Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4720

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
K/4101/11752901
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:130 lid 2 BWArt. 236 lid 1 RvArt. 11 MR 2006Art. 12 MR 2006
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vernietiging besluiten VvE en bestuurdersmaatregelen

De zaak betreft een verzoek van een eigenaar van een appartementsrecht binnen een Vereniging van Eigenaren (VvE) om meerdere besluiten van de VvE te vernietigen en bestuursmaatregelen te treffen. Het verzoek omvat onder meer de vernietiging van het besluit om de brandmeldinstallatie (BMI) als gemeenschappelijk deel van de hoofdVvE aan te merken, het herverdelen van kosten, het ontnemen van bestuursbevoegdheden en het corrigeren van waterrekeningen.

De kantonrechter stelt vast dat eerdere onherroepelijke beschikkingen al hebben bepaald dat de BMI tot de gemeenschappelijke zaken van de hoofdVvE behoort en dat de verzoeker niet binnen de wettelijke termijn van één maand na kennisname van het besluit tot vernietiging is overgegaan, waardoor hij niet-ontvankelijk is. Daarnaast is het verzoek tot bestuursmaatregelen niet geschikt voor deze procedure en onvoldoende onderbouwd.

Verder oordeelt de kantonrechter dat de overige verzoeken, waaronder die tot vernietiging van besluiten over waterrekeningen, beloning van de bestuurder en goedkeuring van de jaarrekening, niet in strijd zijn met redelijkheid en billijkheid of niet toewijsbaar zijn omdat zij betrekking hebben op besluiten van een andere VvE die geen partij is in deze procedure.

De kantonrechter wijst het verzoek op alle onderdelen af en veroordeelt de verzoeker tot betaling van de proceskosten, mede vanwege het stelselmatig opnieuw aanvoeren van reeds onherroepelijk beslechtte kwesties.

Uitkomst: Het verzoek tot vernietiging van diverse besluiten van de VvE en bestuursmaatregelen wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, kracht van gewijsde en onvoldoende onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer / rekestnummer: 11752901 \ EJ VERZ 25-195
Beschikking van 29 april 2026
in de zaak van
[verzoeker],
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
procederend in persoon,
tegen
[verweerder],
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. M.J. Vijverberg.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 18 juni 2025, met bewijsstukken;
- de brief van 22 juli 2025 van de rechtbank (namens de kantonrechter) aan [verzoeker] ;
- de aanvulling op het ingediende verzoekschrift, met producties. [verzoeker] heeft daarbij zijn verzoek gewijzigd;
- het verweerschrift, met producties;
- de mondelinge behandeling van 26 januari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. [verzoeker] is verschenen. Voor de VvE zijn verschenen [naam 1] (voorzitter),
[naam 2] en mr. Vijverberg.
1.2.
Partijen hebben ter zitting aan de kantonrechter meegedeeld dat zij wilden proberen om door middel van mediation via de rechtbank een oplossing voor (een deel van) het geschil te vinden. De kantonrechter heeft de zaak verwezen naar mediation. Bij brief van 24 maart 2026 heeft mr. Vijverberg de kantonrechter meegedeeld dat het partijen niet is gelukt om in mediation een oplossing te vinden en verzocht beschikking te wijzen. Per e-mail van
26 maart 2026 heeft [verzoeker] dit bevestigd.
1.3.
Daarna is beschikking bepaald.

2.De feiten

2.1.
Bij “Akte van hoofdsplitsing in appartementsrechten” van 22 mei 2008 is in vier appartementsrechten gesplitst het perceel met zich daarop bevindende opstallen aan het [adres 1] / [adres 2] te [plaats 1] . Het betreft de volgende appartementsrechten:
  • A-1: woningen met bergingen, toe- en uitgangen, trap(penhuis), liftschacht, galerijen en hydrofoorruimte;
  • A-2: bedrijfsruimten met lift(schacht)ruimte en winkelwagenopstelplaats;
  • A-3: parkeerplaatsen met ruimte met toe- en uitgangen en hellingbaan (hierna ook “parkeerkelder” genoemd;
  • A-4: parkeerplaatsen en verkeersgebied.
Bij deze akte is ook een Vereniging van Eigenaren opgericht (hierna: de hoofdVvE).
2.2.
Bij “Akte van ondersplitsing appartementsrecht(woningen)” van 22 mei 2008 is het appartementsrecht A-1 (kort gezegd) gesplitst in 59 woningen met 59 bergingen. Hierbij is ook [verweerder] opgericht.
2.3.
[verzoeker] is eigenaar van een appartementsrecht (woning) in A-1 en van rechtswege lid van [verweerder] .
2.4.
De kantonrechter van deze rechtbank heeft bij beschikkingen van 10 september 2024 in de procedures met zaaknummers 10759536 \ EJ VERZ 23-423 (tussen partijen) en 10877040 \ EJ VERZ 24-8 (tussen [verzoeker] en de onderVvE Parkeerkelder) geoordeeld dat de Brandmeldinstallatie (hierna: BMI) tot de gemeenschappelijke zaken van de hoofdVvE behoort. In laatstgenoemde procedure is daarnaast geoordeeld dat de kosten van de BMI aan de hoofdVvE toegedeeld moeten worden.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
Na wijziging van zijn verzoek verzoekt [verzoeker] , samengevat, de kantonrechter om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • i) te vernietigen het besluit genomen in de Algemene ledenvergadering (hierna: ALV) van 19 mei 2022 om de BMI als onderdeel van de hoofdVvE aan te merken, omdat dit een wijziging van de akte betekent zonder instemming van alle leden;
  • ii) het bestuur van [verweerder] onvoorwaardelijk te verplichten om de gevolgen van de uitspraak van (ii) zo nodig in rechte (op grond van de stemmeerderheid in de hoofdVvE) ook door te voeren in de hoofdVvE om de daar ten onrechte alle betaalde en verrekende kosten inzake de BMI te corrigeren en ten laste te brengen van de onderVvE Parkeerkelder.
  • iii) de bestuurder gelet op malversaties diens bevoegdheden te ontnemen, een deskundige te benoemen en in afwachting van diens rapportage de bestuurder op non-actief te stellen;
  • iv) te vernietigen het besluit de waterrekeningen 2023 en 2024 niet te herzien en het bestuur op te dragen de kleinere en grotere verbruikers juiste berekeningen te sturen zodat slechts een klein deel van de waterafrekeningen herzien hoeft te worden;
  • v) te vernietigen het in de ALV van 21 mei 2025 genomen besluit, vermeld onder 6f van de agenda (productie 8 bij het verzoekschrift) en te bepalen dat van een beloning over 2024 slechts sprake kan zijn nadat dit als agendapunt in een voorstel aan de ALV is voorgelegd;
  • vi) te vernietigen de goedkeuring en dechargeverlening van de jaarrekening 2024 van de hoofdVvE 2024, omdat geen verklaring van getrouwheid daarbij is verstrekt en het bureau Breedveld niet als kascommissie door de ALV is aangesteld;
  • vii) te vernietigen het in de ALV van 21 mei 2025 genomen besluit, vermeld onder 6e van de agenda (productie 8 bij het verzoekschrift), omdat het aangezochte kantoor voor de controle geen accountant is zoals artikel 11 MR Pro 2006 voorschrijft.
3.2.
[verweerder] verzet zich tegen toewijzing van het verzoek.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter merkt in zijn algemeenheid op dat de stukken van [verzoeker] zeer uitvoerig zijn en lastig te doorgronden. De kantonrechter heeft zijn best gedaan, maar als hij betrokkene desondanks verkeerd heeft begrepen, komt dat voor rekening en risico van [verzoeker] . Verder komt [verzoeker] steeds terug op punten waarover al eerder procedures zijn geweest of die betrekking hebben op andere dingen dan besluiten van [verweerder] . Daarvoor is deze procedure niet bedoeld. Voor zover [verzoeker] er bezwaar tegen heeft dat de feitelijke macht binnen de diverse VvE’s steeds ligt bij [naam 3] omdat die in alle VvE’s een absolute meerderheid van de stemmen heeft, is dat op zich onvoldoende reden om besluiten te vernietigen.
4.2.
Hierna zal de kantonrechter de onder 3.1 genoemde onderdelen van het verzoek afzonderlijk bespreken.
(i) vernietiging besluit over de BMI
4.3.
[verweerder] voert als meest verstrekkende verweer tegen dit verzoek aan dat [verzoeker] hierin niet-ontvankelijk is, omdat de termijn van artikel 5:130 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is verstreken. Voorts heeft [verzoeker] zijn verzoek op geen enkele wijze onderbouwd. Bovendien heeft de kantonrechter van deze rechtbank in de twee onherroepelijke beschikkingen van 10 september 2024 al geoordeeld dat de BMI tot de gemeenschappelijke gedeelten in de hoofdsplitsing behoort, aldus de onderVvE.
4.4.
De kantonrechter stelt voorop dat de vernietiging van een besluit zoals door [verzoeker] verzocht, op grond van in artikel 5:130 lid 2 BW Pro moet worden gedaan binnen een maand na de dag waarop de verzoeker van het besluit heeft kennis genomen of heeft kunnen kennis nemen. De datum van het verzoekschrift is 18 juni 2025, zodat [verzoeker] niet-ontvankelijk is in zijn verzoek.
4.5.
Ten overvloede voegt de kantonrechter daar het volgende aan toe. Het verzoek van [verzoeker] komt erop neer dat volhardt in zijn standpunt dat de BMI niet als gemeenschappelijke zaak van de hoofdVvE is. In de beschikking van 10 september 2024 tussen partijen heeft de kantonrechter beslist dat de BMI wél een gemeenschappelijke zaak is van de hoofdVvE. [verzoeker] heeft hiertegen geen hoger beroep ingesteld, zodat deze uitspraak kracht van gewijsde heeft.
4.6.
Artikel 236 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. Dit artikel leent zich voor analogische toepassing op beschikkingen in een verzoekschriftprocedure, zoals hier aan de orde. Dit brengt mee dat tussen partijen in deze procedure bindend vast staat dat de BMI een gemeenschappelijke zaak is van de hoofdVvE.
Dit betekent dat ook als het verzoek tot vernietiging tijdig zou zijn gedaan, dit niet toewijsbaar zou zijn.
(ii) kosten van de BMI ten laste van de onderVvE Parkeerkelder
4.7.
Het verzoek onder (ii) veronderstelt dat het verzoek onder (i) wordt toegewezen. Omdat dit niet het geval is, zal het verzoek onder (ii) worden afgewezen.
(iii) ontnemen bevoegdheden bestuur en deskundigenonderzoek
4.8.
De kantonrechter overweegt dat deze (verzoekschrift)procedure zich niet leent voor dit verzoek. Net zo min als dat de kantonrechter bevoegd zou zijn om te oordelen dat sprake is van oplichting of fraude (en dus ook niet van malversaties). De kantonrechter zal het verzoek afwijzen.
(iv) vernietiging besluit waterrekeningen 2023 en 2024
4.9.
[verweerder] heeft tegen dit verzoek aangevoerd dat geen sprake is van een besluit van de ALV. De kantonrechter is dat niet met haar eens. Er is sprake van een besluit dat is genomen in de ALV van 21 mei 2025. Dit kan worden opgemaakt uit de laatste alinea op bladzijde 1 en de eerste alinea op bladzijde 2 van de notulen van die vergadering: “
De waterafrekening 2023 en 2024 is op een andere wijze tot stand gekomen dan in de jaren ervoor. (…). Voor nu laat het bestuur het zo, want een wijziging van de rekening/facturen brengt ook hoge kosten met zich mee. De vraag aan de aanwezigen is of dat de afrekening over 2025 weer zal plaatsvinden als voor 2023. De vergadering besluit het vastrecht over 2025 weer uit te laten splitsen over de eigenaren. Dus iedere eigenaar betaalt dan 1/70 deel van het vastrecht.
4.10.
Ter zitting heeft [verzoeker] zijn verzoek toegelicht en aangevoerd dat sinds het begin wordt afgerekend op basis van de PWN-nota en dat de bestuurder/beheerder dit niet zomaar kan veranderen. Volgens [verzoeker] worden circa 20 leden hierdoor fors benadeeld, terwijl één lid, [naam 3] , daar voordeel van heeft.
De voorzitter van [verweerder] heeft ter zitting toegelicht dat de reden voor het niet wijzigen van de waterafrekeningen over 2023 en 2024 is dat zo’n wijziging aanzienlijke extra kosten met zich brengt, terwijl het geldelijk belang heel klein is. [verweerder] schiet daar niets mee op.
4.11.
De kantonrechter overweegt dat niet is gebleken dat het besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Weliswaar leidt het tot een andere wijze van verdeling van de kosten van de PWN-nota, maar de gevolgen daarvan zijn marginaal. Gelet op de kosten die zijn gemoeid met het alsnog berekenen van de bijdrageplicht volgens het gangbare systeem, leidt het genomen besluit niet tot een onredelijke afwikkeling van de kosten over de betreffende twee jaren. Een grondslag voor vernietiging van het besluit ontbreekt. Het verzoek zal worden afgewezen.
(v) vernietiging besluit 21 mei 2025 onder 6f en beloning van de bestuurder
4.12.
Het is de kantonrechter lange tijd onduidelijk gebleven waarop dit verzoek van [verzoeker] ziet. Uit de notulen en besluitenlijst van de ALV van 21 mei 2025 blijkt onder punt 6f dat besloten is om de door het bestuur gemaakte (juridische) kosten van de twee eerdere verzoekschriftprocedures over (onder meer) de BMI in deze procedure te verhalen op [verzoeker] . De kantonrechter ziet niet waarom dit besluit in strijd met de redelijkheid en billijkheid is.
4.13.
Waar het betreft de beloning van de bestuurder, heeft [verzoeker] verwezen naar punt 7 van de notulen van de ALV van 21 mei 2025. Dat punt, getiteld “
bestuur”, heeft betrekking op kosten die de bestuurder [naam 1] voor zijn werkzaamheden (al dan niet als bestuurder) voor de VvE in rekening mag brengen. Een besluit bevat dit punt echter niet.
4.14.
Ter zitting heeft [verzoeker] toegelicht dat hij opkomt tegen het mandaat waarnaar de notulen verwijzen. De ALV zou in 2023 een mandaat hebben verstrekt van € 15.000,- voor de bekostiging van het bestuur. Volgens [verzoeker] heeft het mandaat voor bekostiging van het bestuur op geen enkele agenda gestaan en is er daarna ook geen informatie over uitgewisseld met de leden. Er is dus geen besluit over bestuurskosten, aldus [verzoeker] .
4.15.
De kantonrechter is het niet met [verzoeker] eens. Gebleken is dat in de ALV van 13 december 2023 een besluit is genomen over kosten die [naam 1] als externe bestuurder aan [verweerder] in rekening zou mogen brengen. Uit punt 5 van de notulen van die vergadering, onder het kopje “
Werving extern bestuur”, blijkt dat de vergadering heeft ingestemd met het voorstel de bestuurder, [naam 1] , te honoreren overeenkomstig de honorering voor een externe bestuurder.
4.16.
Op de agenda van de vergadering stond onder punt 5 als onderwerp vermeld “
Bestuur mutaties” en als subonderwerp, onder meer, “
Werving extern bestuur”. Onbetwist heeft [verweerder] hierover aangevoerd dat dit punt op de agenda stond omdat [naam 1] door verkoop van zijn appartementsrecht niet langer lid van [verweerder] was. De kantonrechter constateert dat [naam 1] daarmee een externe bestuurder was geworden. In dit licht bezien heeft [verzoeker] niet inzichtelijk gemaakt waarom dit besluit is genomen zonder dat het geagendeerd was of overigens in strijd met de regels. Dat het betreffende besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, heeft [verzoeker] verder onvoldoende onderbouwd.
Daar komt nog bij dat [verzoeker] de vernietigbaarheid van het besluit te laat heeft ingeroepen. Dat moest binnen één maand na kennisneming van het besluit. Dit heeft [verzoeker] niet gedaan. Het verzoek wordt afgewezen.
(vi) vernietiging besluit goedkeuring jaarrekening hoofdVvE 2024
4.17.
De kantonrechter volgt [verweerder] in haar verweer dat dit verzoek betrekking heeft op een besluit dat is genomen door de hoofdVvE. Die is geen partij in deze procedure. Het verzoek zal worden afgewezen.
(vii) vernietiging van het besluit van 21 mei 2025 onder 6e
4.18.
[verweerder] voert aan dat slechts is besloten om een externe partij aan te wijzen voor de kascontrole en dat die partij nog niet is gekozen. De kantonrechter volgt [verweerder] hierin. Overigens kan de kantonrechter uit het door [verzoeker] overgelegde artikel 11 (of 12) van het Modelreglement 2006 niet opmaken dat dat de externe controleur een accountant moet zijn. Het verzoek zal worden afgewezen.
conclusie
4.19.
Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter het verzoek van [verzoeker] op alle onderdelen afwijzen.
proceskosten
4.20.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoeker] , omdat hij ongelijk krijgt.
[verweerder] heeft verzocht om een verhoogde proceskostenveroordeling uit te spreken, omdat [verzoeker] misbruik maakt van procesrecht door stelselmatig en op onredelijke wijze dezelfde punten waarop al onherroepelijk is beslist, opnieuw aan de kantonrechter voor te leggen.
4.21.
De kantonrechter is van oordeel dat het opnieuw aan de orde stellen van de kosten van de BMI een verhoging rechtvaardigt van het aantal punten conform het liquidatietarief, omdat [verweerder] hier in deze procedure opnieuw verweer heeft moeten voeren en extra kosten heeft moeten maken. Hiervoor zal een extra punt worden toegekend.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
wijst het verzoek af,
5.2.
veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [verweerder] worden vastgesteld op een bedrag van € 864,00 (3 x € 288,00) aan salaris van de gemachtigde van [verweerder] ,
5.3.
verklaart deze beschikking voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Gisolf en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.
CHL/JG