Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4317

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
15/086549-25 en 15/307616-25
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:102 BWArt. 6:106 BWArt. 6:166 BWArt. 36f SrArt. 77a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie voor inbraak en overval met schadevergoeding aan slachtoffer

De rechtbank Noord-Holland heeft op 5 maart 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een minderjarige verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan twee ernstige feiten binnen een week: een inbraak in een restaurant in Schoorl en een overval op een juwelierszaak in Haarlem. De verdachte pleegde de inbraak door braak en inklimming en nam een kluis met geld mee. Bij de overval gebruikte de medeverdachte een hamer om vitrines te vernielen, terwijl de verdachte met een vuurwapen op een fatbike wachtte.

De rechtbank achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen op basis van de bekennende verklaring van de verdachte en overige bewijsmiddelen. De verdachte werd veroordeeld tot 160 dagen jeugddetentie, waarvan 83 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar en bijzondere voorwaarden waaronder toezicht door de jeugdreclassering en het behouden van dagbesteding.

De benadeelde partij, een medewerker van de juwelierszaak, vorderde een schadevergoeding van €3.063,59, bestaande uit materiële en immateriële schade. De rechtbank kende de volledige vordering toe en legde een schadevergoedingsmaatregel op. De verdachte werd hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de schade, ondanks het pleidooi van de verdediging voor een beperkte aansprakelijkheid.

De rechtbank hield rekening met de positieve ontwikkeling van de verdachte, zijn openheid op zitting en spijtbetuiging. De opgelegde straf en voorwaarden zijn mede gericht op het voorkomen van recidive en het ondersteunen van de positieve gedragsverandering.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 160 dagen jeugddetentie, waarvan 83 dagen voorwaardelijk, en hoofdelijk aansprakelijk voor schadevergoeding van €3.063,59 aan slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie & Jeugd
Locatie Alkmaar
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 15/086549-25 en 15/307616-25 (ttz. gev.) (P)
Uitspraakdatum: 5 maart 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 19 februari 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum] te [land] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres]
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
  • de vordering van de officier van justitie [officier van justitie] ;
  • wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L.A. Korfker, advocaat te IJmuiden, naar voren hebben gebracht;
  • de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij] en wat namens haar door mr. A.M. Wolf, advocaat te Haarlem, naar voren is gebracht;
  • wat namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) door [vertegenwoordiger van de raad]
  • wat namens de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers (hierna: de jeugdreclassering) door [vertegenwoordiger van de GI] naar voren is gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van parketnummer 15/086549-25
hij op of omstreeks 19 maart 2025 te Haarlem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, diverse sieraden, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [juwelier] (juwelier), in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen een medewerker van [juwelier] , te weten [de benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- in het donker gekleed en/of met gezichtsbedekking op de juwelier binnen te komen/rennen en/of
- ( daarbij) een hamer, althans een dergelijk (slag)voorwerp, te tonen en/of
- met voorgenoemde hamer, althans een dergelijk (slag)voorwerp, een of meerdere keren op de vitrines te slaan en/of
- ( vervolgens) diverse sieraden uit de stuk geslagen vitrines te pakken en/of
- ( met de weggenomen sieraden) de juwelier te verlaten en/of
- met een vuurwapen, althans op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in de hand te wachten met een fatbike voor de juwelier en/of
- het wapen door te laden voor de juwelier en/of
- met de mededader te vluchten op de fatbike met de weggenomen sieraden;
Ten aanzien van parketnummer 15/307616-25
hij op of omstreeks 12 maart 2025 te Schoorl, gemeente Bergen (NH), uit een pand gelegen aan [adres] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een kluis met geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [locatie] en/of [locatie] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen kluis met geld onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder beide parketnummers ten laste gelegde feiten, te weten diefstal in vereniging door bedreiging met geweld en diefstal in vereniging met braak.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van de ten laste gelegde feiten geen verweer gevoerd, gelet op de voor beide feiten bekennende verklaring van de verdachte.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder beide parketnummers ten laste gelegde feiten op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
Ten aanzien van parketnummer 15/086549-25
hij op 19 maart 2025 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander, diverse sieraden, die aan [juwelier] (juwelier), toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen een medewerker van [juwelier] , te weten [de benadeelde partij] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door
- in het donker gekleed en met gezichtsbedekking op de juwelier binnen te rennen en
- daarbij een hamer te tonen en
- met voorgenoemde hamer meerdere keren op de vitrines te slaan en
- vervolgens diverse sieraden uit de stuk geslagen vitrines te pakken en
- met de weggenomen sieraden de juwelier te verlaten en
- met een vuurwapen in de hand te wachten met een fatbike voor de juwelier en
- het wapen door te laden voor de juwelier en
- met de mededader te vluchten op de fatbike met de weggenomen sieraden;
Ten aanzien van parketnummer 15/307616-25
hij op 12 maart 2025 te Schoorl, gemeente Bergen (NH), uit een pand gelegen aan de [adres] , tezamen en in vereniging met een ander, een kluis met geld, die aan [locatie] en/of [locatie] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak en inklimming.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van parketnummer 15/086549-25
diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Ten aanzien van parketnummer 15/307616-25
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot 120 dagen jeugddetentie waarvan 43 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die hij al in voorarrest heeft doorgebracht.
De officier van justitie heeft verzocht aan het voorwaardelijk strafdeel de bijzondere voorwaarden te verbinden zoals geadviseerd door de Raad in haar rapport van 11 februari 2026. Zij heeft verzocht hieraan een proeftijd van twee jaar te verbinden.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte een werkstraf voor de duur van 120 uur zal worden opgelegd, bij het niet of niet naar behoren verrichten te vervangen door 60 dagen jeugddetentie.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht bij het bepalen van de straf aansluiting te zoeken bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting en aan de verdachte een jeugddetentie voor de duur van 160 dagen op te leggen, waarvan 83 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd. Zij heeft ook verzocht om daarnaast geen werkstraf meer aan de verdachte op te leggen omdat het pakket aan voorwaarden al veel van de verdachte vergt.
De raadsvrouw heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden aan een groter voorwaardelijk strafdeel dan geëist kunnen worden verbonden. Met een proeftijd van één jaar kan worden volstaan, zoals de Raad ter zitting ook heeft geadviseerd.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek op de zitting is gebleken.
De aard en ernst van de feiten
De verdachte heeft zich in een tijdsbestek van een week schuldig gemaakt aan twee ernstige strafbare feiten.
Op 12 maart 2025 heeft de verdachte ’s nachts samen met een ander ingebroken in restaurant [locatie] in Schoorl. De verdachten hebben een kluis met geld weggenomen en hebben daarbij veel schade veroorzaakt door onder meer twee ramen te vernielen. Dit is niet alleen een vervelend en overlastgevend feit. Ook treft hij het slachtoffer hiermee in zijn bron van inkomen uit zijn horecabedrijf. De verdachte heeft zich op geen enkel moment bekommerd om de financiële schade en overlast die hij door zijn handelen heeft veroorzaakt, maar heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen financieel gewin. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Slechts een week later heeft de verdachte samen met een ander een overval gepleegd op de juwelierszaak [juwelier] in Haarlem, terwijl de winkel nog geopend was en de winkelmedewerkster ter plaatse aan het werk was. De verdachte is met zijn medeverdachte op een fatbike naar de juwelierszaak gereden. De medeverdachte is vervolgens de [juwelier] binnengerend en heeft met een hamer het glas van de vitrines stuk geslagen, waarna er diverse sieraden zijn weggenomen. De verdachte stond ondertussen met een doorgeladen vuurwapen in zijn hand op de fatbike voor de winkel, waarna hij en de medeverdachte er samen vandoor zijn gegaan.
Een dergelijke brutale overval is een ernstig strafbaar feit. De verdachte heeft verklaard dat hij met deze klus snel geld kon verdienen en niet heeft nagedacht over de gevolgen voor het slachtoffer. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan. De gevolgen van dit soort gebeurtenissen zijn doorgaans groot voor de slachtoffers. De impact op hun leven en gevoel van veiligheid is groot en slachtoffers kunnen nog lang last hebben van de gevolgen van dergelijke beangstigende ervaringen. Uit de vordering tot schadevergoeding en de schriftelijke slachtofferverklaring is gebleken dat dit ook hier het geval is. Het slachtoffer heeft gevreesd voor haar leven en heeft tot op heden veel last van de overval, wat zich uit in psychische en fysieke klachten. Na de overval wilde zij niet meer in de juwelierszaak werken en heeft zij een andere baan gezocht voor meer veiligheid.
Daarnaast zorgen dergelijke strafbare feiten ook voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij en bij winkeliers in het algemeen.
Persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie van 7 januari 2026, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.
Daarnaast heeft de rechtbank gelet op het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van de Raad van 11 februari 2026. Uit dit rapport is onder meer gebleken dat er een positieve ontwikkeling wordt gezien bij de verdachte sinds hij een jaar geleden onder voorwaarden werd geschorst. Het is van belang dat de verdachte zijn dagbesteding, in de vorm van werk, kan blijven behouden. Positief is dat de verdachte zijn traject bij [jeugdhulpaanbieder] met succes heeft afgerond en goed meewerkt aan de coaching van [jeugdhulpaanbieder] . Tegelijkertijd vindt de Raad de situatie te kwetsbaar om het toezicht van de jeugdreclassering te beëindigen. De Raad heeft in haar rapport geadviseerd een voorwaardelijke jeugddetentie en een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. Als bijzondere voorwaarden worden geadviseerd dat de verdachte mee blijft werken aan coaching van [jeugdhulpaanbieder] en dat hij zijn dagbesteding in de vorm van werk of onderwijs behoudt.
Op de zitting is het advies door de Raad aangevuld in die zin dat een proeftijd van één jaar wordt geadviseerd, gelet op de positieve lijn die de verdachte heeft ingezet. Er liggen niet veel doelen meer voor de jeugdreclassering om naartoe te werken.
De jeugdreclassering heeft zich op de zitting aangesloten bij het advies van de Raad.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder nog meegenomen dat de verdachte zich sinds zijn schorsing op 3 juni 2025 goed heeft gehouden aan zijn (ingrijpende) schorsingsvoorwaarden, waaronder een avondklok, het meewerken aan het traject bij [jeugdhulpaanbieder] en het meewerken aan begeleiding van [jeugdhulpaanbieder] . Na het plegen van onderhavige feiten is de verdachte ook niet meer in aanraking gekomen met politie en/of justitie.
In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank tot slot rekening met het feit dat hij op zitting openheid van zaken heeft gegeven. De verdachte heeft daarmee zijn verantwoordelijkheid genomen. Ook heeft hij naar het oordeel van de rechtbank oprecht spijt betuigd en is het positief dat de verdachte het initiatief heeft genomen zich aan te melden voor perspectief herstelbemiddeling met het slachtoffer.
De straf
Gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie op zijn plaats is.
Gelet op wat hiervoor uiteengezet is over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, acht de rechtbank het niet in zijn belang om hem een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen die langer is dan de periode die hij al in voorlopige hechtenis heeft gezeten. De rechtbank vindt het belangrijk dat de huidige positieve ontwikkeling niet wordt doorkruist, maar wil deze juist ondersteunen, omdat dit helpt recidive te (blijven) voorkomen.
De rechtbank ziet daarom aanleiding een groot deel van de jeugddetentie voorwaardelijk op te leggen, om daaraan de geadviseerde bijzondere voorwaarden te kunnen verbinden en om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van de proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden acht de rechtbank noodzakelijk. De rechtbank zal bepalen dat het toezicht op de naleving van de bijzondere voorwaarden door De Jeugd- & Gezinsbeschermers in Alkmaar wordt uitgevoerd.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van 160 dagen, waarvan 83 dagen voorwaardelijk, passend en geboden is, met aftrek van de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.
Anders dan door de officier van justitie is gevorderd zal de rechtbank, overeenkomstig het advies van de Raad en de jeugdreclassering, een proeftijd van één jaar verbinden aan het voorwaardelijk strafdeel.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de verdachte ook nog een werkstraf op te leggen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte zijn moeder als alleenstaande ouder ondersteunt en fulltime aan het werk is als stratenmaker en inmiddels ook als bezorger bij een snackbar. Het is belangrijk dat hij deze dagbesteding behoudt. Een werkstraf acht de rechtbank daarom niet opportuun.

7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [de benadeelde partij] heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 3.063,59 ingediend tegen de verdachte, bestaande uit € 63,59 aan materiële schade en
€ 3.000,- aan immateriële schade die zij als gevolg van het onder parketnummer 15/086549-25 bewezen verklaarde feit zou hebben geleden, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot gehele en hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in beginsel voor gehele vergoeding in aanmerking komt, maar heeft bepleit dat de vordering in het belang van de verdachte voor slechts een derde moet worden toegewezen.
Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte niet hoofdelijk aansprakelijk dient te worden gesteld. De verdachte is een jonge first offender en hoofdelijke aansprakelijkheid kan tot een onwenselijk hoge financiële last leiden wanneer de medeverdachten niet betalen. De verdachte is een positieve weg ingeslagen en werkt hard. Het risico dat hij alleen voor alle schade opdraait is groot, nu de vervolging en eventuele veroordeling van de medeverdachten nog op zich laat wachten. De verdachte heeft geen contact meer met de medeverdachten en het is de bedoeling dat dit zo blijft.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De gevorderde materiële schade is voldoende onderbouwd, niet betwist en vloeit rechtstreeks voort uit het onder parketnummer 15/086549-25 bewezen verklaarde feit. Dit deel van de vordering zal daarom worden toegewezen.
De rechtbank begrijpt dat de vordering tot vergoeding van de immateriële schade is gebaseerd op aantasting ‘op andere wijze’ in de persoon als bedoeld in art. 6:106 sub b BW Pro. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat als voldoende onderbouwd en onbetwist gebleven is komen vast te staan dat de benadeelde partij geestelijk letsel door de overval heeft opgelopen, waarvoor zij behandeld is door een therapeut. De benadeelde partij heeft voldoende concrete gegevens overgelegd waaruit de ernst van de gevolgen blijkt.
Vergoeding van de immateriële schade van het bedrag van € 3.000,- komt de rechtbank dan ook billijk voor. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van dit bedrag gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde op zitting.
Ten aanzien van de hoofdelijke aansprakelijkheid overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank stelt voorop dat de verdachte als medepleger betrokken is geweest bij het bewezen verklaarde feit en daarom jegens de benadeelde partij voor de gehele schade aansprakelijk is. Op grond van artikel 6:102, eerste lid, BW jo. artikel 6:166 BW Pro zijn de verdachte en zijn medeverdachten immers hoofdelijk verbonden tot vergoeding van de geleden schade. Wat door de raadsvrouw is aangevoerd, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders, al zijn de overwegingen van de raadsvrouw invoelbaar. Echter, hoofdelijke aansprakelijkheid dient ter bescherming van het slachtoffer. Daarnaast geldt dat het regelen van de onderlinge draagplicht van de daders via (professionele) derden kan verlopen, daarvoor is persoonlijk contact niet nodig. Gelet daarop zal de rechtbank de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel hoofdelijk toewijzen en bepalen dat indien een medeverdachte het toegewezen bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij toewijzen tot het totaalbedrag van € 3.063,59, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: diefstal met geweld en bedreiging met geweld in vereniging] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
36f, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 311, 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder parketnummers 15/086549-25 en 15/307616-25 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
jeugddetentievoor de duur van
160 (honderdzestig) dagen.
Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot
83 (drieëntachtig) dagen nietten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van één jaar.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
  • zich zal melden bij de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers te Alkmaar, afdeling jeugdreclassering, en zich daarna gedurende de proeftijd en op de door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal blijven melden bij deze instelling, zo vaak en zo lang die instelling dat noodzakelijk acht;
  • mee zal blijven werken aan coaching van [jeugdhulpaanbieder] of een soortgelijke instantie, zo lang de jeugdreclassering dit nodig acht;
  • dagbesteding zal houden in de vorm van werk of onderwijs.
Geeft opdracht aan De Jeugd- & Gezinsbeschermers, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Bepaalt dat de tijd die de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten 77 (zevenenzeventig) dagen, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [de benadeelde partij]
Wijst toe de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van
€ 3.063,59 (drieduizend drieënzestig euro en negenenvijftig eurocent), bestaande uit
€ 63,59 voor de materiële en € 3.000,- voor de immateriële schade, en veroordeelt de veroordeelde tot betaling van dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, de veroordeelde in zoverre zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de veroordeelde in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de veroordeelde als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij
[de benadeelde partij] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.063,59
(drieduizend drieënzestig euro en negenenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door
0 (nul) dagengijzeling.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de veroordeelde in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Beslissing over de voorlopige hechtenis
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde in de zaak met parketnummer 15/086549-25.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P.E. van der Veen, voorzitter en tevens kinderrechter,
mr. W.C. Oosterbroek en mr. M.H. Simons, (kinder)rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.C. Kramer,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 maart 2026.
mr. M.H. Simons is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.