die zich daar kunnen vestigen. Een groothandel van witgoed voor consumenten kan worden gecategoriseerd in categorie 2. Daarmee voldoet het gebruik aan het bestemmingsplan.
Aangezien u verder geen veranderingen aanbrengt (indeling/constructieve wijzigingen) heeft u geen activiteit bouwen nodig.
De behandeling van uw aanvraag is hiermee afgehandeld.
(…)
4.4
Op 11 januari 2023 heeft het college bij besluit de onder 3.3 genoemde verklaring ingetrokken en de gevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd. Volgens het college is de eerdere beoordeling, dat voor de activiteit geen omgevingsvergunning is vereist en dat het gebruik als detailhandel in witgoed als groothandel gecategoriseerd kan worden, onjuist gebleken.
Het bestreden besluit
5. Het college heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Het college heeft advies ingewonnen bij een adviescommissie bezwaarschriften. Vanwege dat advies heeft het college nader onderzoek laten verrichten en een nieuwe belangenafweging gemaakt. Samengevat staat in het bestreden besluit het volgende.
5.1
Het algemeen belang bij handhaving van het bestemmingsplan weegt zwaarder dan het belang van eiser. Volgens eiser is de verklaring van 30 augustus 2022 weliswaar de reden geweest om de toen bestaande huurovereenkomst te ontbinden en om een huurovereenkomst met datum 1 januari 2023 aan te gaan, maar het is niet duidelijk geworden waarom de bestaande overeenkomst opgezegd moest worden vóór afloop van de termijn. Eiser kon er in redelijkheid niet vanuit gaan dat het college met de ‘verklaring omgevingsvergunningvrij’ terug kwam op eerder geconstateerde strijd met het bestemmingsplan. De verklaring was innerlijk tegenstrijdig. In de verklaring wordt de aangevraagde activiteit omschreven als ‘groothandel van witgoed voor consumenten’. Het college heeft daarmee een evidente fout gemaakt, gelet op de aanvraag en de definities in het algemeen spraakgebruik. Daar komt bij dat er sinds 2018 een handhavingstraject loopt. Daardoor was eiser op de hoogte van het standpunt van het college dat de activiteit detailhandel op deze locatie in strijd is met het bestemmingsplan. Ook wist hij dat het college die activiteit daar niet wenselijk acht. Uit de functieaanduiding ‘specifieke vorm van detailhandel-autoverkoop’ kan worden afgeleid dat een andere vorm van detailhandel op deze locatie niet is toegestaan
Is er een omgevingsvergunning van rechtswege verleend?
6.1
Eiser stelt dat de aanvraag van 28 juni 2022 door het bevoegd gezag als compleet werd beoordeeld. Vanaf de datum van indiening was de wettelijke beslistermijn 8 weken. Volgens eiser is door tijdsverloop een van rechtswege verleende omgevingsvergunning tot stand gekomen.
6.2
Het college betoogt dat binnen acht weken op de aanvraag is beslist. Immers bij besluit van 2 september 2022 is besloten dat het afwijkend gebruik voor detailhandel voor witgoed op deze locatie vergunningsvrij is. Er is geen van rechtswege vergunning ontstaan, omdat het college de beslistermijn had kunnen verlengen. Het college betoogt ook dat er - binnen de verlengde beslistermijn - een onherroepelijk reëel besluit lag in de vorm van de verklaring vergunningvrij. Het intrekken daarvan doet volgens het college niet alsnog een vergunning van rechtswege ontstaan. Een vergunning van rechtswege kan immers alleen ontstaan als niet tijdig wordt beslist op de aanvraag, niet door intrekking van een genomen besluit op de aanvraag.
6.3
De rechtbank stelt vast dat eiser de aanvraag heeft ingediend op 28 juni 2022. De termijn om op de aanvraag te beslissen verstreek 8 weken later, op 24 augustus 2022. De rechtbank stelt ook vast dat het college binnen die termijn geen besluit heeft genomen. Op grond van de toen geldende regels, is op 24 augustus 2022 van rechtswege een omgevingsvergunning ontstaan. De omstandigheid dat het college in theorie de beslistermijn had kunnen verlengen, is niet relevant. Vast staat namelijk dat het college de beslistermijn niet heeft verlengd.
Heeft het college naderhand alsnog een besluit genomen?
7.1
Uit vaste rechtspraak volgt dat een alsnog genomen besluit na een van rechtswege verleende omgevingsvergunning niet van rechtswege nietig is. Als een alsnog genomen besluit niet tijdig in rechte wordt bestreden krijgt het alsnog genomen besluit formele rechtskracht en treedt het in de plaats van de van rechtswege verleende vergunning.
7.2
Eiser stelt dat er in dit geval geen besluit in de plaats is getreden van de van rechtswege vergunning. Het college heeft namelijk niet alsnog een besluit genomen. De verklaring van 30 augustus 2022 is geen besluit volgens eiser, omdat de verklaring geen rechtsgevolg heeft. Het kan ook niet aangemerkt worden als positieve weigering, omdat in de verklaring niet staat dat de aanvraag wordt geweigerd (omdat er geen vergunning nodig is).
7.3
In het verweerschrift stelt het college onder verwijzing naar de verklaring van
30 augustus 2022 dat is besloten dat het afwijkend gebruik van detailhandel voor witgoed vergunningvrij is. Dit is volgens het college een reëel besluit dat in de plaats is getreden van de van rechtswege vergunning.
7.4
Gelet op het geschil tussen partijen, moet de rechtbank de vraag beantwoorden of de verklaring van 30 augustus 2022 wel of geen positieve weigering van de aanvraag is. Een positieve weigering is een besluit van - in dit geval - het college waarbij een vergunning wordt geweigerd, omdat het college vaststelt dat de aangevraagde activiteit op dat moment niet vergunningplichtig is.
7.5
De verklaring van 30 augustus 2022 gaat over de aanvraag van eiser van 28 juni 2022. In de aanvraag staat bij projectomschrijving en de opmerking daaronder dat het gaat om een aanvraag (voor) afwijkend gebruik voor detailhandel/witgoed verkoop. Deze omschrijving heeft het college overgenomen in zijn verklaring van 30 augustus 2022. Onder het kopje ‘verklaring vergunningvrij’ staat dat het college beoordeeld heeft dat voor de(ze) activiteit geen omgevingsvergunning is vereist. Het college heeft echter niet de aanvraag voor afwijkend gebruik geweigerd, zoals gebruikelijk is bij een positieve weigering. Het college heeft (slechts) volstaan met een constatering dat er geen omgevingsvergunning nodig is. Hierdoor heeft de verklaring geen rechtsgevolg. Met de van rechtswege verleende vergunning mocht eiser de locatie namelijk gebruiken voor detailhandel voor witgoed en dat is niet veranderd met de verklaring.
7.6
Het gevolg is dat de verklaring van 30 augustus 2022 niet kan worden beschouwd als een reëel besluit dat in de plaats is getreden van de van rechtswege verleende omgevingsvergunning van 24 augustus 2022.
Mocht het college nog terugkomen op de van rechtswege verleende vergunning?
7.7
Het college heeft op 11 januari 2023 de ‘verklaring omgevingsvergunningvrije activiteit’ ingetrokken, omdat
het besluitonjuist zou zijn. Zoals hiervoor al werd overwogen, is de verklaring geen besluit. Dit betekent dat de intrekking van de verklaring geen effect sorteert. Toen het college het besluit van 11 januari 2023 nam, gold de van rechtswege vergunning nog steeds.
7.8
De rechtbank stelt vast dat het college de van rechtswege verleende vergunning niet heeft ingetrokken. Voor zover het college dit met het besluit van 11 januari 2023 heeft beoogd te doen overweegt de rechtbank dat dit in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.
Uitleg en toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel
8.1
Het is vaste rechtspraak dat een bestuursorgaan bevoegd is om een onjuist besluit in te trekken, mits de aard van het besluit en de inhoud van de wettelijke regeling zich daartegen niet verzetten en het bestuursorgaan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht neemt. De bevoegdheid om een onjuist besluit in te trekken wordt afgeleid uit de bevoegdheid om een begunstigend besluit te nemen. Deze bevoegdheid wordt beperkt door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. In beginsel mag een belanghebbende (in dit geval eiser) erop vertrouwen dat het van rechtswege genomen besluit en de verklaring van het college juist is. Dat is niet het geval als de onjuistheid van het besluit te wijten is aan het feit dat eiser onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt of als hij wist of hoorde te weten dat het besluit of de verklaring onjuist was. In die gevallen is intrekking van een besluit toegestaan. Dat is, volgens de rechtspraak, ook toegestaan als er weliswaar geen sprake is van verkeerde inlichtingen of van een kenbare fout, maar het gaat om een vergissing die onverwijld en onmiskenbaar door het college is herroepen en eiser in die korte tijd niet iets heeft gedaan of nagelaten dat niet meer zonder nadeel kan worden hersteld. [1]
8.2
Eiser gebruikt de locatie aan de [adres 2] voor de detailhandel in witgoed. Sinds 2018 zijn partijen hierover met elkaar verwikkeld in een handhavingstraject. Hoewel eiser meent dat het gebruik op die locatie is toegestaan, heeft hij ter legalisatie een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend waarbij hij de benodigde gegevens had verstrekt. Omdat het college niet op tijd op die aanvraag besliste, ontstond er een van rechtswege vergunning. Met de verklaring van 30 augustus 2022 bevestigde het college op basis van de aanvraag en de beschikbare gegevens dat het gebruik was toegestaan.
8.3
De rechtbank volgt het college niet in het standpunt dat die verklaring zo duidelijk onjuist was dat eiser op grond daarvan had moeten begrijpen dat die verklaring of de van rechtswege verleende vergunning niet zou kloppen. Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat in de aanhef van de verklaring expliciet wordt verwezen naar eisers aanvraag van 28 juni 2022. In de tweede plaats is relevant dat het onderwerp van de verklaring ‘het afwijkend gebruik van detailhandel voor witgoed’ betreft en dat in de eerste alinea van de verklaring is omschreven waar de aanvraag betrekking op heeft. In de derde plaats is van belang dat onder het kopje ‘verklaring vergunningvrij’ het college constateert in welk bestemmingsplan de locatie valt en welke functieaanduiding geldt. Dat in de verklaring ten onrechte is opgenomen dat de aanvraag ziet over het bouwen van een bouwwerk en dat het gaat om ‘groothandel van witgoed’ maakt niet dat voor eiser in één oogopslag duidelijk had moeten zijn dat de verklaring onjuist was.
8.4
Ook het tijdsverloop speelt hier een rol. Het college heeft na de van rechtswege verleende vergunning en het afgeven van de verklaring van 30 augustus 2022 bijna
4,5 maand gewacht met het besluit van 11 januari 2023. Het college heeft dus niet onverwijld kenbaar gemaakt dat de verklaring of de van rechtswege verleende omgevingsvergunning onjuist was. Eiser is bovendien op basis van de verklaring een nieuwe huurovereenkomst overeengekomen met zijn huurder. Ook gelet hierop staat het rechtszekerheidsbeginsel in de weg om nog terug te komen op het eerdere besluit of de verklaring.
8.5
Omdat het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel slaagt, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat het college in het bestreden besluit van
12 december 2024 niet onderkend heeft dat het besluit van 11 januari 2023 in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Dit betekent dat dat besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit van 12 december 2024. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing op bezwaar en herroept het besluit van 11 januari 2023.
9.1
Omdat het beroep gegrond is moet college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.
Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. Eiser heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 12 december 2024;
- herroept het besluit van 11 januari 2023;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 3.200,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, rechter, in aanwezigheid van
mr. F. Vermeij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van 20 december 2023 van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2023:4769, rechtsoverweging 10.1)