Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
- een geldbedrag (groot (ongeveer) EUR 839.248,--)
terwijl zij, verdachte, (en haar mededader(s)) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat die/dit (voornoemde) voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
2.Voorvragen
3.Beoordeling van het bewijs
2014 - 2019 aan de Belastingdienst opgave gedaan van vermogen of bezit in het buitenland. Ten tijde van de schenking in juli 2016 is [naam 1] al enige tijd verdachte in een witwaszaak in Engeland. Op 28 oktober 2016, drie maanden na de schenking, worden hij en [naam 2] in Engeland veroordeeld tot lange gevangenisstraffen voor witwassen van zeer grote geldbedragen, gepleegd in de periode van 1 januari 2013 tot 29 november 2014.
Op 9 oktober 2019 verkoopt de verdachte het appartement en op 10 december 2019 ontvangt zij een bedrag van € 839.248 in verband met deze verkoop. Met het geld dat is vrijgekomen door de verkoop van het appartement worden onder meer de leningen terugbetaald. Het resterende bedrag verspreidt de verdachte over diverse bankrekeningen van haarzelf.
€ 716.917,75 had gekocht, op een moment dat hij al enige tijd verdachte was in een witwaszaak in Engeland. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de verdachte daar niet van op de hoogte was. Doordat de verdachte geen aangifte schenkingsbelasting gedaan is het appartement buiten beeld van de Belastingdienst gebleven. Gelet op deze omstandigheden en gelet op de waarde van het appartement, kan de verdachte worden verweten dat zij ten tijde van de schenking geen nader onderzoek heeft gedaan en geen vragen heeft gesteld over de precieze herkomst van het geld waarmee haar vader het appartement had gekocht. Enkele maanden nadat de verdachte het appartement heeft gekregen, is haar vader veroordeeld voor witwassen. Ook dit had voor haar aanleiding moeten zijn om navraag te doen naar de herkomst van het geld waarmee het appartement was gekocht. Dat in 2017 in een gerechtelijke procedure in Oostenrijk een verbod werd opgelegd om het appartement te verkopen of te belasten had voor de verdachte ook aanleiding moeten zijn om onderzoek te doen. De verdachte heeft dat niet gedaan en heeft in die procedure bovendien gesteld dat zij het appartement niet bij wijze van schenking heeft gekregen maar geldelijk verworven had, wat niet strookt met de inhoud van de schenkingsovereenkomst.
- een geldbedrag groot EUR 839.248,-
4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
5.Strafbaarheid van de verdachte
6.Motivering van de sanctie
In artikel 6, eerste lid, van het Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft hierbij te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Van zodanige omstandigheden is in deze zaak niet gebleken.
7.Bijkomende straf
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Beslissing
gevangenisstrafvoor de duur van
6 [zes] maanden, met bevel dat deze straf
nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte voor het einde van de op 2 [twee] jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
240 [tweehonderdveertig] uren taakstrafdie bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 [honderdtwintig] dagen hechtenis;