3.3.2Nadere bewijsoverweging
Beoordelingskader
Voor een bewezenverklaring van (schuld)witwassen is vereist dat komt vast te staan dat het in de tenlastelegging vermelde voorwerp middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dat ook wist of redelijkerwijs moest vermoeden.
Wanneer op grond van de bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen het voorwerp en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat een voorwerp ‘uit enig misdrijf’ afkomstig is, indien de vastgestelde feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat sprake is van een vermoeden van witwassen.
Als dit zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het in de tenlastelegging genoemde voorwerp die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet.
Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het voorwerp. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal moeten blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het voorwerp waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst heeft en dat dus een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Vermoeden van witwassen
Het onderzoek in de onderhavige zaak heeft geen direct bewijs opgeleverd voor een criminele herkomst van het in de tenlastelegging opgenomen appartement(srecht) en geldbedrag. Wel is sprake van feiten en omstandigheden die, in onderling verband bezien, een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Op grond van het dossier en het verhandelde op de zitting stelt de rechtbank namelijk het volgende vast.
Op 22 augustus 2013 koopt [naam 1] , de vader van de verdachte, een appartementsrecht in Velden am Wörthersee in Oostenrijk (het appartement) voor € 716.917,75. Het appartement wordt door hem niet opgegeven als vermogen bij de Belastingdienst. Naast [naam 1] heeft [naam 2] kennelijk ook een gebruiksrecht van het appartement (Map C pag 640). Op 18 juli 2016 schenkt [naam 1] het appartement aan de verdachte. De verdachte doet vervolgens geen aangifte schenkbelasting, terwijl zij dit volgens de Belastingdienst wel had moeten doen. Evenmin heeft de verdachte over de periode van
2014 - 2019 aan de Belastingdienst opgave gedaan van vermogen of bezit in het buitenland. Ten tijde van de schenking in juli 2016 is [naam 1] al enige tijd verdachte in een witwaszaak in Engeland. Op 28 oktober 2016, drie maanden na de schenking, worden hij en [naam 2] in Engeland veroordeeld tot lange gevangenisstraffen voor witwassen van zeer grote geldbedragen, gepleegd in de periode van 1 januari 2013 tot 29 november 2014.
Op verzoek van de Britse autoriteiten en gelet op de witwaszaak van [naam 1] in Engeland, besluit het Landesgericht Klagenfurt (rechtbank) in Oostenrijk op 9 juni 2017 dat het [naam 1] en de verdachte wordt verboden het appartement te verkopen of te belasten. Op 22 november 2017 heeft de verdachte tegen dit besluit een klacht ingediend. In deze klachtprocedure is namens de verdachte aangevoerd dat het appartement niet aan haar is geschonken, maar dat de overdracht van het appartement de tegenprestatie was voor de overdracht van de aandelen van haar moeder van een onder de firma “ [bedrijf] ” geleide diamanthandel aan [naam 1] . De klacht is door de rechtbank in Oostenrijk niet-ontvankelijk verklaard (Map A, pag. 284).
Tussen 15 augustus 2019 en 26 november 2019 doet de verdachte een aantal overschrijvingen voor een totaal bedrag van € 188.038,67 naar [organisatie] met omschrijving ‘ [naam 1] ’. Deze organisatie is verantwoordelijk voor de administratie van strafrechtelijke burgerlijke en familierechtbanken in Engeland en Wales. Volgens de verklaring van de verdachte ter zitting wilde zij hiermee haar vader ondersteunen, omdat in zijn rechtszaak in Engeland was afgesproken dat hij nog geld moest betalen. Om deze betalingen te kunnen doen leent de verdachte geld van derden.
Op 9 oktober 2019 verkoopt de verdachte het appartement en op 10 december 2019 ontvangt zij een bedrag van € 839.248 in verband met deze verkoop. Met het geld dat is vrijgekomen door de verkoop van het appartement worden onder meer de leningen terugbetaald. Het resterende bedrag verspreidt de verdachte over diverse bankrekeningen van haarzelf.
Verklaringen van de verdachte
De verdachte stelt dat in de procedure in Engeland is vast komen te staan dat het appartement is gekocht met geld dat niet uit enig misdrijf afkomstig is. Ook stelt zij dat haar vader een goedlopend bedrijf had, dat het appartement destijds is bekostigd met gelden uit zijn bedrijf en dat zij er vanuit ging dat het wel goed zat.
De rechtbank overweegt het volgende. Vaststaat dat de vader van de verdachte in Engeland is veroordeeld voor het witwassen van grote geldbedragen in de periode van 1 januari 2013 tot 29 november 2014, waarbij hij zijn diamanthandel gebruikte als dekmantel. Het appartement in Oostenrijk is in die periode aangekocht. De verdachte heeft niet met concrete en verifieerbare stukken onderbouwd met welke gelden dit appartement is aangekocht. Gelet op de veroordeling van vader over de genoemde periode en de aankoopdatum van het appartement, biedt de niet nader onderbouwde verklaring van de verdachte dat het appartement is gekocht met (legale) gelden uit vaders bedrijf onvoldoende tegenwicht aan witwasvermoeden ten aanzien van het appartement. Te meer nu uit de door de verdediging overgelegde stukken uit de procedure in Engeland (Witness statement van [naam 3] d.d. 15 februari 2017) volgt dat in die procedure is aangenomen dat het appartement deels betaald is met geld van een Oostenrijkse bankrekening die mede op naam stond van [naam 2] , de medeverdachte van de vader in de witwaszaak, en zij kennelijk ook een gebruiksrecht had in het appartement.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit door de raadsman overgelegde stukken niet volgt dat in Engeland in rechte is vastgesteld dat het appartement in Oostenrijk niet is aangekocht met geld onmiddellijk of middellijk afkomstig uit misdrijf. Dat de advocaat die de vader van de verdachte in Engeland heeft bijgestaan, heeft verklaard dat dit tussen de vader van de verdachte en het Engelse National Crime Agency “was agreed” (lees: is overeengekomen) is voor een dergelijke vaststelling onvoldoende.
De rechtbank is gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de het appartement en vervolgens het daarvoor ontvangen geld onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn.
De rechtbank volgt de verdachte verder niet in haar verklaring dat zij erop mocht vertrouwen dat het wel goed zat met de schenking. Er waren voldoende signalen op grond waarvan de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geld waarmee het appartement was aangekocht van enig misdrijf afkomstig was. De verdachte kreeg immers zonder opgave van een specifieke aanleiding een appartement geschonken dat had vader drie jaar eerder voor
€ 716.917,75 had gekocht, op een moment dat hij al enige tijd verdachte was in een witwaszaak in Engeland. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de verdachte daar niet van op de hoogte was. Doordat de verdachte geen aangifte schenkingsbelasting gedaan is het appartement buiten beeld van de Belastingdienst gebleven. Gelet op deze omstandigheden en gelet op de waarde van het appartement, kan de verdachte worden verweten dat zij ten tijde van de schenking geen nader onderzoek heeft gedaan en geen vragen heeft gesteld over de precieze herkomst van het geld waarmee haar vader het appartement had gekocht. Enkele maanden nadat de verdachte het appartement heeft gekregen, is haar vader veroordeeld voor witwassen. Ook dit had voor haar aanleiding moeten zijn om navraag te doen naar de herkomst van het geld waarmee het appartement was gekocht. Dat in 2017 in een gerechtelijke procedure in Oostenrijk een verbod werd opgelegd om het appartement te verkopen of te belasten had voor de verdachte ook aanleiding moeten zijn om onderzoek te doen. De verdachte heeft dat niet gedaan en heeft in die procedure bovendien gesteld dat zij het appartement niet bij wijze van schenking heeft gekregen maar geldelijk verworven had, wat niet strookt met de inhoud van de schenkingsovereenkomst.
Gelet op het voorgaande had de verdachte moeten vermoeden dat de geld voor de aankoop van het appartement, en daarmee het appartement van enig misdrijf afkomstig was. Daarmee is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen. Het dossier bevat onvoldoende bewijs dat de verdachte in de ten laste gelegde periode wist dat het appartement van enig misdrijf afkomstig was. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank daarom van oordeel dat opzetwitwassen niet kan worden bewezen.
Voorwaardelijk verzoek
De verdediging heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan om [naam 4] , de Engelse advocaat van [naam 1] , als getuige te horen omdat in de Engelse procedure veel onderzoek zou zijn gedaan naar en gesprekken zouden zijn gevoerd over het appartement. De rechtbank wijst dit verzoek af. Mede gelet op de functie van [naam 4] als advocaat en de geheimhoudingsrelatie die hij heeft met [naam 1] ziet de rechtbank geen aanleiding om hem als getuige te horen. Bovendien had de verdediging meer schriftelijke stukken over de strafzaak van [naam 1] in Engeland kunnen indienen en is niet gebleken dat [naam 4] zou kunnen verklaren over punten die niet uit stukken moeten kunnen blijken.