6.3Oordeel van de rechtbank
De ernst van het feit
De verdachte heeft op 31 augustus 2024 zijn moeder [slachtoffer] met geweld om het leven gebracht en daarna haar lichaam achtergelaten in de sloot achter haar woning. De verdachte heeft [slachtoffer] het leven ontnomen. Haar nabestaanden worden gekweld door gedachten aan de angst en pijn die het slachtoffer in haar laatste momenten moet hebben gevoeld, toen zij door haar zoon werd aangevallen. Het handelen van de verdachte heeft de nabestaanden ernstig geschokt en hun leven blijvend en ingrijpend veranderd. Aan hen is door dit familiedrama een onherstelbaar verlies, een groot verdriet en veel leed toegebracht, wat zij de rest van hun leven met zich zullen dragen. Dat blijkt ook uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaringen van de zoon ([betrokkene 1]), de dochter ([betrokkene 2]) en de kleindochter ([getuige 1]) van het slachtoffer. Ook de verdachte zelf zal moeten leven met het gruwelijke besef dat hij zijn eigen moeder, van wie hij hield en die hem steunde, heeft gedood. Een strafbaar feit als dit wordt ook als zeer schokkend ervaren door de samenleving.
Doodslag is een levensdelict en daarmee een zeer ernstig misdrijf. Hiervoor worden doorgaans lange gevangenisstraffen opgelegd. Omdat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is, kan er volgens de wet geen straf worden opgelegd. De gedachte hierachter is dat als iemand iets in het geheel niet is toe te rekenen vanwege een psychische stoornis, het opleggen van een straf niet te rechtvaardigen is. De rechtbank kan in dat geval wel een maatregel opleggen, en zal dat ook doen, zoals hierna zal worden toegelicht.
De persoon van de verdachte
Uit het strafblad van de verdachte van 11 november 2024 blijkt dat hij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het hiervoor genoemde PBC-rapport van 19 januari 2026. Dit rapport houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“Gezien de ernst van het psychiatrisch beeld en de therapieresistentie wordt het recidivegevaar voor een soortgelijk feit als het ten laste gelegde klinisch gezien hoog gedacht, vooral naasten lijken gevaar te lopen. Het recidivegevaar is rechtstreeks gekoppeld aan het maniform psychotisch beeld. Er is sprake van een ernstige stoornis, waarbij betrokkene ondanks hoge doseringen medicatie ook thans nog floride psychotisch en licht ontremd is. Er zijn geen beschermende factoren aanwezig; de familie heeft afstand genomen van betrokkene, betrokkene heeft geen netwerk.Hoewel betrokkene thans positief staat tegenover medicatie, is de vraag of hij dat blijft als hij dit niet dagelijks binnen een strakke behandelstructuur krijgt aangereikt.
Vanwege de chronische en hardnekkige aard van de beschreven psychopathologie en het gebrek aan responsiviteit wordt een langer durend behandeltraject noodzakelijk geacht.
Gezien het afwezige ziekte-inzicht bij betrokkene, de onduidelijkheid of betrokkene - gezien het ontbreken van ziekte-inzicht - op termijn vrijwillige medicatie volgens voorschrift zal blijven innemen, de tot dusver beperkte responsiviteit op behandeling in het afgelopen jaar, in combinatie met het hoge recidiverisico adviseren onderzoekers betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.
Een behandeling in een voorwaardelijk kader of in het kader van een zorgmachtiging wordt door onderzoekers niet toereikend geacht, dit vanwege het gebrek aan probleembesef en ziekte-inzicht (samenhangend met de psychotische problematiek) en in combinatie met de verwachte lange behandelduur en de noodzakelijke hoge mate van beveiliging tijdens de behandeling.”
De op te leggen maatregel
Met betrekking tot de geadviseerde tbs-maatregel overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke eisen als genoemd in de artikelen 37a en 37b, eerste lid, Sr is voldaan. Bij de verdachte was ten tijde van het begaan van het plegen van het feit sprake van een ziekelijke stoornis, namelijk een schizoaffectieve stoornis van het bipolaire type, en de verdachte wordt veroordeeld voor een feit waarvoor de tbs-maatregel kan worden opgelegd. Gelet op de aard en ernst van het feit en het hoge recidiverisico eist de veiligheid van anderen dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en onder dwang wordt verpleegd. De rechtbank zal dan ook de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege opleggen.
De tbs-maatregel wordt opgelegd wegens doodslag, een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, zodat de duur van de tbs-maatregel niet op voorhand is gemaximeerd.
De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie, geen aanleiding om naast de tbs-maatregel met dwangverpleging een
locatieverbodin de vorm van een 38v-maatregel op te leggen. Daartoe overweegt de rechtbank dat een 38v-maatregel voor ten hoogste vijf jaar kan worden opgelegd, terwijl wordt verwacht dat de verdachte gedurende langere tijd binnen een streng beveiligingsniveau zal moeten worden behandeld. De rechtbank verwacht niet dat de verdachte in de komende jaren in de gelegenheid zal worden gesteld om zonder begeleiding naar de woningen van de nabestaanden te gaan.
Om ervoor te zorgen dat de verdachte (ook gedurende zijn tbs-maatregel) geen contact mag opnemen met de nabestaanden, zou een
contactverbodmet de nabestaanden kunnen worden overwogen. Maar dit zou in de praktijk betekenen dat de verdachte bij overtreding daarvan vervangende hechtenis moet ondergaan. Dat zou een doorkruising van de behandeling betekenen die in het kader van de tbs-maatregel wordt ondergaan en dat acht de rechtbank onwenselijk. De rechtbank zal daarom ook geen contactverbod in de vorm van een 38v-maatregel opleggen.