Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4191

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
K/4102/11905024
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:267 lid 1 BWArt. 7:267 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid ex-partner in vordering tot medehuurderschap sociale huurwoning

De ex-partner van de oorspronkelijke huurster vordert medehuurderschap van een sociale huurwoning, ondanks dat de vordering niet gezamenlijk is ingesteld. De kantonrechter oordeelt dat de ex-partner ontvankelijk is, mede doordat de hoofdhuurder schriftelijk instemt met het verzoek.

De kantonrechter stelt echter vast dat onvoldoende is aangetoond dat de ex-partner gedurende twee jaar zijn hoofdverblijf in de woning heeft gehad, dat er sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de oorspronkelijke huurster, en dat hij over voldoende financiële middelen beschikt om de huur te voldoen. De ex-partner krijgt daarom een bewijsopdracht om deze punten nader te onderbouwen.

De procedure wordt aangehouden en de zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor het indienen van nadere stukken. De kantonrechter houdt rekening met taal- en cultuurbarrières die mogelijk tot onduidelijkheden hebben geleid. De beslissing over het medehuurderschap wordt uitgesteld totdat voldoende bewijs is geleverd.

Uitkomst: Ex-partner is ontvankelijk in vordering tot medehuurderschap, beslissing aangehouden wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11905024 \ CV EXPL 25-6576
Vonnis van 1 april 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. J.L. Scheltens,
tegen
STICHTING PRÉ WONEN,
te Velserbroek,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Pré Wonen,
gemachtigde: mr. R.G. Matti.
De zaak in het kort
De ex-partner van de oorspronkelijke huurster is ontvankelijk in zijn vordering tot medehuurderschap, hoewel de vordering niet gezamenlijk is ingesteld. De beslissing over het gevorderde medehuurderschap wordt aangehouden. Aan de ex-partner is een bewijsopdracht gegeven, omdat vooralsnog onvoldoende is aangetoond dat de ex-partner gedurende twee jaar zijn hoofdverblijf in de woning heeft (gehad), een duurzame gemeenschappelijke huishouding met de oorspronkelijke huurster voerde en over voldoende financiële middelen beschikt.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 september 2025 met 4 producties;
- de conclusie van antwoord met eis in reconventie met 4 producties;
- de brief van 25 februari 2026 van [eiser] met aanvullende stukken;
- het tussenvonnis van 12 november 2025 waarin de mondelinge behandeling van 10 maart 2026 is bepaald, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Met ingang van 15 augustus 2017 verhuurde Pré Wonen de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats] (hierna: het gehuurde) aan [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]). De woning betreft een driekamerwoning. Er is sprake van sociale huur.
2.2.
[eiser] en [betrokkene 1] hebben de Afghaanse nationaliteit.
2.3.
Op 13 juli 2017 is [minderjarige 1] geboren te [plaats], welk kind door [eiser] op 17 juli 2017 is erkend. [betrokkene 1] is de moeder.
2.4.
[eiser] staat blijkens de gemeentelijke basisadministratie sinds 4 februari 2020 ingeschreven op het adres van het gehuurde.
2.5.
Uit de afschriften uit de Basisregistratie Personen volgt dat op 19 mei 2022 [minderjarige 2] en op 22 maart 2024 [minderjarige 3] zijn geboren. [eiser] en [betrokkene 1] zijn de vader en moeder van deze kinderen.
2.6.
Op 12 mei 2025 zijn [betrokkene 1], de zus van [betrokkene 1] en [eiser] op het kantoor van Pré Wonen verschenen, waarbij zij een brief hebben overhandigd, waarin het volgende is opgenomen:
“Ik schrijf dit uit naam van mijn zus en zwager. Mijn zus [betrokkene 1] gaat naar Duitsland verhuizen en haar echtgenoot blijft in de woning [adres] in [plaats] achter. De kinderen gaan mee naar Duitsland. In de vakantie komen de kinderen naar hun vader.
Handtekening zus
Handtekening bewoonster (echtgenote)
Handtekening medebewoner (echtgenoot)”
2.7.
Op 14 mei 2025 heeft Pré Wonen navolgende mail aan [betrokkene 1] gezonden:
“U gaf van de week een brief aan de balie af. Waarin u aangeeft dat u naar Duitsland vertrekt en uw man in de woning achterblijft. Ik heb u hierover zojuist gebeld. Ik sprak u zus aan de telefoon.
Aanpassing tenaamstelling niet mogelijk
De huurovereenkomst voor de woning [adres] te [plaats] kan op dit moment niet op naam van uw man, de heer [eiser], gezet worden. Uw man is namelijk geen medecontractant van de woning.
Wanneer u gehuwd bent
U geeft aan gehuwd te zijn. Graag ontvang ik dan een uittreksel uit de bevolkingsregistratie waaruit dit blijkt. Ook voor de Nederlandse wet moet u namelijk aantonen dat u bent gehuwd. Daarnaast ontvang ik graag een uittreksels waaruit blijkt dat uw man in de woning [adres] te [plaats] woont. Wanneer u daadwerkelijk gehuwd bent en uw man feitelijk op dit adres woont, is uw man van rechtswege huurder. (…)”
2.8.
In een e-mail van 18 juli 2025 heeft [betrokkene 1] de huur opgezegd. Daarin heeft zij aangegeven:

Ik verhuis naar Duitsland samen met mijn kinderen. Aangezien ik alleen ben en in fasen mijn spullen moet verhuizen, is het voor mij lastig om alles in één keer over te brengen. Daarom zou ik graag willen vragen of het mogelijk is om de sleutels op 30 september in te leveren.”
2.9.
Op 30 juli 2025 heeft Pré Wonen het formulier Huuropzegging ontvangen, dat op 23 juli 2025 is ondertekend door [betrokkene 1] en [eiser]. Daarin staat dat de huur wordt opgezegd per 23 juli 2025.
2.10.
[betrokkene 1] heeft op enig moment het gehuurde verlaten en woont thans in Duitsland.
2.11.
Bij e-mail van 24 september 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] zich tot Pré Wonen gewend en gevraagd of Pré Wonen [eiser] als medehuurder wilde erkennen. In de e-mail staat onder meer dat:
- [eiser] gedurende vijf jaar de woning samen met [betrokkene 1] en hun kinderen heeft bewoond;
- [betrokkene 1] en de kinderen in de zomervakantie van 2025 afwisselend in het gehuurde en in Duitsland verbleven;
- op 25 augustus 2025 twee medewerkers van Pré Wonen een vooroplevering kwamen doen, waardoor het [eiser] duidelijk werd dat [betrokkene 1] de huur had opgezegd;
- [eiser] van de opzegging niets wist, maar zich wel herinnerde dat hij in juni bij Pré Wonen op kantoor was geweest om te melden dat [betrokkene 1] naar Duitsland zou gaan en hij in de woning zou blijven.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - een verklaring voor recht dat [eiser] met ingang van 14 mei 2025 als medehuurder van de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats] wordt aangemerkt en te bepalen dat [eiser] als huurder de huur mag voortzetten na het einde van de huurrelatie tussen [betrokkene 1] en Pré Wonen per 1 oktober 2025, met veroordeling van Pré Wonen in de proceskosten.
3.2.
Pré Wonen voert verweer. Pré Wonen concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

[eiser] is ontvankelijk in zijn vordering
4.1.
Pré Wonen stelt zich allereerst op het standpunt dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vordering, omdat hij de vordering niet mede namens [betrokkene 1] heeft ingesteld [1] . Dat verweer slaagt niet vanwege het volgende.
4.2.
Een huurder en een andere persoon die in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voert, kunnen gezamenlijk verzoeken dat de kantonrechter zal bepalen dat deze andere persoon medehuurder zal zijn als de verhuurder niet met een verzoek daartoe instemt. [2] Blijkens de wetsgeschiedenis dient deze eis vooral om te voorkomen dat een huurder buiten zijn weten om wordt geconfronteerd met een medehuurder die hem later uit de woning zou kunnen verdringen. De kern van de wettelijke bescherming ligt dus in de instemming van de hoofdhuurder met het verzoek van de aspirant medehuurder.
4.3.
De vordering is niet mede namens [betrokkene 1] (de hoofdhuurder) ingesteld. Omdat het standpunt van [betrokkene 1] voor de beoordeling van de vordering van belang is, is [eiser] kort voor de mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om [betrokkene 1] nog op te roepen zodat zij haar standpunt kenbaar zou kunnen maken. Volgens [eiser] was het echter gelet op het korte tijdsbestek niet meer mogelijk om [betrokkene 1], die in Duitsland verblijft, op te roepen voor de mondelinge behandeling en heeft hij daarom een schriftelijke verklaring van [betrokkene 1], met daarbij gevoegd een kopie van haar legitimatiebewijs, overgelegd. Uit deze verklaring volgt dat [betrokkene 1] instemt met de vordering van [eiser] om het medehuurderschap te verkrijgen. Deze instemming kan worden opgevat als een bekrachtiging van het verzoek, waardoor alsnog wordt voldaan aan de strekking van het gezamenlijkheidsvereiste van artikel 7:267 lid 1 BW Pro. Aan het verweer van Pré Wonen dat deze verklaring niet door [betrokkene 1] zelf maar door haar zus is opgesteld, gaat de kantonrechter voorbij. De zus van [betrokkene 1] is immers steeds degene geweest die de gesprekken en correspondentie met Pré Wonen heeft gevoerd, omdat zij, in tegenstelling tot [eiser] en [betrokkene 1], de Nederlandse taal beheerst. Dat [betrokkene 1] er geen bezwaar tegen heeft dat [eiser] nog in het gehuurde blijft wonen, kan ook worden afgeleid uit het feit dat ook na de datum waartegen de huur is opgezegd, de huur nog geruime tijd door [betrokkene 1], althans vanaf haar bankrekening, is voldaan.
Verzoek medehuurderschap [eiser]
4.4.
De kantonrechter kan een verzoek tot medehuurderschap alleen toewijzen als, kort gezegd, de aspirant medehuurder gedurende tenminste twee jaar in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de hoofdhuurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voert, de vordering niet slechts de strekking heeft de persoon op korte termijn de positie van huurder te verschaffen en de persoon vanuit financieel oogpunt voldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur [3] .
Hoofdverblijf
4.5.
Pré Wonen heeft betwist dat [eiser] gedurende tenminste twee jaar zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft gehad. Een belangrijke aanwijzing voor het door [eiser] gestelde hoofdverblijf in het gehuurde, is dat hij sinds 4 februari 2020 in de gemeentelijke basisadministratie op het adres van het gehuurde is geregistreerd. Deze aanwijzing alleen is niet voldoende. [eiser] heeft ook nog poststukken overgelegd, waaruit volgt dat [eiser] op verschillende data in 2021 en 2025 post heeft ontvangen op het adres van het gehuurde, maar dergelijke gegevens over de periode 2022 tot en met 2024 ontbreken. Dat [eiser] gedurende twee jaar voorafgaand aan het indienen van de vordering in het gehuurde zijn hoofdverblijf heeft gehad, kan dus onvoldoende worden vastgesteld. Het ligt op de weg van [eiser] om, bijvoorbeeld aan de hand van poststukken, aan te tonen dat hij in de periode 2022 tot en met 2024 zijn hoofdverblijf in het gehuurde had.
Duurzame gemeenschappelijke huishouding
4.6.
Bij de bepaling of er sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding komt het er in feite mede op neer dat moet worden bekeken hoe het leven van [eiser] en [betrokkene 1] er ‘achter de voordeur’ uitzag. Als de verhuurder betwist dat sprake is van een gemeenschappelijke huishouding, wat in deze zaak het geval is, moeten er voldoende concrete feiten worden aangevoerd waaruit volgt dat er
welsprake is (geweest) van een gemeenschappelijke huishouding. Dit wordt de verzwaarde stelplicht genoemd die overigens alleen van toepassing is op de gemeenschappelijkheid van de huishouding – niet op de duurzaamheid ervan. Daarbij speelt een rol in welke mate [eiser] en [betrokkene 1] hebben voorzien in de kosten van de huishouding en het levensonderhoud, maar ook of zij gezamenlijk leefden door bijvoorbeeld gezamenlijk te eten, het huishouden te doen en gezamenlijk invulling aan vrije tijd en vakanties te geven.
4.7.
Dat [eiser] en [betrokkene 1] een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd, blijkt volgens [eiser] uit het feit dat hij samen met [betrokkene 1] drie kinderen heeft gekregen, waarvan de laatste twee kinderen gedurende de huurperiode zijn geboren. Anders dan Pré Wonen, is de kantonrechter van oordeel dat uit de door [eiser] overgelegde geboorteakte van [minderjarige 1] en een latere vermelding betreffende erkenning door [eiser] en de drie afschriften uit de basisregistratie personen van [minderjarige 1], [minderjarige 3] en [minderjarige 2] dat [eiser] (juridisch) ouder is van de drie kinderen. Dit is, mede gelet op de betwisting van Pré Wonen, echter onvoldoende om vast te stellen dat [eiser] samen met [betrokkene 1] een gemeenschappelijke duurzame huishouding heeft gevoerd. Het ligt op de weg van [eiser] om de gemeenschappelijke duurzame huishouding in het licht van het in r.o. 4.6. weergegeven toetsingskader nader te onderbouwen.
4.8.
Een aanwijzing voor die gemeenschappelijke duurzame huishouding zou gelegen kunnen zijn in de stelling van [eiser] dat hij samen met [betrokkene 1] bij de Afghaanse ambassade is geweest in verband met een huwelijk. Dit zou kunnen wijzen op een informeel (religieus) huwelijk tussen [eiser] en [betrokkene 1]. In Nederland wordt uitsluitend het burgerlijk huwelijk, naast het geregistreerd partnerschap, erkend. Een informeel huwelijk heeft op zichzelf geen juridische gevolgen, maar zou wel een omstandigheid kunnen zijn, die meeweegt bij de beoordeling of sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen [eiser] en [betrokkene 1]. Het ligt op de weg van [eiser] om het bestaan van een dergelijk huwelijk nader te onderbouwen.
4.9.
In het kader van de duurzaamheid van de samenleving, zijn nog vraagtekens te zetten bij de volgende feiten:
- de huuropzegging is mede ondertekend door [eiser], terwijl het naar zijn zeggen niet de bedoeling was dat hij uit het gehuurde zou vertrekken;
- [betrokkene 1] heeft in haar e-mail van 18 juli 2025 aan Pré Wonen aangegeven dat zij de sleutels op 30 september 2025 wilde inleveren. Zonder nadere toelichting die ontbreekt valt niet in te zien waarom [betrokkene 1] de sleutels van het gehuurde zou inleveren als zij wilde dat [eiser] in het gehuurde zou achterblijven.
Het ligt op de weg van [eiser] om hier verduidelijking te verschaffen.
Financiële middelen
4.9.
Volgens Pré Wonen heeft [betrokkene 1] sinds haar vertrek de huur betaald en heeft [eiser] geen bewijs overgelegd dat hij over inkomen beschikt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat hij geld naar [betrokkene 1] heeft overgemaakt, waarna [betrokkene 1] de huur aan Pré Wonen heeft doorbetaald. Dit heeft [eiser] niet onderbouwd met stukken. Volgens [eiser] ontvangt hij op dit moment geen uitkering en verdient hij geld met zijn klusbedrijf. [eiser] heeft daartoe een aantal facturen overgelegd, maar ook dit is onvoldoende om vast te stellen dat [eiser] over voldoende financiële middelen beschikt om de huur te voldoen. Hieruit volgt immers niet dat er naar aanleiding van deze facturen ook gelden zijn ontvangen. Het ligt op de weg van [eiser] om nader te onderbouwen dat hij over de vereiste financiële middelen beschikt.
4.10.
Vooralsnogstaat onvoldoende vast dat [eiser] gedurende twee jaar zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft gehad en samen met [betrokkene 1] een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd. Ook heeft [eiser]
vooralsnogonvoldoende onderbouwd dat hij over voldoende financiële middelen beschikt om de huur te voldoen.
4.11.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [eiser] de Nederlandse taal niet of nauwelijks beheerst. Vermoedelijk heeft dit voor de nodige onduidelijkheid gezorgd. Daarnaast ligt een deel van de problematiek en onduidelijkheid mogelijk ook in het cultuurverschil en de (onvoldoende) kennis van het Nederlandse (rechts)systeem. Hierin en in het licht van de wel door [eiser] overgelegde stukken (die een begin van bewijs opleveren) ziet de kantonrechter aanleiding om [eiser] de gelegenheid te geven zijn stellingen met nadere stukken te onderbouwen. Het gaat dan om de punten genoemd in de rechtsoverwegingen 4.5, 4.7, 4.8 en 4.9. De zaak zal worden verwezen naar de rol voor een door [eiser] te nemen akte waarna Pré Wonen de gelegenheid zal krijgen om daarop te reageren.
4.12.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verwijst de zaak naar de rol van 29 april 2026 voor het nemen van een akte door [eiser] met het in de rechtsoverwegingen 4.5, 4.7, 4.8, 4.9 en 4.11. omschreven doel;
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.zoals artikel 7:267 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) vereist.
2.op grond van artikel 7:267 lid 1 BW Pro.
3.zie artikel 7:267 BW Pro.