Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4303

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
C/15/377058 / JU RK 26-611
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van minderjarige wegens onveilige thuissituatie

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot een spoedmachtiging voor uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige woont bij haar moeder, met wie zij een verstoorde relatie heeft. De moeder heeft de minderjarige uit huis gezet, waardoor zij niet meer thuis kan wonen. De GI heeft een crisisplek gevonden waar de minderjarige tot 27 april 2026 kan verblijven.

De kinderrechter heeft vastgesteld dat de minderjarige zich afgezonderd voelt binnen het gezin, met gedragsproblemen zoals agressie richting jongere broertjes en zusjes, wat leidt tot onveiligheid. De moeder en het gezin sluiten de minderjarige buiten en er is sprake van emotionele verwaarlozing. De kinderrechter acht het noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding om de minderjarige uit huis te plaatsen.

Gezien het onmiddellijke en ernstige gevaar voor de minderjarige kan niet worden gewacht op een zitting. Daarom wordt de machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de duur van vier weken, met ingang van 21 april 2026 tot 19 mei 2026, en wordt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De behandeling van het verzoek wordt voor het overige aangehouden en een zitting wordt gepland waarbij de GI en de moeder worden opgeroepen. Tevens wordt een kindgesprek met de minderjarige gepland.

Tegen deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam binnen drie maanden na dagtekening, waarvoor een advocaat nodig is.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor vier weken met onmiddellijke ingang en uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/377058 / JU RK 26-611
Datum uitspraak: 21 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [land] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 21 april 2026.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 januari 2026 [de minderjarige] onder toezicht gesteld tot 30 augustus 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
3.2.
De GI verzoekt aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van 1 maand en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De beoordeling

4.1.
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. Maandag 20 april 2026 is het team Handelingsperspectief van de GI op de hoogte gesteld door [ambulante gezinshulpverlening] (ambulante gezinshulpverlening) dat [de minderjarige] niet meer thuis kan wonen. Moeder heeft haar buiten gezet en wil haar niet meer binnenlaten. [ambulante gezinshulpverlening] legt uit dat moeder en [de minderjarige] al langere tijd geen goede band hebben met elkaar en [de minderjarige] 'los' van de rest van het gezin leeft. Ze kookt alleen, eet alleen, zit veelal teruggetrokken op haar kamer en is niet betrokken bij het gezin. Het gezin betrekt [de minderjarige] er ook niet bij, ze sluiten haar buiten. Zo worden er opmerkingen gemaakt naar [de minderjarige] dat ze haar uit [land] hebben gehaald omdat ze het zielig vonden voor haar, maar dat ze er eigenlijk niet bij hoort. Moeder is na de bevalling van [de minderjarige] zonder haar naar Nederland gevlucht en kreeg na aankomst in Nederland te horen vanuit de gemeenschap in [land] dat [de minderjarige] zou zijn overleden. Pas jaren later bleek dit niet zo te zijn en is [de minderjarige] naar Nederland gehaald. Doordat [de minderjarige] zich afgewezen voelt door moeder en het gezin, doet ze opmerkingen over haar jongere broertjes en zusjes dat ze hoopt dat zij doodgaan zodat moeder aandacht heeft voor haar. Ze slaat en duwt ook haar jongere broertjes en zusjes en dit zorgt voor veel onveiligheid in het gezin. Om de situatie te bekoelen en om te zorgen dat [de minderjarige] een veilige plek heeft om de komende dagen te verblijven is er gezocht naar een crisisplek. Er is een crisisplek gevonden bij [crisisplek] in [plaats] en hier kan ze tot maandag 27 april 2026 verblijven. In de tussentijd zal de GI met moeder, [ambulante gezinshulpverlening] en [de minderjarige] kijken wat er nodig is dat [de minderjarige] weer thuis kan komen wonen, totdat er een perspectief biedende plek voor haar gevonden is voor begeleid wonen.
4.2.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst. [1]
4.3.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.
4.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
4.5.
De GI, [de minderjarige] en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kinderrechter:
5.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige], geboren op
[geboortedatum] [land] , [land] , in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 21 april 2026 tot 19 mei 2026;
5.2.
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.4.
roept de GI en de moeder op voor de zitting van mr. G.D. de Jong op
[datum]in het gerechtsgebouw van deze rechtbank, De Appelaar aan Simon de Vrieshof 1 in Haarlem;
5.5.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
5.6.
vraagt de griffier [de minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.D. de Jong, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026, in aanwezigheid van M.P. van Driel als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW).