Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4010

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
C/15/375040
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens onduidelijk letsel en lopend politieonderzoek

De rechtbank Noord-Holland heeft op 10 maart 2026 uitspraak gedaan over de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige. De minderjarige liep in augustus 2025 letsel op in de woning van haar voormalige pleegouder, waarvan de oorzaak nog onduidelijk is. Het politieonderzoek naar dit incident is nog niet afgerond, waardoor onvoldoende waarborgen bestaan om de minderjarige veilig terug te plaatsen.

De gecertificeerde instelling (GI) verzoekt verlenging van de ondertoezichtstelling voor een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing voor dezelfde duur. De moeder stemt in met verlenging, mits terugplaatsing bij de pleegouder. De vader is niet verschenen. De GI uit twijfels over de veiligheid van terugplaatsing en wil een gezinsopname voor ouderschapsbeoordeling, waarvoor toestemming ontbreekt.

De kinderrechter oordeelt dat de ontwikkeling van de minderjarige ernstig wordt bedreigd door het gebrek aan contact met ouders en onduidelijk toekomstperspectief. Vrijwillige hulpverlening is onvoldoende. Daarom wordt de ondertoezichtstelling verlengd voor een jaar. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verlengd voor vier maanden, korter dan verzocht, om de GI ruimte te geven het politieonderzoek af te ronden en de omgang met de pleegouder te monitoren. De beslissing is direct uitvoerbaar en er wordt een nieuwe zitting gepland voor verdere beoordeling.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling wordt verlengd voor een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing voor vier maanden vanwege onduidelijk letsel en lopend politieonderzoek.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/375040 / JU RK 26-313
Datum uitspraak: 10 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbeschermming & Jeugdreclasseringte Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. P.J. van de Pol, kantoorhoudende te Haarlem.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[de vader],
hierna te noemen de vader,
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
[de nicht],
hierna te noemen: [de nicht] ,
advocaat: mr. Y. Bruin, kantoorhoudende te Heerhugowaard.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 februari 2026;
  • het verweerschrift met bijlagen van de moeder, ontvangen op 8 maart 2026
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [de nicht] , bijgestaan door haar advocaat;
- [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI.
De vader is niet verschenen.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 maart 2024 [de minderjarige] onder toezicht gesteld. Deze maatregel is daarna verlengd en loopt nog tot 19 maart 2026.
2.3.
Bij beschikking van 28 oktober 2024 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een pleeggezin (bij [de nicht] ) voor de duur van vier weken en het verzoek voor het overige aangehouden. Bij beschikking van 13 november 2024 heeft de kinderrechter in deze rechtbank een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een pleeggezin. Deze maatregel is nadien verlengd en loopt nog tot 19 maart 2026.
2.4.
[de minderjarige] verbleef sinds 28 oktober 2024 in het netwerkpleeggezin van [de nicht] . In augustus 2025 is [de minderjarige] overgeplaatst naar een crisispleeggezin en in november 2025 is [de minderjarige] opnieuw overgeplaatst naar een ander pleeggezin. Hier verblijft zij sindsdien.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter onderbouwing van het verzoek schrijft de GI dat het naar omstandigheden goed gaat met [de minderjarige] . Zij functioneert goed in het dagelijks ritme en maakt een vrolijke indruk. Eénmaal per week heeft [de minderjarige] begeleide omgang met [de nicht] en zij videobellen ook eens per week. Met haar moeder heeft [de minderjarige] momenteel geen contact.
Het politieonderzoek naar aanleiding van het incident in augustus 2025, waarbij [de minderjarige] letsel, waarvan de oorzaak nog niet vaststaat, heeft opgelopen, loopt nog. Niet bekend is wanneer dit wordt afgerond. Mede hierdoor is het perspectief van [de minderjarige] nog onduidelijk. Zowel de moeder, de vader, [de nicht] als [de minderjarige] zelf hebben de wens dat [de minderjarige] weer bij [de nicht] gaat wonen en daar opgroeit. De GI vraagt zich af of een terugplaatsing bij [de nicht] voldoende veilig is voor [de minderjarige] . Om hier meer duidelijkheid over te krijgen wil de GI een aanmelding doen bij GGZ Beilen voor een gezinsopname in het kader van ouderschapsbeoordeling. De moeder heeft hiervoor geen toestemming gegeven en het is nog onduidelijk of de nicht aan deze opname kan deelnemen.
[de minderjarige] is nog niet aangemeld voor speltherapie. Zodra hier ruimte voor ontstaat wil de GI opnieuw bekijken welke hulp passend en noodzakelijk is voor [de minderjarige] . Door [de minderjarige] is aangegeven dat zij geen contact met haar moeder wil, omdat zij boos is op haar moeder. De moeder respecteert deze wens.
Sinds augustus 2025 heeft er één videobelmoment plaatsgevonden tussen [de minderjarige] en haar vader. [de minderjarige] zou haar vader en opa en oma moederszijde weer willen zien. De GI onderzoekt welke mogelijkheden hiervoor passend en haalbaar zijn.
De GI concludeert dat [de minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Het komend jaar wil de GI gebruiken om zich te richten op het verkrijgen van duidelijkheid over de oorzaak van het letsel, het bieden van stabiliteit en ondersteuning aan [de minderjarige] in het pleeggezin, het werken aan duidelijkheid over haar toekomstperspectief, het onderzoeken van mogelijkheden voor contact met haar moeder en vader en het intensief monitoren van het welzijn en de ontwikkeling van [de minderjarige] .
3.3.
Tijdens de zitting heeft de GI desgevraagd verklaard dat het politie-onderzoek nog altijd niet is afgerond. Onduidelijk is hoe lang dit nog gaat duren. Er heeft ook nog geen multidisciplinair overleg plaatsgevonden met alle betrokkenen.
De GI had, ook voor het incident in augustus 2025, al onderbuikgevoelens over de plaatsing van [de minderjarige] bij [de nicht] . Dit maakt het voor de GI lastig om nu een beslissing te nemen over een eventuele terugplaatsing. De omgang tussen [de minderjarige] en [de nicht] zal voorlopig nog begeleid zijn. Het SIG kan op termijn de omgangsbegeleiding bij [de nicht] thuis begeleiden. Daarnaast zal de speltherapie opgestart gaan worden.
Ook als de uitkomst van het politie-onderzoek uitwijst dat het incident in augustus 2025 een ongeluk was, dan is een gezinsopname van [de nicht] met [de minderjarige] nodig, aldus de GI.

4.De standpunten

4.1.
De moeder stemt in met de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling. Zij stemt ook in met een verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] , onder de voorwaarde dat [de minderjarige] weer bij [de nicht] gaat wonen. Dit is de wens van alle betrokkenen. De moeder begrijpt niet waarom [de minderjarige] niet terug kan.
4.2.
De vader is ter zitting, hoewel daartoe te zijn opgeroepen, niet verschenen. Zijn standpunt is bij de kinderrechter niet bekend.
4.3.
[de nicht] heeft ter zitting verklaard dat de twijfels die de GI heeft, niet eerder met haar besproken zijn.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat zij sinds enkele maanden geen enkel contact wil met haar moeder en haar vader slechts eenmaal heeft gezien via beeldbellen. Daarnaast is het opgroeiperspectief van [de minderjarige] onduidelijk. Het is de wens van de moeder, de vader, de nicht en [de minderjarige] zelf dat zij zal opgroeien bij haar nicht. Gelet op het lopende politie-onderzoek, naar aanleiding van het letsel dat [de minderjarige] in augustus 2025 heeft opgelopen, kan hierover nog altijd geen beslissing worden genomen. De kinderrechter begrijpt dat het voor alle betrokkenen frustrerend is dat de uitkomst van het politie-onderzoek zo lang op zich laat wachten. De veiligheid en de ontwikkeling van [de minderjarige] staan echter voorop en die kunnen momenteel niet gegarandeerd worden zodra zij bij de nicht komt te verblijven. Regie van de GI is op dit punt nog noodzakelijk.
5.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Het is nog niet duidelijk welke hulpverlening op dit moment het meest in het belang van [de minderjarige] is. Ook is het nodig dat de omgang met de nicht voorlopig nog begeleid wordt en de mogelijkheden van omgang met de ouders nader onderzocht worden. Hoewel de moeder open staat voor hulp en accepteert dat [de minderjarige] niet bij haar thuis zal opgroeien, is het naar het oordeel van de kinderrechter nodig dat de GI betrokken blijft bij de (nog in te zetten) hulpverlening.
5.4.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar. De moeder stemt hier ook mee in.
5.5.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de minderjarige. [2]
Op de zitting is gebleken dat er nog altijd niet meer duidelijkheid is over de oorzaak van het letsel dat [de minderjarige] in augustus 2025 in het huis van [de nicht] heeft opgelopen. Hierdoor zijn er, gelet op de opmerkingen van het Leck en de kinderarts, op dit moment nog onvoldoende waarborgen om [de minderjarige] weer veilig terug te kunnen plaatsen naar [de nicht] . Door de GI is voorts op de zitting aangegeven dat er ook voor het incident in augustus 2025 al twijfels waren over de plaatsing bij [de nicht] . Deze twijfels zijn niet schriftelijk vastgelegd en ook niet ten tijde van de screening van [de nicht] in verband met haar geschiktheid als pleegmoeder naar voren gekomen. Ook lijken de twijfels van de GI niet eerder met de betrokkenen te zijn besproken. Daarnaast konden de twijfels op de zitting niet nader worden onderbouwd of beschreven, anders dan “onderbuikgevoelens’. Het is voor de kinderrechter dan ook niet mogelijk om deze op dit moment in welke zin dan ook mee te wegen. De kinderrechter acht het in het belang van [de minderjarige] en alle betrokkenen dat de GI de komende maanden de omgang tussen [de minderjarige] en [de nicht] uitbreidt, zodat goed gemonitord kan worden, ook door deskundigen. Hiermee kunnen de twijfels van de GI worden onderbouwd dan wel worden weggenomen. [de minderjarige] is inmiddels zeven maanden uit het huis van haar nicht geplaatst. Een verlenging van de uithuisplaatsing van een jaar in een ander pleeggezin, zonder duidelijkheid waar haar opgroeiperspectief ligt, acht de kinderrechter niet in het belang van [de minderjarige] . De kinderrechter ziet daarom aanleiding om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor een kortere termijn dan verzocht. De maatregel zal worden verlengd voor de duur van vier maanden en het overig verzochte zal worden aangehouden.
5.6.
De kinderrechter verwacht dat de komende vier maanden door de GI grote druk wordt uitgeoefend op de betrokken instanties om het politie-onderzoek af te ronden. De kinderrechter wijst erop dat de GI daarnaast ook eigen onderzoeksmogelijkheden kan inzetten, zoals het vragen van een second opinion (bij een forensisch arts) of nader onderzoek door het Leck. Om een goed onderbouwde beslissing te kunnen nemen over het resterende deel van het verzoek, verwacht de kinderrechter dat de GI uiterlijk over 3,5 maand schriftelijk rapporteert over de uitkomsten van het politie-onderzoek, de conclusies die de GI daaraan verbindt en over de omgangsmomenten tussen [de minderjarige] en [de nicht] .
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van
[de minderjarige]tot 19 maart 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige]in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van vier maanden, tot 19 juli 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt aan het meer verzochte tot een
zitting op [datum], waarvoor de betrokkenen nog opgeroepen zullen worden;
6.5.
verzoekt de GI om
uiterlijk twee wekenvoorafgaand aan deze zittingsdatum aan de rechtbank en de overige belanghebbenden te rapporteren over de punten zoals hierboven genoemd onder punt 5.6.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.D. de Jong, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026, in aanwezigheid van mr. N. van Lede-Terhaar sive Droste als griffier.
De schriftelijke uitwerking van deze beslissing is vastgelegd op 24 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.