Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Uitgeest
Samenvatting
Inleiding
32.406 (besluit II). Eiseres heeft tegen dit besluit II nadere beroepsgronden ingediend en een schadeverzoek ingediend. Het college heeft hierop met een aanvullend verweerschrift gereageerd.
Beoordeling door de rechtbank
verleend. [5] Het gaat niet om het bedrag dat door eiseres bij de aanvraag tot subsidievaststelling is gevraagd. De hoogte van het verleende subsidiebedrag bepaalt de regels voor de af te leggen verantwoording, niet het achteraf door een subsidieontvanger gevraagde bedrag. Aangezien het hier om een verleende subsidie van € 62.640 gaat, gaat het om een subsidie van boven de € 50.000 en zijn de eisen van artikel 15 van Pro de ASV van toepassing.
onverminderd het bepaalde in de artikelen 14 en 15 van de ASV’.Ook de in artikel 15 van Pro de ASV genoemde eisen gelden dus. De rechtbank ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat de bestendige uitvoeringspraktijk aan toepassing van artikel 15 van Pro de ASV in de weg staat. Dat het college in deze subsidieronde voor het eerst in de praktijk vasthoudt aan de verantwoordingsregels, betekent niet dat het college nooit om die verantwoording mag vragen. Het college zegt bovendien terecht dat de eisen wel al vanaf de subsidieverlening bekend waren.
offinancieel verslag (onder b) wordt vereist. Ook een financieel verslag is dus voldoende om aan dit concrete vereiste te voldoen. De rechtbank begrijpt dat er bij eiseres hierover verwarring is ontstaan. In het aanvraagformulier voor de subsidievaststelling staat namelijk zowel
‘financiële verslag/jaarrekening’als dat een jaarrekening moet worden bijgevoegd. In het mailcontact met de gemeente is eveneens alleen gesproken over een jaarrekening en niet over een financieel verslag. Tegelijkertijd had het voor eiseres in ieder geval ten tijde van het voornemen tot de subsidievaststelling op 5 juni 2024 duidelijk moeten zijn dat het om een financieel verslag
ofjaarrekening ging. Dat staat daarin namelijk duidelijk verwoord. Dit is nog eens bevestigd in het besluit van 12 september 2024 en in het bestreden besluit. Bovendien is niet gebleken dat eiseres vóór het voornemen al accountantskosten heeft gemaakt voor het opstellen van een jaarrekening als gevolg van een eis van het college. In reactie op het voornemen geeft eiseres alleen aan dat de administratieve zaken niet op orde zijn, die vanaf dan op orde zullen worden gebracht en dat de jaarrekeningen waarschijnlijk in september of oktober 2024 zullen volgen (wat uiteindelijk op 18 november 2025 is gebeurd). De eerste factuur van de accountant dateert vervolgens van 5 december 2024 en daaruit is niet op te maken wat er concreet aan werkzaamheden is verricht. Daar komt bij dat, zoals het college terecht heeft opgemerkt, eiseres zelf ook al gehouden was om een jaarrekening op te stellen. Voor zover de door de accountant gefactureerde werkzaamheden betrekking zouden hebben op het opstellen van de jaarrekening, kunnen die dus ook om die reden zijn opgevoerd.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het schadeverzoek af.