Verzoekster, een ontheemde uit Oekraïne, had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlem om haar opvang op grond van de Tijdelijke Wet opvang ontheemden Oekraïne per 4 maart 2026 te beëindigen. Zij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
Tijdens de zitting op 24 februari 2026 trok het UWV het besluit van 22 januari 2026 in, waardoor de opvangvoorzieningen voor verzoekster niet werden beëindigd en zij ingeschreven bleef staan in haar woonplaats. Hierdoor verviel het procesbelang van verzoekster bij de voorlopige voorzieningen-procedure.
Verzoekster gaf aan het verzoek niet in te trekken vanwege een nieuw geschil over de passendheid van een andere opvanglocatie per 1 april 2026, maar dit nieuwe geschil maakt geen onderdeel uit van deze procedure en wordt behandeld in een aparte zaak.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is en droeg het college op het betaalde griffierecht aan verzoekster te vergoeden. Er is geen sprake van vergoeding van overige proceskosten.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter L.M. de Vries op 30 maart 2026 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.