Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4650

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
C/15/376297 / JU RK 26-516
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige verblijft momenteel bij haar grootouders en de moeder oefent het ouderlijk gezag uit. De GI stelt dat ondanks enkele stappen de doelen van de ondertoezichtstelling nog niet zijn bereikt en dat er nog onduidelijkheid bestaat over de oorzaak van de gedragsproblematiek van de minderjarige.

Tijdens de zitting, waarbij de moeder met haar advocaat en de GI aanwezig waren, maar de vader niet, is besproken dat de moeder vooruitgang heeft geboekt en therapie volgt. De GI pleit voor een verlenging van de ondertoezichtstelling met één jaar en een machtiging tot uithuisplaatsing met zes maanden, om continuïteit in hulpverlening te waarborgen en druk te zetten op het terug-naar-huis-onderzoek.

De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkeling van de minderjarige nog steeds ernstig wordt bedreigd en dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende is. Daarom wordt de ondertoezichtstelling verlengd voor één jaar. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd voor zes maanden, omdat het belang van rust en regelmaat bij de grootouders en het opstarten van hulpverlening voorop staan. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het resterende verzoek wordt aangehouden tot een nader te bepalen zitting.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt verlengd met één jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing met zes maanden, met aanhouding van het resterende verzoek.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/376297 / JU RK 26-516
Datum uitspraak: 9 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclasseringte Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. E. Stam uit Heerhugowaard.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 30 maart 2026, mee in de beoordeling.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan de oma moederszijde (mz) en aan de broer (mz) om tijdens de zitting aanwezig te zijn.
1.4.
De vader is, zonder afmeldbericht, niet verschenen.
1.5.
De zaak over [de minderjarige] is tijdens de zitting gelijktijdig behandeld met de zaak over haar halfzus
[halfzus], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] . [1]

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft bij de grootouders (mz).
2.3.
Bij beschikking van de kinderrechter van 10 april 2025 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 10 april 2026. Ook is bij deze beschikking een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin, welke machtiging daarna is verlengd en nu nog duurt tot 10 april 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van één jaar. Zij verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI onderbouwt het verzoek als volgt. In het afgelopen jaar zijn er stappen gezet, maar de doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald. De (begeleide) omgangsmomenten tussen [de minderjarige] en de moeder verlopen goed. De moeder is actief bezig met het benoemen van haar grenzen, houdt zich aan de afspraken, toont inzet en is gestart met therapie. Ook de omgang tussen [de minderjarige] en de vader verloopt voorspelbaar, waarbij de vader zich aan de afspraken houdt. Er is nog onduidelijkheid over de oorzaak van [de minderjarige] gedragsproblematiek. Er moet zicht komen op haar hechtingsproblematiek. De GI onderzoekt welke vorm van hulpverlening [de minderjarige] het best kan helpen. Er is een aanmelding gedaan bij [hulpverleningsorganisatie] voor een terug-naar-huis-onderzoek. Ook staan de netwerkpleegouders op de wachtlijst voor intensieve pleegzorg. Het is dan ook nog niet duidelijk waar [de minderjarige] opgroeiperspectief ligt. Daarom moet de machtiging tot uithuisplaatsing worden verlengd.
3.3.
De vertegenwoordiger van de GI heeft hier tijdens de zitting aan toegevoegd dat zij sinds twee maanden betrokken is als vaste jeugdbeschermer en dat de moeder niet altijd goed is geïnformeerd over de gezette stappen door de GI. De moeder heeft in de afgelopen periode hard aan zichzelf gewerkt. De GI is het eens met een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden, waarbij het verzoek voor het overige wordt aangehouden. Een verlenging van zes maanden kan helpen om meer druk te zetten op de inzet van hulpverlening (zoals traumabehandeling voor [de minderjarige] ) en op het starten van het terug-naar-huis-onderzoek. Het is volgens de GI belangrijk dat de ondertoezichtstelling wel met één jaar wordt verlengd, om problemen met verlengingen van hulpverlening te voorkomen. De GI wil dat de op dit moment betrokken hulpverlening voor nu blijft, waarna (via nieuwe multidisciplinaire overleggen) kan worden bekeken welke hulpverlening niet meer of minder nodig is.

4.Het standpunt van de moeder

4.1.
De moeder en haar advocaat hebben tijdens de zitting verzocht het verzoek toe te wijzen voor de duur van zes maanden en voor het overige aan te houden. Het gaat veel beter met de moeder. Zij heeft hard aan zichzelf gewerkt met behulp van hulpverlening. Het is kwalijk dat er in de afgelopen periode vaak is gewisseld van jeugdbeschermers en dat er door de GI niet goed is gecommuniceerd met de moeder. De omgang tussen [de minderjarige] en de moeder gaat goed. De moeder heeft nu minder zorgen over [de minderjarige] , omdat het goed gaat bij de grootouders (mz). De moeder wil al lange tijd dat er hulpverlening wordt ingezet voor [de minderjarige] en zij staat achter het terug-naar-huis-onderzoek.

5.De mening van de oma (mz) en de broer (mz)

5.1.
De oma (mz) en de broer (mz) hebben tijdens de zitting aangegeven dat vooral een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van één jaar te lang is, omdat [de minderjarige] al lange tijd in onzekerheid leeft terwijl zij perspectief nodig heeft. Zij weet niet wanneer zij de moeder mag zien. In het vrijwillig en in het gedwongen kader is er onnodig veel vertraging opgelopen, wat er bijvoorbeeld toe leidde dat [de minderjarige] uiteindelijk net te oud was voor [hulpverleningsorganisatie] . [de minderjarige] heeft al jarenlang last van kind-eigen problematiek die losstaat van de moeder. Daar moet onderzoek naar gedaan worden, zoals traumaonderzoek door [hulpverleningsorganisatie] . Nu er al lange tijd bijna geen hulpverleningsstappen worden gezet, willen de oma (mz) en de broer (mz) dat daar druk op wordt gezet.

6.De beoordeling

Verlenging ondertoezichtstelling
6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [2] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.2.
De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [de minderjarige] heeft veel moeite met haar emotieregulatie en met slapen, waarvoor nog (bijna) geen hulpverlening is ingezet. Het is daarom belangrijk dat [hulpverleningsorganisatie] snel start met traumaonderzoek-/therapie. Daarbij moet duidelijk worden of [de minderjarige] meer hulpverlening nodig heeft. Bij de moeder is sprake van een cognitieve beperking en persoonlijke problematiek. Zij krijgt hulp van [hulpverleningsorganisatie] en het is erg positief dat zij zich in de afgelopen periode heeft ingezet om veel hulpverleningstrajecten af te ronden. De omgang tussen [de minderjarige] en de moeder wordt deels begeleid, onder andere omdat de moeder soms overbelast is (geweest) maar ook om opvoedingsondersteuning te kunnen bieden. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de moeder niet moet worden belast met het voeren van regie op hulpverlening. De GI moet er de komende periode voor zorgen dat de ingezette hulpverlening wordt voortgezet, dat de juiste hulpverlening wordt opgestart en zij moet onderzoeken of/welke aanvullende hulpverlening nodig is om de situatie te verbeteren.
6.3.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De GI heeft tijdens de zitting toegelicht dat het voor het goed laten verlopen van de hulpverlening belangrijk is dat de ondertoezichtstelling met één jaar wordt verlengd, en niet met de door de moeder verzochte duur van zes maanden. Volgens de GI is het makkelijker om hulpverlening stop te zetten dan opnieuw aan te vragen. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] dan ook voor de duur van één jaar.
Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
6.4.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van haar verzorging en opvoeding. [3]
6.5.
[de minderjarige] verblijft op dit moment bij de grootouders (mz), waar rust en regelmaat is. [de minderjarige] heeft vaak omgang (onbegeleid en soms begeleid) met de moeder, wat goed verloopt. Zoals onder 6.2. aangegeven, zal er voor [de minderjarige] hulpverlening worden ingezet en werkt de moeder aan haar persoonlijke problematiek. Ook heeft de GI tijdens de zitting aangegeven dat [hulpverleningsorganisatie] een terug-naar-huis-onderzoek gaat starten voor [de minderjarige] . Het is daarom van belang dat [de minderjarige] nu niet van verblijfplek wisselt. De kinderrechter is het met de moeder, de oma (mz), de broer (mz) en de GI eens dat het voor de jonge [de minderjarige] wel erg belangrijk is dat er snel duidelijkheid komt over haar opgroeiperspectief en dat zowel de hulpverlening voor [de minderjarige] , als het terug-naar-huis-onderzoek snel worden opgestart. De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] daarom voor de duur van zes maanden en houdt de beslissing op het verzoek voor het overige aan.
6.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van
[de minderjarige]tot 10 april 2027;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige]in een pleeggezin, te weten bij de grootouders (mz), tot 10 oktober 2026;
7.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.4.
houdt de beslissing op het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting begin oktober 2026;
7.5.
bepaalt dat de griffier de GI en de moeder en grootouders (mz) oproept voor die zitting en dat de griffier de vader oproept voor die zitting als informant;
7.6.
bepaalt dat de GI de kinderrechter uiterlijk twee weken voor die zitting schriftelijk moet informeren over de actuele stand van zaken en of het resterende verzoek wordt gehandhaafd.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026 door mr. A.S. van Leeuwen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. F.G. van der Erve als griffier, en op schrift gesteld op 21 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Bij de rechtbank bekend onder zaaknummer: C/15/376290 / JU RK 26-514.
2.Artikel 1:260 BW Pro.
3.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.