Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4635

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
C/15/376395
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging uithuisplaatsing wegens verslavingsproblematiek vader

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers om de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen te verlengen. De kinderen verblijven momenteel bij hun tante vanwege de ernstige verslavingsproblematiek van hun ouders. De moeder kampt met een hevige verslaving en heeft geen contact met de kinderen. De vader heeft eveneens een combinatie van alcohol- en drugsproblemen, wat leidt tot onvoorspelbare agressie en onveilige omstandigheden.

De vader erkent zijn problematiek en heeft hulp gezocht, met een startdatum voor behandeling gepland. De minderjarigen geven aan dat zij zich veiliger voelen bij hun tante, hoewel zij hun vader missen. De kinderrechter heeft de spoedmachtiging van 2 april 2026 gehandhaafd en de verlenging van de uithuisplaatsing voor drie maanden toegewezen, zodat de kinderen rust en stabiliteit krijgen en de vader kan werken aan herstel.

De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct geldt, ook bij hoger beroep. De kinderrechter acht de verlenging noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen, gezien de huidige onhoudbare situatie thuis.

Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen wordt verlengd tot 30 juli 2026 vanwege de onveilige thuissituatie door de verslavingsproblematiek van de vader.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/376395 / JU RK 26-530
Datum uitspraak: 15 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
De gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermerste Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A.E. Muller, kantoorhoudende te Haarlem.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift van de GI met bijlagen, ontvangen op 1 april 2026;
  • de beschikking van 2 april 2026.
1.2.
Op 15 april 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
1.3.
De moeder is, ondanks behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] .
2.2.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] wonen bij tante vaderszijde (vz).
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 februari 2026
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 26 februari 2027.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 april 2026 een spoedmachtiging verleend [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een (netwerk)pleeggezin tot 30 april 2026. Het resterende verzoek is aangehouden tot deze zitting, waarbij de belanghebbenden ook in de gelegenheid zijn gesteld te worden gehoord over de genomen spoedbeslissing.

3.Het verzoek

3.1.
De GI heeft verzocht een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een (netwerk)pleeggezin te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dit verzoek is, zoals hiervoor weergegeven, met spoed, dus zonder het horen van de belanghebbenden, toegewezen.
3.2.
De GI verzoekt aansluitend de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een (netwerk)pleeggezin te verlengen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.3.
De GI heeft het schriftelijk als volgt onderbouwd. De opgroeiomstandigheden van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn al langere tijd structureel onveilig. Er is momenteel geen contact tussen de kinderen en de moeder, omdat de moeder kampt met hevige verslavingsproblematiek. De moeder verbleef tot voor kort in een verslavingskliniek, inmiddels kennelijk niet meer. Zij is echter nog niet in staat om de zorg voor de kinderen te dragen. De vader zorgt nu voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , maar ook bij hem is sprake van alcohol- en drugsproblematiek. De vader is om de paar dagen zo onder invloed van een combinatie van cocaïne en alcohol, dat hij daardoor dagen niet slaapt en dan fysiek en psychisch niet in staat om voor de kinderen te zorgen. Onder invloed is de vader ook in staat tot onvoorspelbare (fysieke) agressie. Zo heeft de vader [de minderjarige 1] fysiek mishandeld door haar een trap te geven. [de minderjarige 1] voelt zich niet langer veilig thuis en ook [de minderjarige 2] lijdt onder de emotionele verwaarlozing en de onvoorspelbare, gespannen sfeer. Bij [de minderjarige 1] is sprake van parentificatie; ze draagt al twee jaar lang de volledige zorg voor [de minderjarige 2] en zichzelf en moet fungeren als de volwassene in huis. Tot slot zijn er grote zorgen over de financiën, nu de vader zijn volledige salaris binnen een kort tijdbestek besteedt aan verdovende middelen, waardoor de basale zorg voor de kinderen (voeding en vaste lasten) in gevaar komt.
3.4.
De GI heeft hier ter zitting aan toegevoegd dat de kinderen nu rustig zitten bij tante (vz). De vader is welwillend, maar heeft intensieve hulp nodig om van zijn verslaving af te komen. Tot die tijd is het niet verantwoord dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de vader verblijven. De GI heeft recent telefonisch contact gehad met de moeder en is voornemens (begeleide) omgang met de kinderen te onderzoeken, waarbij het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uiteraard voorop staat.

4.De standpunten

De vader
4.1.
Door en namens de vader is ter zitting het volgende naar voren gebracht.
De vader erkent dat hij de controle over zijn leven kwijt is geraakt. Hij heeft hulp gezocht bij de huisarts en is aangemeld bij [hulpverleningsorganisatie] , waar hij 29 april 2026 kan starten. Daarnaast is hij bij de [naam] Psychologen aangemeld, waar hij wil werken aan zijn trauma’s. Dit traject start mogelijk over een maand. Verder heeft de vader ook in zijn netwerk hulp gezocht en afspraken gemaakt over waar hij terecht kan als hij de drang voelt tot alcohol- of drugsgebruik. De vader is eerlijk over zijn problematiek en hij heeft de intentie om te veranderen. Hij begrijpt dat hij het vertrouwen van zijn kinderen, met name van [de minderjarige 1] , weer zal moeten terugwinnen. Hij mist de kinderen, maar begrijpt dat het voor nu beter is als ze bij tante (vz) verblijven. De vader verzet zich dan ook niet tegen het verzoek tot uithuisplaatsing, waarbij hij wel de kanttekening maakt dat hij graag ziet dat uiteindelijk toegewerkt wordt naar terugplaatsing.

5.De mening van de minderjarigen

[de minderjarige 1]
5.1.
staat achter de uithuisplaatsing bij haar tante (vz). Ze wil graag rust en deze rust vindt ze momenteel bij haar tante. Ze zou graag willen dat haar vader stopt met drinken en haar gevoelens serieus neemt.
[de minderjarige 2]
5.2.
mist zijn vader, maar hij vond het niet fijn als zijn vader ging drinken of als er ruzie was. [de minderjarige 2] wil het liefste terug naar huis, daar wonen ook zijn vrienden in de buurt. [de minderjarige 2] is soms bang om ’s nachts alleen te slapen, maar dit gaat bij tante (vz) wel steeds beter.

6.De beoordeling

Spoedbeslissing 2 april 2026
6.1.
In wat ter zitting naar voren is gekomen heeft de kinderrechter geen aanleiding gezien om het in de (spoed)beschikking van 2 april 2026 geformuleerde oordeel over uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te wijzigen. De zorgen die bestonden ten tijde van het verlenen van voornoemde beschikking zijn nog steeds aanwezig. De beschikking van 2 april 2026 zal daarom worden gehandhaafd.
Resterende verzoek
6.2.
Resterend ligt voor het verzoek tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een (netwerk)pleeggezin voor de duur van drie maanden, te weten tot 30 juli 2026. Op basis van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
6.3.
De opvoedsituatie bij de vader thuis is momenteel niet verantwoordt noch houdbaar, nu de verslavingsproblematiek van de vader [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] ernstig in gevaar brengt. Door zijn alcohol- en drugsproblemen is de vader de controle over zijn leven kwijt, waardoor hij de verantwoordelijkheid voor de zorg en opvoeding van de kinderen niet op zich kan nemen. De vader heeft goede intenties en ziet in dat hij hulpverlening nodig heeft, mar ook voor hem is duidelijk dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op dit moment beter af zijn bij zijn zus. Omdat de vader een gevaar kan vormen voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid van de kinderen en er thuis geen nuchtere opvoeder aanwezig is, is de uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin - te weten bij tante Marjon - noodzakelijk. De kinderen krijgen hier de rust en stabiliteit die zij nodig hebben, zodat na jarenlange overbelasting voorzichtig gestart kan worden met herstel. Hierbij acht de kinderrechter het wenselijk dat voor [de minderjarige 1] een plek is waar ze haar verhaal kwijt kan en ze terecht kan voor hulp.
6.4.
De machtiging tot uithuisplaatsing wordt toegewezen voor de duur van drie maanden. Dit biedt de kinderen tijd om verder tot rust te komen en geeft de betrokkenen tijd om te onderzoeken of de vader, na (begin van de) behandeling bij [hulpverleningsorganisatie] , weer een veilige opvoedomgeving kan bieden.
6.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige 1]en
[de minderjarige 2]
in een (netwerk)pleeggezin tot 30 juli 2026;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.K. Mireku, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026, in aanwezigheid van mr. M.L. van Erp als griffier, op schrift gesteld op 21 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.