Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4206

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
HAA 26/803
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening na intrekking besluit opvang Oekraïense ontheemde

Verzoekster, een ontheemde uit Oekraïne, had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlem om haar opvang op grond van de Tijdelijke Wet opvang ontheemden Oekraïne per 4 maart 2026 te beëindigen. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

Tijdens de zitting op 24 februari 2026 trok het UWV het besluit van 22 januari 2026 in, waardoor de opvangvoorzieningen voor verzoekster niet werden beëindigd en zij ingeschreven bleef staan in haar woonplaats. Hierdoor verviel het procesbelang van verzoekster bij de voorlopige voorzieningen-procedure.

Verzoekster gaf aan het verzoek niet in te trekken vanwege een nieuw geschil over de passendheid van een andere opvanglocatie per 1 april 2026, maar dit nieuwe geschil maakt geen onderdeel uit van deze procedure en wordt behandeld in een aparte zaak.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is en droeg het college op het betaalde griffierecht aan verzoekster te vergoeden. Er is geen sprake van vergoeding van overige proceskosten.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter L.M. de Vries op 30 maart 2026 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard vanwege het vervallen procesbelang na intrekking van het besluit tot beëindiging van de opvang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/803

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, het college
(gemachtigden: mr. M.J. Ferwerda en H. Esselink).

Procesverloop

1.
1.1.
Met het besluit van 22 januari 2026 heeft het college de opvang van verzoekster op grond van de Tijdelijke Wet opvang ontheemden Oekraïne per 4 maart 2025 beëindigd
.
1.2.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, bijgestaan door [naam] en de gemachtigden van het college.
1.5.
In de middag na afloop van de zitting heeft het Uwv het besluit van 22 januari 2026 ingetrokken. Beslist is dat de opvangvoorzieningen voor verzoekster niet beëindigd worden per 4 maart 2026. Zij blijft ingeschreven staan in [plaats] en hoeft de opvang niet te verlaten.
1.6.
Verzoekster heeft op 17 maart 2026 desgevraagd verklaard haar verzoek om voorlopige voorziening niet in te trekken. Een en ander verband houdende met een nieuw volgens verzoekster acuut geschil over de passendheid van een per 1 april 2026 aangeboden (andere) opvanglocatie.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2.
2.1.
Omdat het Uwv inhoudelijk aan het bezwaar van verzoekster tegemoet is gekomen, heeft verzoekster geen procesbelang meer bij deze voorlopige voorzieningen-procedure.
2.2.
Het door verzoekster genoemde nieuwe volgens haar acute geschil leidt niet tot een ander oordeel. Dit geschil maakt geen onderdeel uit van deze procedure. Hierover loopt (inmiddels) het verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer HAA 26/1810.

Conclusie en gevolgen

3.
3.1.
Onderhavig verzoek om voorlopige voorziening is daarom niet-ontvankelijk.
3.2.
Omdat het college aan verzoekster tegemoet is gekomen is in dit geval aanleiding om het college op te dragen het door verzoekster betaalde griffierecht te vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerking komen proceskosten is geen sprake.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet ontvankelijk;
- draagt het college op het door verzoekster betaalde griffierecht van € 54,-- aan haar te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.