3.3.2.Nadere bewijsoverwegingen
Zaak A: de invoer van cocaïne door de verdachte en [medeverdachte 3]
Op 4 juli 2025 is de verdachte samen met [medeverdachte 3] vanuit Suriname naar Nederland gereisd. Bij aankomst op luchthaven Schiphol bleek dat [medeverdachte 3] ruim twaalfhonderd gram cocaïne in zijn lichaam vervoerde.
In de telefoon van [medeverdachte 3] zijn chatgesprekken tussen hem en de verdachte aangetroffen, met onder meer de volgende inhoud. Op 14 juni 2024 stuurt [medeverdachte 3] een afbeelding van zijn identiteitskaart aan de verdachte, waarna de verdachte een bewijs van inschrijving in het bevolkingsregister terugstuurt. Enkele dagen later stuurt de verdachte naar [medeverdachte 3] dat hij om zeven uur bij de ambassade moet zijn en dat hij geen korte broek en geen slippers mag dragen. Op 27 juni 2024 stuurt de verdachte een video naar [medeverdachte 3] waarop een flesje te zien is, waarbij de verdachte zegt dat hij “het ding” reeds heeft gekocht en voor de deur van [medeverdachte 3] staat. Enkele uren daarna vraagt [medeverdachte 3] of hij alles in een keer moet opdrinken, waarop de verdachte bevestigend antwoordt. Op 28 juni 2024 stuurt de verdachte het vliegticket voor de reis naar Nederland naar [medeverdachte 3] .
Op 2 juli 2024, één dag voor vertrek naar Nederland, stuurt [medeverdachte 3] aan de verdachte dat hij laxeermiddel heeft genomen en dat het nog niet is uitgewerkt. Op 3 juli 2024 vraagt [medeverdachte 3] aan de verdachte of hij “ze alvast kan nemen of mee starten”. De verdachte zegt daarop tegen [medeverdachte 3] dat hij alvast kan beginnen met het eerste team te “bewassen” en kan beginnen met “ze” alvast rustig te baden.
Verder heeft de verdachte chatgesprekken gevoerd met zijn contacten ‘ [naam 1] ’ en ‘ [naam 2] ’. In beide gesprekken wordt een foto van het paspoort van [medeverdachte 3] gestuurd en in beide gesprekken laat de verdachte weten dat hij samen met [medeverdachte 3] wil vliegen en de kosten voor hem zal betalen.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen voornoemde chatgesprekken, waarin onder meer wordt gesproken over het gebruik van laxeermiddel door [medeverdachte 3] die twee dagen daarna op Schiphol wordt aangehouden met bolletjes cocaïne in zijn lichaam, niet anders worden uitgelegd dan dat deze zien op de invoer van cocaïne. Dit vindt steun in de verklaring van [medeverdachte 3] dat hij op reis is gestuurd en naar Nederland is gekomen om cocaïne in te voeren. De rechtbank is verder van oordeel dat uit de hiervoor beschreven gang van zaken blijkt dat de verdachte en [medeverdachte 3] voldoende nauw en bewust hebben samengewerkt en komt dan ook tot de conclusie dat sprake is van medeplegen van de invoer van cocaïne.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het in zaak A ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Zaak B: voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne door [medeverdachte 1]
Op 17 augustus 2024 is [medeverdachte 1] vanuit Suriname naar Nederland gereisd. De verdachte heeft het visum van [medeverdachte 1] geregeld en ook heeft hij met [medeverdachte 2] , volgens de verdachte een neef van [medeverdachte 1] , contact gehad over de procedure en de kosten daarvan. Bij aankomst op luchthaven Schiphol bleek [medeverdachte 1] ruim zevenhonderd gram cocaïne in zijn lichaam te vervoeren.
In de telefoon van de verdachte zijn chatgesprekken aangetroffen tussen hem en [medeverdachte 1] . Hieruit blijkt dat de verdachte op 17 juni 2024 naar [medeverdachte 1] stuurt dat hij om zeven uur bij de ambassade moet zijn en geen korte broek, slippers of witte trui moet dragen. Een dag later stuurt de verdachte een foto van het visum naar [medeverdachte 1] . Op 30 juni 2024 stuurt [medeverdachte 1] dat hij het medicijndrankje heeft gedronken en schoon is. De verdachte stuurt op 7 juli 2024 dat hij (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ) moet laten weten als hij ready is en dat “het” nu al bij hem is.
Verder stuurt de verdachte op 25 juli 2024 een foto van het visum van [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 2] en zij spreken onderling over kosten voor het paspoort en het geven van geld om kleren te kopen. Op 16, 17 en 18 augustus 2024 vraagt de verdachte aan [medeverdachte 2] of hij op schema loopt, hoe het gaat en de verdachte probeert hem meermaals te bellen. Op 18 augustus 2024 stuurt [medeverdachte 2] een bericht naar de verdachte dat hij in het land was aangekomen waar hij naartoe is gegaan, dat hij niets meer van de andere man heeft gehoord, dat zijn telefoon uitstaat en gister voor het laatst van hem heeft gehoord op Zanderij. [medeverdachte 2] bericht de verdachte dat ze hem (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ) misschien hebben gepakt, waarbij [medeverdachte 2] opmerkt dat hij zich niet voor kan stellen dat hij door hem bestolen is.
Gelet op de aard en de strekking van voornoemde chatgesprekken, waarin wordt gesproken over het gebruik van laxeermiddel door [medeverdachte 1] die vervolgens met bolletjes cocaïne in zijn lichaam op Schiphol is aangehouden, kunnen deze niet anders kunnen worden uitgelegd dan dat deze zien op de invoer van cocaïne.
De rechtbank leidt uit de chatgesprekken af dat de verdachte een coördinerende rol heeft gehad bij de invoer van cocaïne door [medeverdachte 1] . De verdachte heeft een visum voor hem geregeld en hij onderhield contact met [medeverdachte 1] over het gebruik van laxeermiddel. Ook werd de verdachte door [medeverdachte 2] op de hoogte gehouden van de reis van [medeverdachte 1] .
Naar het oordeel van de rechtbank is dit voldoende voor de vaststelling dat de verdachte voorbereidingshandelingen heeft verricht voor het invoeren van cocaïne door [medeverdachte 1] .
Alternatief scenario verdediging
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij alleen visa heeft geregeld voor [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] en dat het laxeermiddel waarover in de chats wordt gesproken
kowru dresiis, een Surinaams drankje dat Surinaamse mannen drinken om van binnen schoon te worden en een goede erectie te krijgen.
De rechtbank volgt deze alternatieve lezing niet. De verdachte heeft met zowel [medeverdachte 3] als [medeverdachte 1] gesproken over het gebruik van laxeermiddel en daarbij instructies gegeven (over hoe en wanneer het middel te gebruiken). Ook is de verdachte door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] op de hoogte gehouden van het gebruik van het drankje. Kort na deze gesprekken zijn [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] op Schiphol aangehouden met bollen cocaïne in hun lichaam. Dat het laxeermiddel is gebruikt voor andere doeleinden dan het slikken van bollen (met cocaïne) acht de rechtbank in het licht van de belastende chatgesprekken ongeloofwaardig.
Daar komt bij dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven op de vraag waarom hij de visa van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] moest regelen en dat hij wisselend heeft verklaard over de betrokkenheid van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] bij zijn muziekgroep.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de door de verdediging ter terechtzitting gegeven alternatieve lezing van de chatberichten niet aannemelijk en wordt aan dit verweer voorbijgegaan.