Velison verhuurde een woning aan [betrokkene], die deze onderverhuurde aan [gedaagde]. Na meldingen dat [gedaagde] met zijn gezin in de woning verbleef, verzocht Velison hem te vertrekken. [gedaagde] weigerde en stelde zich op het standpunt dat er een onderhuurovereenkomst bestond.
Velison vorderde de beëindiging van de voortgezette onderhuurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. De kantonrechter oordeelde dat alle vier wettelijke beëindigingsgronden aanwezig zijn: onvoldoende financiële waarborg, kennelijke strekking om [gedaagde] huurder te maken, onredelijkheid voortzetting van de huur voor Velison en het ontbreken van een huisvestingsvergunning.
De belangenafweging vond plaats waarbij het belang van Velison bij handhaving van het toewijzingsbeleid zwaarder woog dan het belang van [gedaagde] en zijn minderjarige kinderen. Wel werd een ontruimingstermijn van drie maanden toegekend om de kinderen het schooljaar te laten afmaken en tijd te geven voor alternatieve huisvesting.
De huurachterstand werd toegewezen en [gedaagde] werd veroordeeld tot betaling van de achterstand, maandelijkse vergoeding tot ontruiming, ontruiming van het gehuurde en betaling van proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.