Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:3920

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
HAA 24/3336
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Janse van Mantgem
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na verlening omgevingsvergunning en verhuizing

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een last onder dwangsom opgelegd door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dijk en Waard wegens overtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De last betrof het staken van bewoning en het verwijderen van woonvoorzieningen in een schuur op een perceel.

Tijdens de procedure is gebleken dat eiser inmiddels met zijn gezin naar een andere gemeente is verhuisd, waardoor de mantelzorgsituatie die ten grondslag lag aan het beroep feitelijk is beëindigd. Tevens is een omgevingsvergunning aangevraagd en uiteindelijk verleend voor de legalisatie van het bijgebouw (de schuur).

De rechtbank heeft eiser herhaaldelijk verzocht om nadere informatie en om te reageren op de stand van zaken, maar eiser heeft niet gereageerd en is niet verschenen op de zitting. Gezien het ontbreken van procesbelang, mede door de verleende vergunning en de verhuizing, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na verlening van de omgevingsvergunning en verhuizing van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/3336

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dijk en Waard, het college
(gemachtigden: mr. A.E.C. Oudhuis en mr. N.D. Voulon).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op het beroep van eiser tegen het besluit tot oplegging van een last onder dwangsom.
1.1.
Met het primaire besluit van 3 oktober 2023 heeft het college – voor zover hier van belang – een last onder dwangsom opgelegd om de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht binnen zes maanden na de verzenddatum van het primaire besluit te beëindigen en beëindigd te houden. Dat doet eiser door de bewoning in de schuur op het perceel [adres] in [plaats] (hierna: het perceel) te staken en gestaakt te houden en de woonvoorzieningen op de eerste verdieping van de schuur te verwijderen en verwijderd te houden. Indien niet aan de last wordt voldaan verbeurt verzoeker van rechtswege een dwangsom van € 10.000,- ineens. Met het bestreden besluit van 14 mei 2024 op het bezwaar van verzoeker is het college bij dat besluit gebleven. Wel is de begunstigingstermijn uit het primaire besluit herzien naar negen maanden (3 juli 2024). Tegen het besluit van 14 mei 2024 heeft verzoeker beroep ingesteld en verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Op 1 juli 2024 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot twee weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 augustus 2024 op zitting behandeld. Na bespreking van de zaak op zitting zijn partijen bereid gebleken om te overleggen over legalisering van de schuur en de onderbouwing van de mantelzorgsituatie, teneinde wellicht tot een oplossing te komen. Daartoe heeft de voorzieningenrechter in de mondelinge uitspraak van 20 augustus 2024 [1] het bestreden besluit geschorst tot de uitspraak op het beroep.
1.3.1.
Op 10 december 2024 heeft de rechtbank partijen gevraagd naar de stand van zaken.
1.3.2.
Het college heeft met de brief van 19 december 2024, ontvangen 20 december 2024, de rechtbank bericht dat eiser inmiddels met zijn gezin naar een andere gemeente is verhuisd, waardoor de mantelzorgsituatie op het perceel feitelijk beëindigd is en geen rol meer zal spelen in de verdere beroepsprocedure. Daarnaast heeft eiser op 8 oktober 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het legaliseren van het bijgebouw (de schuur achter de woning). Eiser is verzocht aanvullende stukken te verstrekken voor zijn aanvraag en het college wacht momenteel op deze gegevens om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen.
1.3.3.
De toenmalige gemachtigde van eiser, mr. L.T. van Eijck van Heslinga, heeft met de brief van 20 december 2024 aan de rechtbank bericht dat ten aanzien van het bijbehorend bouwwerk (de bestaande schuur) een legalisatieprocedure loopt en dat verwacht mag worden dat binnen afzienbare tijd de vergunning verleend wordt. Aangezien de mantelzorg feitelijk beëindigd is, omdat eiser verhuisd is naar een andere gemeente, zal dat in de verdere beroepsprocedure geen rol meer spelen. Eventuele nieuwe eigenaren hebben immers met een eventuele eerder aanwezige mantelzorgsituatie niets te maken. Zodra de omgevingsvergunning is verleend, zal de rechtbank daarvan op de hoogte worden gesteld en zal eiser in overweging worden gegeven de beroepsprocedure in te trekken.
1.4.1.
Op 10 maart 2025 heeft de rechtbank partijen wederom gevraagd naar de stand van zaken.
1.4.2.
Het college heeft met de brief van 24 maart 2025, ontvangen 25 maart 2025, de rechtbank bericht dat eiser inmiddels met zijn gezin naar een andere gemeente is verhuisd. Hierdoor is de mantelzorgsituatie op het betreffende adres feitelijk beëindigd en zal deze geen rol meer spelen in de verdere beroepsprocedure. Daarnaast heeft eiser de woning te koop gezet. Verder heeft eiser op 8 oktober 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het legaliseren van het bijgebouw (de schuur achter de woning). De aanvullende stukken zijn inmiddels door eiser aangeleverd. De aanvraag is nog in behandeling en er moet nog een besluit genomen worden.
1.4.3.
De toenmalige gemachtigde van eiser heeft de rechtbank met de brief van 25 maart 2025 bericht dat hij niets nieuws kan melden na de laatste berichtgeving aangezien het niet mogelijk blijkt om contact met eiser te krijgen.
1.5.1.
Op 27 mei 2025 heeft de rechtbank partijen wederom gevraagd naar de stand van zaken.
1.5.2.
Het college heeft met de brief van 3 juni 2025, ontvangen op 5 juni 2025, de rechtbank bericht dat eiser inmiddels met zijn gezin naar een andere gemeente is verhuisd. Hierdoor is de mantelzorgsituatie op het betreffende adres feitelijk beëindigd en zal deze geen rol meer spelen in de verdere beroepsprocedure. Daarnaast heeft het college vernomen dat eiser de woning te koop heeft staan. Verder heeft eiser op 8 oktober 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het legaliseren van het bijgebouw (de schuur achter de woning). Het college heeft eiser verzocht om technische stukken aan te leveren en het college is nog in afwachting van deze technische stukken.
1.5.3.
De toenmalige gemachtigde van eiser heeft de rechtbank met de brief van 10 juni 2025 bericht dat hij zich onttrekt als gemachtigde van deze zaak. Hij probeert al langere tijd contact met eiser te krijgen, maar krijgt geen enkele reactie van eiser. Dit is reden voor hem om niet meer als gemachtigde namens eiser op te treden.
1.6.
Het college heeft met de brief van 2 september 2025, ontvangen 4 september 2025, de rechtbank bericht dat het college eiser op 28 augustus 2025 een omgevingsvergunning heeft verleend voor het legaliseren van het bijgebouw op het perceel (de schuur achter de woning). De rechtbank heeft eiser op 5 september 2025 verzocht om mee te delen of hij naar aanleiding van de inhoud van deze brief van het college het beroep wil handhaven. Eiser heeft hier niet op gereageerd.
1.7.
Met de aangetekende brieven van 2 februari 2026 zijn eiser en het college opgeroepen om naar de zitting van 5 maart 2026 te komen. De aangetekende brief aan eiser is onbestelbaar aan de rechtbank geretourneerd. Daarop heeft de rechtbank op 24 februari 2026 aan eiser de brief te kennisgeving toegezonden per gewone postzending.
1.8.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van het college deelgenomen. Eiser is niet ter zitting verschenen.
1.9.
Ter zitting heeft het college verklaard dat het perceel nog steeds in eigendom is van eiser, maar dat eiser is verhuisd naar een andere gemeente en ook veel tijd in het buitenland doorbrengt. Het college heeft naar aanleiding van de opgelegde last onder dwangsom geprobeerd om een controle uit te voeren, maar het is niet gelukt om het perceel op te komen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat eiser geen procesbelang meer heeft. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het college een omgevingsvergunning heeft verleend voor het legaliseren van het bijgebouw op het perceel (de schuur achter de woning). Verder is van belang dat eiser is verhuisd naar een ander gemeente en de mantelzorgsituatie daarom geen rol meer speelt in deze procedure, aldus het college én de toenmalige gemachtigde van eiser. Dat eiser volgens het college nog eigenaar van het perceel is, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft ondanks herhaalde verzoeken van de rechtbank geen andere informatie verstrekt en eiser is ook niet ter zitting verschenen om een nadere reactie te geven. Met eiser is gecorrespondeerd op zijn adres in [plaats] omdat de rechtbank van eiser geen adreswijziging heeft ontvangen.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.HAA 24/3335.