6.3.Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek op de zitting is gebleken.
De aard en ernst van de feiten
De verdachte heeft zich in een tijdsbestek van een week schuldig gemaakt aan twee ernstige strafbare feiten.
Op 12 maart 2025 heeft de verdachte ’s nachts samen met een ander ingebroken in restaurant [locatie] in Schoorl. De verdachten hebben een kluis met geld weggenomen en hebben daarbij veel schade veroorzaakt door onder meer twee ramen te vernielen. Dit is niet alleen een vervelend en overlastgevend feit. Ook treft hij het slachtoffer hiermee in zijn bron van inkomen uit zijn horecabedrijf. De verdachte heeft zich op geen enkel moment bekommerd om de financiële schade en overlast die hij door zijn handelen heeft veroorzaakt, maar heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen financieel gewin. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Slechts een week later heeft de verdachte samen met een ander een overval gepleegd op de juwelierszaak [juwelier] in Haarlem, terwijl de winkel nog geopend was en de winkelmedewerkster ter plaatse aan het werk was. De verdachte is met zijn medeverdachte op een fatbike naar de juwelierszaak gereden. De medeverdachte is vervolgens de [juwelier] binnengerend en heeft met een hamer het glas van de vitrines stuk geslagen, waarna er diverse sieraden zijn weggenomen. De verdachte stond ondertussen met een doorgeladen vuurwapen in zijn hand op de fatbike voor de winkel, waarna hij en de medeverdachte er samen vandoor zijn gegaan.
Een dergelijke brutale overval is een ernstig strafbaar feit. De verdachte heeft verklaard dat hij met deze klus snel geld kon verdienen en niet heeft nagedacht over de gevolgen voor het slachtoffer. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan. De gevolgen van dit soort gebeurtenissen zijn doorgaans groot voor de slachtoffers. De impact op hun leven en gevoel van veiligheid is groot en slachtoffers kunnen nog lang last hebben van de gevolgen van dergelijke beangstigende ervaringen. Uit de vordering tot schadevergoeding en de schriftelijke slachtofferverklaring is gebleken dat dit ook hier het geval is. Het slachtoffer heeft gevreesd voor haar leven en heeft tot op heden veel last van de overval, wat zich uit in psychische en fysieke klachten. Na de overval wilde zij niet meer in de juwelierszaak werken en heeft zij een andere baan gezocht voor meer veiligheid.
Daarnaast zorgen dergelijke strafbare feiten ook voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij en bij winkeliers in het algemeen.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 7 januari 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.
Daarnaast heeft de rechtbank gelet op het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van de Raad van 11 februari 2026. Uit dit rapport is onder meer gebleken dat er een positieve ontwikkeling wordt gezien bij de verdachte sinds hij een jaar geleden onder voorwaarden werd geschorst. Het is van belang dat de verdachte zijn dagbesteding, in de vorm van werk, kan blijven behouden. Positief is dat de verdachte zijn traject bij [jeugdhulpaanbieder] met succes heeft afgerond en goed meewerkt aan de coaching van [jeugdhulpaanbieder] . Tegelijkertijd vindt de Raad de situatie te kwetsbaar om het toezicht van de jeugdreclassering te beëindigen. De Raad heeft in haar rapport geadviseerd een voorwaardelijke jeugddetentie en een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. Als bijzondere voorwaarden worden geadviseerd dat de verdachte mee blijft werken aan coaching van [jeugdhulpaanbieder] en dat hij zijn dagbesteding in de vorm van werk of onderwijs behoudt.
Op de zitting is het advies door de Raad aangevuld in die zin dat een proeftijd van één jaar wordt geadviseerd, gelet op de positieve lijn die de verdachte heeft ingezet. Er liggen niet veel doelen meer voor de jeugdreclassering om naartoe te werken.
De jeugdreclassering heeft zich op de zitting aangesloten bij het advies van de Raad.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder nog meegenomen dat de verdachte zich sinds zijn schorsing op 3 juni 2025 goed heeft gehouden aan zijn (ingrijpende) schorsingsvoorwaarden, waaronder een avondklok, het meewerken aan het traject bij [jeugdhulpaanbieder] en het meewerken aan begeleiding van [jeugdhulpaanbieder] . Na het plegen van onderhavige feiten is de verdachte ook niet meer in aanraking gekomen met politie en/of justitie.
In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank tot slot rekening met het feit dat hij op zitting openheid van zaken heeft gegeven. De verdachte heeft daarmee zijn verantwoordelijkheid genomen. Ook heeft hij naar het oordeel van de rechtbank oprecht spijt betuigd en is het positief dat de verdachte het initiatief heeft genomen zich aan te melden voor perspectief herstelbemiddeling met het slachtoffer.
De straf
Gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie op zijn plaats is.
Gelet op wat hiervoor uiteengezet is over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, acht de rechtbank het niet in zijn belang om hem een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen die langer is dan de periode die hij al in voorlopige hechtenis heeft gezeten. De rechtbank vindt het belangrijk dat de huidige positieve ontwikkeling niet wordt doorkruist, maar wil deze juist ondersteunen, omdat dit helpt recidive te (blijven) voorkomen.
De rechtbank ziet daarom aanleiding een groot deel van de jeugddetentie voorwaardelijk op te leggen, om daaraan de geadviseerde bijzondere voorwaarden te kunnen verbinden en om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van de proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden acht de rechtbank noodzakelijk. De rechtbank zal bepalen dat het toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden door De Jeugd- & Gezinsbeschermers in Alkmaar wordt uitgevoerd.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van 160 dagen, waarvan 83 dagen voorwaardelijk, passend en geboden is, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.
Anders dan door de officier van justitie is gevorderd zal de rechtbank, overeenkomstig het advies van de Raad en de jeugdreclassering, een proeftijd van één jaar verbinden aan het voorwaardelijk strafdeel.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de verdachte ook nog een werkstraf op te leggen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte zijn moeder als alleenstaande ouder ondersteunt en fulltime aan het werk is als stratenmaker en inmiddels ook als bezorger bij een snackbar. Het is belangrijk dat hij deze dagbesteding behoudt. Een werkstraf acht de rechtbank daarom niet opportuun.