Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4207

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
HAA 26/1649
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening tegen besluit gemeente Schagen niet-ontvankelijk verklaard

Verzoeker heeft op 6 maart 2026 een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen van 6 augustus 2024.

De voorzieningenrechter constateert dat tegen dit besluit reeds bezwaar is gemaakt en dat daarop op 6 november 2024 is beslist. Vervolgens is beroep ingesteld, waarbij het verzoek om voorlopige voorziening op 10 oktober 2025 is afgewezen en het beroep op 30 oktober 2025 ongegrond is verklaard. Hierdoor loopt er geen bezwaar- of beroepsprocedure meer tegen het besluit.

Op grond hiervan is het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk. De brief van verzoeker van 22 maart 2026 geeft geen aanleiding tot een ander oordeel. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af zonder zitting en zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure meer is.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/1649

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen, het college.

Inleiding

1.1.
Op 6 maart 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
Verzoeker heeft de rechtbank op 11 maart 2024 desgevraagd laten weten dat zijn verzoek zich richt tegen het besluit van 6 augustus 2024.
1.3.
De rechtbank heeft verzoeker erop gewezen dat over dat besluit reeds een procedure heeft plaatsgevonden en verzocht om aan te geven waarom de voorzieningenrechter zijn verzoek desondanks in behandeling zou kunnen nemen.
1.4.
Op 22 maart 2026 heeft verzoeker een nadere toelichting gegeven, waarin hij onder meer ingaat op de reeds doorlopen procedure.
1.5.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.
2.1.
Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2.2.
Het verzoek om voorlopige voorziening richt zich tegen het besluit van 6 augustus 2024. Hiertegen heeft verzoeker eerder al bezwaar gemaakt. Hierop is door het college op 6 november 2024 beslist. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld en ook verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dat beroep is bij uitspraak van 30 oktober 2025 door deze rechtbank onder meer ongegrond verklaard, en het verzoek om voorlopige voorziening is op 10 oktober 2025 afgewezen. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen bezwaar- dan wel beroepsprocedure meer loopt. Tegen het beluit van 6 augustus 2024 kan de voorzieningenrechter van de rechtbank daarom geen voorlopige voorziening (meer) treffen. De brief van verzoeker van 22 maart 2026 geeft de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een ander oordeel.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek om voorlopige voorziening is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.