Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:4006

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
HAA 26/711
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging bijstandsuitkering wegens woonplaatskwestie

Verzoeker ontving sinds november 2022 een bijstandsuitkering van de gemeente Bloemendaal, maar het college beëindigde deze per 1 januari 2026 vanwege het ontbreken van een woonplaats in de gemeente Bloemendaal. Uit onderzoek bleek dat verzoeker zijn hoofdverblijf bij zijn vader in een andere gemeente heeft, waar hij intensieve mantelzorg verleent.

Verzoeker betwistte dit en stelde dat zijn hoofdverblijf in de gemeente Bloemendaal bleef en dat de mantelzorgsituatie een uitzondering vormt op de regels. Hij verzocht om een voorlopige voorziening en een voorschot op de uitkering, met het argument dat hij geen inkomen heeft en in financiële nood verkeert.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het bezwaar van verzoeker geen redelijke kans van slagen heeft, mede omdat verzoeker onvoldoende bewijs leverde van de uitzonderingssituatie en de noodzakelijke medische informatie niet verstrekte. Ook was geen spoedeisend belang aangetoond, omdat verzoeker onderdak heeft en geen onherstelbare financiële nood is gebleken.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, wat betekent dat de uitkering niet wordt voortgezet in afwachting van de beslissing op bezwaar. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de bijstandsuitkering wordt afgewezen omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/711

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M.J. Meijer),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bloemendaal, het college
(gemachtigde: S. Wouterson).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over beëindiging van verzoekers uitkering op grond van de Participatiewet (PW) per 1 januari 2026. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Bij de huidige stand van zaken lijkt niet aannemelijk dat het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2.
2.1.
Met het besluit van 16 december 2025 heeft het college de bijstandsuitkering van verzoeker per 1 januari 2026 beëindigd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.

Totstandkoming van het besluit

3.
3.1.
Verzoeker staat sinds 23 november 2022 in de Basisregistratie personen ingeschreven op het adres [straatnaam en huisnummer] in [plaats 1] . Hij heeft vanaf 25 november 2022 een bijstandsuitkering van het college ontvangen. Bij aanvang van de uitkering heeft hij gemeld tijdelijk in [plaats 2] bij zijn ouders op zolder te verblijven omdat zijn moeder terminaal ziek was. In maart 2023 is zij overleden, waarna verzoeker voor zijn vader (van thans 90 jaar oud) is gaan zorgen.
3.2.
Het college is in 2025 naar aanleiding van een melding over de woon- en financiële situatie van verzoeker een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan verzoeker verstrekte bijstand. Daarbij is op 18 juni 2025 en 31 juli 2025 met verzoeker gesproken, in welke gesprekken hij onder meer verklaarde dat hij samen met zijn vader eet, daar schoonmaakt en boodschappen doet, hem helpt en “85% van de tijd” bij zijn vader te zijn en “ik ben er eigenlijk 24/7”. Ook is onderzoek gedaan naar zijn bankafschriften, energie en water verbruik, en op 31 juli 2025 heeft een huisbezoek plaatsgevonden.
Hiervan is een rapport van 23 september 2025 opgemaakt. Hierin is
– voor zover van belang – geconcludeerd dat het zwaartepunt van verzoekers persoonlijke leven sinds de aanvraag van de uitkering niet op het uitkeringsadres ligt, en dat hij geen woonplaats heeft gehad in de gemeente [plaats 1] .
3.3.
Uit een brief van het college van 30 oktober 2025 volgt dat het college met verzoeker heeft afgesproken dat hij een uitkering in [plaats 2] moet aanvragen omdat hij daar woont. Hiervoor krijgt hij twee weken de tijd. Als hij zich hieraan niet houdt of de situatie is feitelijk anders dan dat hij heeft aangegeven kan dat leiden tot een formeel besluit tot beëindiging van de uitkering, aldus het college. Verzoeker heeft het college laten weten het hiermee niet eens te zijn en een advocaat ingeschakeld te hebben.
3.4.
Het college heeft vervolgens per mail van 25 november 2025 aangegeven nader onderzoek te willen verrichten naar de vraag of sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in het per januari 2026 geldende artikel 40, derde lid, onderdeel d, van de PW. [1] Verzoeker is in dat kader gevraagd om een schriftelijke en onderbouwde toelichting van de zorg die verzoeker aan zijn vader geeft. Deze informatie is niet verstrekt.
3.5.
In een nader op 1 december 2025 opgestelde rapportage ‘Beëindiging Participatiewet’ is geconcludeerd dat vast is komen te staan dat verzoeker zijn hoofdverblijf vanaf aanvang bijstand niet in [plaats 1] , maar in [plaats 2] heeft. Door verzoeker is aangegeven dat dit te maken heeft met zorg voor eerst zijn moeder en, na haar overlijden, zijn vader. Verzoeker verklaart dat zijn vader afhankelijk is van intensieve mantelzorg. Ook dit zou tijdelijk zijn. Inmiddels verblijft verzoeker al zes jaar in de gemeente Haarlem. Dit is niet meer tijdelijk. Verzoeker heeft volgens de rapporteur niet aangetoond dat sprake is van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 40, derde lid, onderdeel d, van de PW. Er is sprake van een financiële verstrengeling en wederzijdse zorg tussen verzoeker en zijn vader, zodat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Voortzetting van de huidige situatie kan niet langer worden gedoogd.
3.6.
Het college heeft in het primaire besluit van 16 december 2025 vermeld dat is geconstateerd dat verzoeker tijdens de uitkeringsperiode bij zijn vader verbleef en niet kon aantonen dat dit strikt noodzakelijk is in verband met mantelzorg, reden waarom de bijstandsuitkering van verzoeker per 1 januari 2026 wordt beëindigd, omdat verzoeker zijn woonstede niet in [plaats 1] heeft. Ook is dit niet het centrum van zijn maatschappelijk leven. Als gevolg hiervan heeft hij op grond van artikel 40, eerste lid, PW geen recht op bijstand.

Bezwaar en verzoek om voorlopige voorziening

4.1.
Verzoeker stelt zich in bezwaar – samengevat – op het standpunt dat hij zijn hoofdverblijf in [plaats 1] heeft en niet in [plaats 2] . Hij heeft zijn hoofdverblijf niet duurzaam verlegd. Hij wijst daarbij op twee verklaringen van zijn buren. Ook al zou het hoofdverblijf bij zijn vader zijn dan betreft dit volgens hem tijdelijk gebruik van een hoofdverblijf elders in het kader van intensieve mantelzorg als bedoeld in artikel 40, derde lid, onderdeel d, van de PW. Dit volgt (ook) uit de verklaring van de huisarts en de bevestiging van inschrijving bij Tandem Centrum. Het besluit is volgens verzoeker verder onevenredig. Beëindigen van de uitkering heeft ingrijpende gevolgen voor zijn bestaanszekerheid en de continuïteit van de mantelzorgverlening. Het college had de persoonlijke omstandigheden van verzoeker moeten wegen. Ook had moeten worden onderzocht of niet kon worden volstaan met minder vergaande maatregelen.
4.2.
Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter om het primaire besluit te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar en te bevelen om bijstand te verlenen bij wijze van voorschot ter hoogte van de voor hem geldende bijstandsnorm.
4.3.
Verzoeker stelt daarbij een spoedeisend belang te hebben. Hij heeft geen inkomen en kan zijn huur en vaste lasten niet voldoen. Hij heeft geen reserves, geen andere inkomsten en geen andere mogelijkheid om financiële ondersteuning te krijgen. Er ontstaat een noodsituatie die niet herstelbaar is. Zijn bezwaar heeft daarnaast volgens hem een redelijke kans van slagen.

Verweerschrift

5. Het college blijft bij zijn standpunt. Het besluit berust volgens hem op een toereikende feitelijke grondslag, is deugdelijk gemotiveerd en in overeenstemming met het recht. Er is dan ook volgens het college geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Verzoeker heeft zijn hoofdverblijf, gelet op de onderzoeksbevindingen, volgens het college niet op zijn uitkeringsadres, maar bij zijn vader in [plaats 2] . Volgens het college is niet aannemelijk gemaakt dat verzoeker voldoet aan artikel 40, derde lid, onderdeel d, van de PW. De informatie van de huisartsen van Tandem centrum is onvoldoende. Bovendien verblijft verzoeker inmiddels zes jaar bij zijn vader zodat ook niet lijkt te zijn voldaan aan het in het artikel genoemde begrip ‘tijdelijk’. Wanneer gekeken wordt naar de gehele situatie is het volgens het college niet gerechtvaardigd om op basis van artikel 40, derde lid, onderdeel d, van de PW een uitzondering te maken en de bijstandsuitkering vanuit de gemeente Bloemendaal te continueren.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Vooralsnog lijkt het bezwaar van verzoeker geen redelijke kans van slagen te hebben. Daartoe overweegt zij als volgt.
7.1.
Uit de onderzoeksbevindingen zoals neergelegd in de rapportages volgt naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voldoende dat verzoeker – ten tijde van de besluitvorming – zijn hoofdverblijf niet heeft op zijn uitkeringsadres in [plaats 1] , maar bij zijn vader in [plaats 2] . Ter gelegenheid van de zitting heeft verzoeker dit bevestigd. Hij heeft verklaard dat zijn vader eigenlijk bij alles zijn zorg nodig heeft, behalve medisch en bij douchen, en dat hij die hulp verleent. Hij slaapt bij zijn vader op de bank, doet boodschappen, maakt schoon en kookt. Dat hij het merendeel van de tijd bij zijn vader in [plaats 2] verblijft, vindt ook steun in de bevindingen tijdens het huisbezoek en de informatie over het energie- en waterverbruik op het adres van verzoeker.
7.2.
Ondanks het verzoek daartoe, heeft verzoeker het college geen informatie verstrekt die tot de conclusie kan leiden dat sprake zou zijn van een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 40, derde lid, onder d, van de PW. Voor zover het gaat om medische informatie betreffende de noodzaak tot 24/7 ondersteuning, kan verzoeker zijn vader om een machtiging vragen, opdat de huisarts die informatie kan verstrekken. Ook is desgevraagd gebleken dat verzoeker geen informatie over de gestelde aanvraag voor een persoonsgebonden budget (pgb) heeft verstrekt. Verzoeker stelt dat de aanvraag in augustus 2025 is gedaan, maar onduidelijk is of daarop al is beslist.
Verzoeker heeft de door het college gevraagde informatie niet overgelegd. Als gevolg hiervan kan het college dan ook niet beoordelen of sprake is van mantelzorg als bedoeld in voornoemd artikel. Het is aan verzoeker om hierover duidelijkheid te verschaffen en de gevraagde informatie te verstrekken.
7.3.
De voorzieningenrechter begrijpt dat het voor verzoeker niet eenvoudig is om dergelijke trajecten, als het aanvragen van een pgb, te volgen en te overzien, maar hij wordt, naar eigen zeggen, daarin bijgestaan door een coach en ook door een gemachtigde. Het is, ook in het kader van de nieuwe aanvraag van verzoeker, in zijn belang om op (zeer) korte termijn alle benodigde gegevens aan het college te verstrekken, zodat een inhoudelijk oordeel over toepassing van voornoemd artikel uit de PW kan worden genomen.
7.4.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om in de tussentijd een voorlopige voorziening te treffen nu van een spoedeisend belang daartoe niet (voldoende) is gebleken. Verzoeker heeft onderdak. Dat sprake zou zijn van een dreigende uithuiszetting is gesteld noch gebleken. Evenmin is gebleken van een financiële noodsituatie. Dit is niet onderbouwd. Daarbij heeft verzoeker verklaard de kosten van levensonderhoud te delen met zijn vader en dat hij ook over diens bankrekening kan beschikken en daarmee betalingen verricht.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker geen (voorschot op zijn) bijstandsuitkering krijgt in afwachting van de beslissing op zijn bezwaar. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Hierin is bepaald dat er geen opschorting plaatsvindt indien de belanghebbende voor het leveren van mantelzorg bij een intensieve zorgbehoefte tijdelijk gebruikmaakt van een hoofdverblijf elders.