AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verrekening voortwentelingsbedrag met vennootschapsbelasting 2021 afgewezen
Belanghebbende B.V. heeft in 2020 Belgische bronbelasting betaald over buitenlandse opbrengsten en een voortwentelingsbedrag van €36.936 vastgesteld gekregen. Voor het jaar 2021 heeft zij vennootschapsbelastingaanslag ontvangen over een belastbaar bedrag van €126.505, waarbij verrekening van het voortwentelingsbedrag werd geweigerd omdat zij in 2021 geen buitenlandse opbrengsten had.
Belanghebbende stelde dat het voortwentelingsbedrag volledig verrekend moest worden met de verschuldigde vennootschapsbelasting 2021 en voerde aan dat het niet toestaan van verrekening in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Verweerder handhaafde de aanslag en betoogde dat verrekening alleen mogelijk is indien er buitenlandse opbrengsten zijn in het betreffende jaar.
De rechtbank oordeelde dat artikel 36 vanPro het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 verrekening beperkt tot het laagste bedrag van drie limieten, waaronder het vereiste dat er buitenlandse inkomsten in het jaar zelf moeten zijn. Omdat belanghebbende in 2021 geen buitenlandse opbrengsten had, is verrekening niet mogelijk. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur faalde wegens onvoldoende onderbouwing. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2021 wordt ongegrond verklaard en verrekening van het voortwentelingsbedrag geweigerd.
Uitspraak
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/5314
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 april 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [belanghebbende] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. W.M.J. Goudriaan),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoofddorp, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 126.505 (de aanslag 2021). Tevens is een bedrag van € 387 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 oktober 2025 de aanslag 2021 gehandhaafd.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2026 te Haarlem. Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en toehoorders [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] .
Overwegingen
Feiten
1. Belanghebbende heeft in het jaar 2020 opbrengsten genoten van in totaal € 227.300 voor in België uitgevoerde optredens door een artiest die bij haar in loondienst is. Op deze opbrengsten is 18 procent Belgische bronbelasting ingehouden ten bedrage van € 40.914.
2. Bij het vaststellen van de aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2020 is aan belanghebbende voorkoming van dubbele belasting verleend ten aanzien van de ingehouden Belgische bronbelasting. Het bedrag van de aanslag bedraagt € 0, waarbij de bruto belasting is vastgesteld op € 3.978 en de aftrek elders belast op € 3.978.
3. De niet verrekende en naar latere jaren (2021 en verder) voort te wentelen bronbelasting (het voortwentelingsbedrag) is per beschikking gedagtekend 23 december 2024 (de voortwentelingsbeschikking) vastgesteld op (€ 40.914 -/- € 3.978 =) € 36.936.
4. Belanghebbende heeft in het jaar 2021 geen opbrengsten uit het buitenland genoten.
5. Belanghebbende heeft in haar aangifte vennootschapsbelasting over het jaar 2021 onder ‘overige bruto bedragen’ een bedrag van € 105.422 aangegeven, met landcode België, waarop volgens de aangifte € 18.975 aan buitenlandse bronbelasting is ingehouden. In de aangifte is om voorkoming van dubbele belasting gevraagd volgens de verrekenmethode ten bedrage van € 18.975.
6. Bij de aanslag 2021 heeft verweerder de belastbare winst en het belastbaar bedrag conform de aangifte van belanghebbende vastgesteld op € 126.505. De verschuldigde vennootschapsbelasting bedraagt € 18.975. De verrekening van de buitenlandse bronbelasting ten bedrage van € 18.975 is door verweerder niet toegestaan. De belastingrente is vastgesteld op € 387.
7. Belanghebbende heeft bezwaar aangetekend tegen de aanslag 2021 en de beschikking belastingrente.
8. Bij uitspraak op bezwaar gedagtekend 15 oktober 2025 zijn de aanslag 2021 en de beschikking belastingrente, voor zover deze laatste niet ziet op de hoogte van het percentage belastingrente, gehandhaafd.
Geschil
9. In geschil is of de aanslag 2021 correct is vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of het voortwentelingsbedrag zoals is vastgesteld in de voortwentelingsbeschikking kan worden verrekend met de door belanghebbende verschuldigde vennootschapsbelasting over het jaar 2021.
10. Belanghebbende neemt het standpunt in dat de aanslag 2021 moet worden verminderd naar nihil omdat zij het voortwentelingsbedrag kan verrekenen met de verschuldigde vennootschapsbelasting. Het voortwentelingsbedrag dat wordt genoemd in de voortwentelingsbeschikking volstaat voor verrekening en er mogen geen aanvullende eisen worden gesteld voor verrekening in 2021. Het niet toestaan van de verrekening leidt tot ongeoorloofde discriminatie (strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel). De wijze waarop artikel 36 BesluitPro voorkoming dubbele belasting 2001 (Bvdb 2001) door verweerder is toegepast is volgens belanghebbende willekeurig en onjuist en leidt tot een onredelijke uitkomst (strijdigheid met het evenredigheidsbeginsel). Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, vermindering van de aanslag 2021, vaststelling van het voorwentelingsbedrag (na verrekening in 2021) op € 17.961 (€ 36.936 -/- € 18.975) en veroordeling van verweerder tot vergoeding van alle kosten, schade en interest voor het maken van bezwaar en het voeren van de beroepsprocedure.
11. Verweerder neemt het standpunt in dat de aanslag 2021 correct is vastgesteld want het voorwentelingsbedrag kan niet worden verrekend met de verschuldigde vennootschapsbelasting. Belanghebbende heeft namelijk geen buitenlandse opbrengsten gerealiseerd in 2021. Verweerder betwist dat sprake is van strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel, verbod van willekeur en het evenredigheidsbeginsel. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
Verrekening van het voortwentelingsbedrag
12. Belanghebbende neemt primair het standpunt in dat zij het voortwentelingsbedrag zoals is vastgesteld in de voortwentelingsbeschikking kan verrekenen met de door haar verschuldigde vennootschapsbelasting over het jaar 2021. Dat zij geen buitenlandse opbrengsten heeft gerealiseerd in 2021 is volgens belanghebbende irrelevant. Dit betoog van belanghebbende slaagt niet.
13. Niet in geschil is dat aan belanghebbende in 2020 voorkoming van dubbele belasting is verleend voor de Belgische bronbelasting overeenkomstig artikel 36 BvdbPro 2001. Vast staat dat belanghebbende dientengevolge beschikt over het voortwentelingsbedrag zoals is vastgesteld in de voortwentelingsbeschikking op grond van artikel 37 BvdbPro 2001.
14. Artikel 37 BvdbPro 2001 regelt dat de buitenlandse belasting van een jaar die niet heeft geleid tot een vermindering van vennootschapsbelasting in dat jaar (in het geval van belanghebbende in het jaar 2020: € 36.936) doorschuift naar het volgende jaar (2021) en bepaalt dat die belasting in dat volgende jaar wordt aangemerkt als vanwege andere Mogendheden geheven belasting, zonder tevens de grondslag waarover die belasting in het eerdere jaar is geheven mee te schuiven naar dat volgende jaar (Nota van toelichting bij Besluit van 21 december 1989, Stb. 1989, 594, p. 19-20, Kamerstukken II 1987/88, 20 365, nr. 4, p. 3, Kamerstukken II 1987/88, 20 365, nr. 6, p. 5).
15. Anders dan belanghebbende betoogt, volstaat het voortwentelingsbedrag zoals is vastgesteld in de voortwentelingsbeschikking op zichzelf niet om te kunnen verrekenen met de verschuldigde vennootschapsbelasting over het jaar 2021. Verrekening is mogelijk indien en voor zover artikel 36 BvdbPro 2001 daarvoor ruimte biedt. De verrekening wordt in artikel 36 BvdbPro 2001 begrensd door het laagste bedrag van drie te berekenen limieten. Volgens artikel 36, tweede lid, letter b, Bvdb 2001 moet in ieder geval buitenlands inkomen in 2021 in de Nederlandse winst zijn begrepen om het voortwentelingsbedrag mee te kunnen verrekenen (de tweede limiet genoemd). Doel van de begrenzing van de tweede limiet is te voorkomen dat meer verrekening wordt gegeven dan Nederland over de buitenlandse opbrengsten heft (Nota van toelichting bij Besluit van 21 december 2000, Stb. 2000, 642, p. 41 en 42). Nu vaststaat dat belanghebbende geen buitenlandse opbrengsten heeft gerealiseerd in 2021 en geen voortwenteling van Belgische inkomensbestanddelen uit 2020 naar 2021 mogelijk is, bedraagt de tweede limit € 0. De verrekening is in het geval van belanghebbende dan ook begrensd op € 0. Gelet op het voorgaande, heeft verweerder terecht geen verrekening toegestaan. De aanslag 2021 is correct vastgesteld. Het beroep is in zoverre ongegrond.
Gelijkheidsbeginsel
16. Belanghebbende neemt subsidiair het standpunt in dat sprake is van ongeoorloofde discriminatie, ten opzichte van belastingplichtigen die de buitenlandse bronbelasting wel direct in het jaar zelf volledig kunnen verrekenen. Ter zitting stelt belanghebbende dat er artiesten zijn die ook in 2020 hebben opgetreden en in België belasting hebben betaald en direct de buitenlandse belasting konden verrekenen. Ook maakt belanghebbende ter zitting een vergelijking met natuurlijke personen die in de inkomstenbelasting de onverrekende buitenlandse dividendbelasting van enig jaar kunnen verrekenen met de gehele box 3 belasting van het volgende jaar. Dit impliceert volgens belanghebbende dat zij dan ook het voortwentelingsbedrag kan verrekenen met de door haar verschuldigde vennootschapsbelasting.
17. Voor zover belanghebbende hiermee een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel, is voor een geslaagd beroep hierop vereist dat sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. De bewijslast daarvoor ligt bij belanghebbende. De blote stelling van belanghebbende dat er belastingplichtigen zijn die de buitenlandse bronbelasting wel direct in het jaar zelf volledig kunnen verrekenen is daartoe onvoldoende. Belanghebbende heeft verder niet onderbouwd met concrete gegevens waarom de door haar gemaakte vergelijkingen met natuurlijke personen (zoals artiesten) vergelijkbare gevallen zijn. Belanghebbende verkeert als vennootschap rechtens en feitelijk niet in vergelijkbare omstandigheden als natuurlijke personen. Belanghebbende is immers onderworpen aan de vennootschapsbelasting en niet, zoals natuurlijke personen, aan de inkomstenbelasting. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan dan ook niet slagen.
Verbod van willekeur, evenredigheidsbeginsel
18. Belanghebbende neemt ook het standpunt in dat de door verweerder toegepaste berekeningsmethodiek van artikel 36 BvdbPro 2001 willekeurig en onjuist is en leidt tot een voor belanghebbende onredelijke uitkomst, aangezien zij dan nauwelijks in aanmerking komt voor verdere voorkoming van dubbele belasting. Voor een redelijke uitkomst moeten haar onverrekende Belgische inkomensbestanddelen van 2020 (naar rato) worden meegenomen in de grondslag voor het berekenen van de voorkoming in 2021. Zij verwijst naar een door haar overgelegd en opgesteld cijfermatig overzicht. De rechtbank vat dit op als een beroep op het verbod van willekeur dan wel het evenredigheidsbeginsel.
19. Belanghebbende heeft haar standpunt dat verweerder de berekeningsmethodiek van artikel 36 BvdbPro 2001 in het jaar 2021 willekeurig heeft toegepast niet nader onderbouwd. Ook is onvoldoende onderbouwd waarom de voor haar nadelige gevolgen van de begrenzing van het te verrekenen voortwentelingsbedrag onevenredig zouden zijn in verhouding tot de met artikel 36 BvdbPro 2001 te dienen doelen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die tot de conclusie leiden dat het verbod van willekeur dan wel het evenredigheidsbeginsel is geschonden.
Beschikking belastingrente
20. Belanghebbende heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken. Aangezien over de hoogte van het percentage van de belastingrente is beslist in een procedure massaal bezwaar, onthoudt de rechtbank zich van een dictum op dit punt.
21. Gelet op al wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Schadevergoeding
22. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van schade en interest. Aangezien het beroep ongegrond is, heeft belanghebbende geen recht op vergoeding van schade en interest op de voet van artikel 8:88 vanPro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank wijst het verzoek van belanghebbende om vergoeding van schade en interest af.
Proceskosten
23. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.B. Woe, voorzitter, mr. M.E. Kiers en
mr. J.C. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. F.C. Claushuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).